Krijtstraat 6-12, Hof Arkel en Grote School (2002)

Onderzoek

Zuil ter nagedachtenis aan de de heren van Arkel

Zuil ter herinnering aan de de heren van Arkel

12 Augustus 2002 startte een uniek archeologisch onderzoek. Op de lokatie waar eind 2003 een nieuwe V&D haar deuren opende, kwam in een relatief korte tijd een enorme schat aan gegevens tevoorschijn. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen bouw van een nieuw warenhuis. Tot voor kort stonden hier enkele woonhuizen en een schoolgebouw. Aangezien de nieuwbouw de archeologische resten zou verstoren werd tussen sloop en nieuwbouw gelegenheid gegeven het terrein gedurende zeven weken te onderzoeken

Doel
Voornaamste doel van het onderzoek was de aard en ligging van het (Hof of Huis) van Arkel en de Grote School vast te leggen alsmede inzicht te krijgen in de oudste bewoning en opbouw van het terrein.

Bevindingen
Tijdens het onderzoek werd duidelijk dat het terrein reeds in de 13e eeuw werd ontgonnen en bewoond. Ongeveer een halve eeuw eerder dan in andere delen van de stad. Rond 1400 worden op het terrein een tweetal grote gebouwen neergezet. Het ene gaat dienst doen als Grote School en het andere is een rijk huis, dat dan vermoedelijk in bezit is van de heren van Arkel.

De vondsten van de (Grote, later Latijnse) School geven een goed beeld van het onderwijs, met name in de 16e eeuw. In het grote buurpand hebben in de 17e eeuw enkele welgestelde families gewoond. Het lijkt er op dat het complex dat het Hof van Arkel wordt genoemd zich nog verder naar het zuiden, richting Hoge Torenstraat heeft uitgestrekt. In dat geval bevinden zich in dat deel van het bouwblok nog belangrijke resten van dat complex. Het kan daarbij gaan om ondergrondse resten, maar het is niet uitgesloten dat in de huidige bebouwing nog elementen van dit complex aanwezig zijn. Het verdient dan ook aanbeveling om eventuele bouw- of graafwerkzaamheden in dit gebied nauwlettend in de gaten te houden en tijdig eventueel archeologisch of bouwhistorisch onderzoek uit te voeren.

Het onderzoek werd in opdracht van de gemeente Gorinchem uitgevoerd door BAAC in nauwe samenwerking met Hollandia Archeologen en een enthousiaste groep vrijwilligers.

Opgraving

Overzicht opgraving vanaf de toren van de Grote Kerk

Overzicht opgraving vanaf de toren van de Grote Kerk

Vraagstelling
Aangezien voorafgaand aan de opgraving alleen beperkte historische gegevens met betrekking tot het terrein voor handen waren, waren de vraagstellingen vrij algemeen. Bovendien was van tevoren bekend dat gezien de te verwachten complexiteit van het bodemarchief, de grootte van het terrein en de hoge tijdsdruk in het veld keuzes gemaakt zouden moeten worden. Voorafgaand aan het onderzoek is door J. van Doesburg (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) een programma van eisen opgesteld waarin de belangrijkste vragen geformuleerd werden:

  • Hoe ziet de stratigrafische opbouw van het terrein er uit?
  • Wat is de aard en de ouderdom van de bewoningssporen?
  • Is er sprake van een toernooiveld en/of een huis van de heren van Arkel?

Tijdens het onderzoek zijn enkele aanvullende vragen geformuleerd, op basis waarvan gerichte keuzes in het veld gemaakt zijn. Besloten is de nadruk te leggen op de bebouwing aan de Krijtstraat, aangezien aan deze zijde tot in de 19de eeuw de voornaamste bebouwing was gelegen. Ook de hoofdgebouwen van de Latijnse School en het mogelijke Huis van Arkel lagen aan deze zijde. Verder zou ernaar gestreefd worden om zowel een noord-zuid als een oost-west lopend profiel over het terrein te creëren om inzicht te verkrijgen in de ondergrond en de ontwikkeling van het terrein.

Werkwijze
Op het onderzoeksterrein is een twaalftal werkputten aangelegd, waarmee ongeveer 75 a 80% vlakdekkend is onderzocht (zie puttenkaart). Het aantal vlakken verschilt per put en varieert van 1 tot 6, afhankelijk van de hoeveelheid en complexiteit van de sporen en de stratigrafie. Het niet onderzochte deel betreft het noordwestdeel van het terrein waar zich diepe verstoringen bevonden van de gesloopte kruipruimtes van de verdwenen bebouwing. Een viertal werkputten (put 7 noord, 10, 11 en 12) is wegens tijdgebrek niet tot de natuurlijke ondergrond verdiept. In totaal zijn 25 profielen en aanzichten van muren gedocumenteerd. Alle getekende vlakken en profielen zijn machinaal aangelegd en met de hand opgeschoond. Vervolgens is alles gefotografeerd en op schaal 1:20 getekend. Uit de sporen en ophogingslagen zijn vondsten verzameld en het muurwerk is nader onderzocht op fasering, metselverband en steenformaten. De inhoud van de beerputten is gezeefd en bemonsterd voor onderzoek naar botanische resten. In totaal zijn 422 vondstnummers uitgedeeld en zijn enkele duizenden vondsten geborgen. Daarnaast zijn bijna 600 sporen herkend.

Voorafgaand aan de uitwerking is een selectie gemaakt van de te beschrijven vondsten en vondstcomplexen. Vanwege de grote hoeveelheden vondsten is besloten de uitwerking van enkele beerputten niet in de rapportage mee te nemen. Het vondstmateriaal is bewerkt en ondergebracht in het depot van de gemeente Gorinchem.

Resultaten
De opgraving heeft een schat aan gegevens opgeleverd over de opbouw en ontwikkeling van het terrein en de bebouwing ervan. De resultaten kunnen in een aantal elementen worden onderscheiden:

  • de natuurlijke ondergrond van het terrein
  • de ontginning en vroegste bewoning
  • de stenen gebouwen op perceel 1
  • de stenen gebouwen op perceel 2
  • de stenen gebouwen op perceel 3
  • vondstcomplexen en losse vondsten

De natuurlijke ondergrond van het terrein
De binnenstad van Gorinchem en daarmee het onderzoeksterrein ligt op oeverwalafzettingen van zowel de rivier de Linge (ten oosten van het gebied) en de Merwede (ten zuiden van het gebied). De Linge was actief vanaf ongeveer 200 voor Christus en heeft in deze periode dicht bij de rivier zand en zavel afgezet en verder van de rivier af klei. Deze afzettingen stopten rond 1307 toen de Linge bij Tiel werd afgedamd. Naast de Linge heeft ook de Merwede een belangrijke rol gespeeld. Deze rivier is actief sinds de 4de eeuw na Christus. Vermoedelijk zijn de afzettingen van zand en zavel langs de Merwede en de Linge ter plaatse van de binnenstad gestopt rond het moment dat hier werd begonnen met ophogingen in de 13de eeuw. De natuurlijke afzettingen van de Linge en de Merwede zijn aangetroffen onder de latere ophogingspakketten en bestaan uit compacte grijze klei. Plaatselijk zijn hierin humeuze vlekjes en witte (kalk?)puntjes aanwezig. In diepere lagen bevat de klei lichtgrijze tot gelige vlekken. In een aantal profielen is in de natuurlijke klei sprake van een iets humeuzere band, die waarschijnlijk met een oud vegetatieniveau samenhangt. Aan de noordzijde van het terrein ligt dit op 0,30 – 0,20 m -NAP; aan de zuidzijde op 1,50 m -NAP. De hoogte van het oorspronkelijke 13de eeuwse maaiveld is niet helemaal duidelijk ten gevolge van latere kuilen en andere verstoringen. Dit maaiveld lijkt af te hellen van 0,00 m NAP in het noordoosten van het terrein tot 0,50 m -NAP in het zuidoosten en 1,00 m –NAP in het zuidwesten.

De ontginning en vroegste bewoning (ca. 1250-ca.1400)
Het opgegraven gebied is na de ontginning eerst opgehoogd. Uit de oudste ophogingslagen komt materiaal dat in de 13de eeuw te dateren is. Hoewel er geen duidelijke perceelindeling is aangetroffen is het niet uitgesloten dat al vanaf de ontginning sprake is van meerdere percelen. In het noordelijk deel van het opgravingsterrein is een aantal loop- of vloerniveaus aangetroffen, die samenhangen met waarschijnlijk houten gebouwen op het terrein. Deze vloerniveaus corresponderen niet met de stratigrafie op het zuidelijk deel, waar de niveaus gemiddeld iets lager liggen. De relatie tussen beide delen van het terrein is niet goed te bepalen aangezien bepaalde delen sterk waren verstoord.

Noordelijk deel
Zoals reeds vermeld werden op het noordelijk gedeelte van het terrein drie woon- of loopniveau’s aangetroffen. Deze niveau’s zijn gescheiden door ophogingsslagen van grijze klei en grijs rivierzand. Voorafgaand aan het oudste niveau heeft een ophoging plaats gevonden van 20 tot 30 cm met blauwgrijze klei met humeuze vlekjes en een enkel puntje baksteen (spoor 341). Het oudste niveau (spoor 322) bestaat uit dunne band humeuze klei en ligt op 0,30 m+NAP. Hierin is een klein stukje bakstenen vloer (spoor 45)13 waargenomen. Aangezien het niet duidelijk is hoe het bijbehorende huis er in deze periode uit zag, is de functie van dit stukje vloer niet duidelijk; het kan zowel gaan om een restant van een haard als om een strookje baksteen ter plaatse van de wand. Er zijn verder geen palen of andere structuren waargenomen, die met zeker met dit niveau samen hangen. Het lijkt erop dat de vanwege verzakkingen het terrein is opgehoogd en geëgaliseerd met vuile grijze klei. De dikte van dit pakket varieert van 5 tot 20 cm.

Proto steengoed beker

Beker, proto steengoed, 13de eeuw

Het middelste niveau zie tekening (spoor 320) (0,20 NAP+ tot 0,50 NAP+) bestaat uit vuile humeuze klei met veel organisch materiaal van stukjes hout en rietstengels. Het niveau heeft een iets gebogen verloop met het hoogste punt midden op het latere perceel 2. Aan dit niveau kan wel een structuur worden verbonden. Het gaat om een klein gebouw met afmetingen van minimaal 6,50 m bij 3,50 m. De palen zijn ingegraven tot een diepte van 0,43 m tot 0,15 m -NAP. Om verzakking van de palen te voorkomen rusten deze op liggende planken (sloffen). Over de plattegrond en de constructie van het huis bestaat nog enige onduidelijkheid. Er zijn drie palenrijen aangetroffen met een onderlinge afstand van 2,25 m en 1,25 m. Er lijkt zich aan de noordzijde dus een soort zijbeuk te bevinden, maar in dat geval zou ook aan de zuidzijde een zijbeuk worden verwacht. Hoewel deze niet is aangetroffen mag niet worden uitgesloten dat er een zuidelijke zijbeuk is geweest. Overigens is aan de Warmoesstraat in Amsterdam een huis opgegraven met eveneens één zijbeuk, waaraan een stalfunctie wordt toegekend (Baart 2001, p.159-174). De breedte van het huis kan dus zowel 3,50 als ca. 4,75 m hebben bedragen. De lengte is evenmin duidelijk. Met name aan de westzijde is het niet onwaarschijnlijk dat het huis verder heeft doorgelopen. Tussen de houten palen hebben op vloerniveau houten balken gelegen. Bij de vermoedelijke voorgevel is een gedeelte van zo’n balk bewaard gebleven. Op deze balken zal een vlechtwerken of houten wand bevestigd zijn geweest. Woonhuizen met dergelijke kleine afmeting zijn niet ongebruikelijk in vroegstedelijke context, hoewel dit Gorinchemse voorbeeld erg klein is (Baart 2001, p. 159-174, Carmiggelt 1997, p 140-179 en Veeckman 2001, p. 143-157) Een functie als werkplaats is echter niet uitgesloten. Ten zuiden van het huis bevonden zich net onder het loopniveau op regelmatige afstanden enkele losse bakstenen. Deze zouden gefunctioneerd kunnen hebben als een soort stiepen onder de palen van een bijgebouwtje. Een waterput bij dit gebouw is niet aangetroffen. Helaas leverde het dendrochronologisch onderzoek van enkele palen geen resultaat op.

Messchede met eenvoudige kruisversiering

Messchede met eenvoudige kruisversiering, leder, 13de-begin 14de eeuw

Uit het bij dit huis behorende loopniveau komt veel vondstmateriaal waaronder een schaartje (vnr. 105), een leren messchede (vnr. 103) en een klein drinkbekertje (vnr. 47) van proto steengoed met ingesnoerde buik. Dergelijke drinkbekers worden zelden gevonden. Een exacte parallel is vooralsnog niet bekend, maar het exemplaar kan het best vergeleken worden met Beckmann 1975 tafel 74, nr 22. Gezien deze vondsten heeft het gebouw in de 13de of begin 14de eeuw gefunctioneerd. Na de sloop van dit gebouw is het terrein opgehoogd met een pakket grijs rivierzand met een dikte van 20 tot 50 cm (spoor 316)

Bij het hierop volgende niveau (spoor 318) (0,80 NAP+) zijn geen duidelijke gebouwstructuren bekend. Bij dit niveau hoort een ingegraven (as?)-pot (spoor 368, vnr 93). Het gaat om een rode grape met haakoren uit het eind van de 14de of begin 15de eeuw. Rond de pot liggen brokken baksteen, hetgeen suggereert dat ze bij een vloerniveau hoort. Dit komt wellicht overeen met een restant van een bakstenen vloer. Met dit niveau kunnen enkele vondsten worden geassocieerd, waaronder een complete grape met zogenaamde haakoren (vnr. 37), die eveneens in de 14de eeuw gedateerd moet worden.

Schaartje

Knijpschaartje, gevonden op het vloerniveau van het houten huis

Na dit niveau is het terrein wederom iets opgehoogd tot ca. 1,10-1,30m + NAP. Op deze hoogte ligt wederom een vloerniveau dat door brand duidelijk is aangetast. Ook bij dit niveau zijn geen duidelijke gebouwsporen aangetroffen. Wel is er sprake van een haard, die wijst op de aanwezigheid van een huis. Enkele van de aangetroffen structuren hebben vermoedelijk gelijktijdig met dit gebouw gefunctioneerd. Een waterput (spoor 27) dateert uit de het eind van de 14de of begin 15de eeuw. De put was opgebouwd uit een ingegraven ton. Een kuil (spoor 324) snijdt door het loopniveau heen en heeft mogelijk nog gelijktijdig, mogelijk kort na het bijbehorende gebouw gefunctioneerd Uit deze kuil komt aardewerk uit de tweede helft van de 14de eeuw. Als jongste spoor kan spoor 194 worden gezien. Dit is een grote beerkuil met vlechtwerkwanden. De vulling dateert uit de eerste helft van de 15de eeuw. Opvallend is dat deze kuil ouder is dan het grote stenen huis uit de volgende fase maar dat men bij de bouw van dat huis wel rekening heeft gehouden met de kuil. Er is over de kuil een grondboog aangelegd, vermoedelijk om verzakkingen te voorkomen. Dit betekent dat de ligging van de kuil bekend was toen men de muur bouwde of dat de kuil nog open lag. Het zelfs niet geheel uitgesloten dat de kuil nog heeft gefunctioneerd na de bouw van het huis.

Beerkuil met overkoepelende grondboog (spoor 194)

Beerkuil met overkoepelende grondboog (spoor 194)

Op het noordelijk deel van het terrein is een groot aantal kuilen aangetroffen, die deels gevuld waren met mest. Opvallend is dat de kuilen gegroepeerd zijn in rijen aan beide zijden van het huis en deels achter het huis. Het is duidelijk dat de kuilen uit meerdere fasen bestaan maar het is niet mogelijk kuilen aan een bepaalde fase van het huis te koppelen. De kuilen lijken, mede gezien hun ligging gelijktijdig met de huisplaats gefunctioneerd te hebben. De functie van de kuilen is niet duidelijk maar een (secundaire?) functie als afvalkuil ligt het meest voor de hand. Enkele kuilen bevatten mest en daarnaast aardewerk en botmateriaal. Het meeste materiaal is te dateren in de 14de eeuw.

Zuidelijk deel
Ook in het zuidelijke deel van het terrein waren meerdere vloerniveaus aanwezig. Door latere ingravingen en verstoringen waren deze niveaus echter moeilijk te volgen en waren ze niet in alle profielen herkenbaar. Opvallend is dat de niveaus over het algemeen lager liggen dan op het noordelijk deel van het terrein. Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat de natuurlijke ondergrond hier lager ligt. Het feit dat er een duidelijk niveauverschil tussen beide delen van het terrein herkenbaar is kan een aanwijzing zijn voor een opdeling in percelen in deze vroege periode. Duidelijke houtconstructies die bij eventuele huizen horen zijn hier niet aangetroffen.

Overzicht van de houtbouwfase op het zuiddeel van het terrein

Overzicht van de houtbouwfase op het zuiddeel van het terrein

Wel zijn de restanten van enkele bakstenen stookvloeren aangetroffen hetgeen erop wijst dat er sprake moet zijn geweest van meerdere elkaar opvolgende houten gebouwen, vermoedelijk woonhuizen. Dergelijke haarden lagen meestal centraal in het huis, in ieder geval niet langs de wand. De oudste haard (spoor 183) bestaat uit één laag bakstenen waarop een aslaag werd aangetroffen.18 De oorspronkelijke afmetingen van de haard zijn niet bekend; de restanten maten ongeveer 1,0 x 1,0 meter. Bij deze haard hoort een vloerniveau (spoor 477, 282) op 0,30-0,40 m -NAP. De aan deze haard te associëren vondsten dateren uit de periode 1300-1400. (vnr 173). Direct op het vorige vloerniveau lag een vloerniveau (spoor 470) met een tweede haardplaats (spoor 182). Ook deze haard bestond uit één laag bakstenen.19 De afmetingen bedroegen minimaal 0,88 m bij 0,70 m. Door dit vloerniveau snijdt een kuil (spoor 476/489) met materiaal uit het begin van de 14de eeuw. Het vloerniveau moet dus uit het eind van de 13de of begin 14de eeuw dateren.

Een volgende haardplaats ligt op ongeveer 0,00 m NAP (spoor 282). Het bijbehorende vloerniveau was in het profiel herkenbaar. Na deze vloer is het terrein wederom opgehoogd tot ongeveer 0,30 m +NAP. Ook hierbij hoort een haard (spoor 277). Beide jongste vloeren dateren uit de 14de eeuw. Ook op dit deel van het terrein bevinden zich veel kuilen.

Enkele mestkuilen (zoals spoor 437 505 507 en 508)

Enkele mestkuilen (zoals spoor 437, 505, 507 en 508)

Hier lijken de kuilen echter groter in omvang te zijn en strekken ze zich verder in westelijke richting uit. De meest kuilen liggen achter de houten bebouwing, dus duidelijk op het achterterrein. Net als op het noordelijk deel bestaan de kuilen uit meerdere fasen maar is het niet mogelijk de kuilen te koppelen aan bepaalde vloerniveaus. De functie van de kuilen is niet in alle gevallen duidelijk. Opvallend is dat ze groter in omvang zijn dan op het buurperceel. In een aantal gevallen gaat het duidelijk om mestkuilen. Enkele zijn zeer diep en lijken gezien de gelaagdheid geleidelijk dicht te zijn geraakt. Eén van de kuilen was gevuld met organisch materiaal, dat waarschijnlijk als diervoer geïnterpreteerd kan worden. Een andere kuil bevatte naast mest ook het complete skelet van een varken. Of de grootte van de kuilen gerelateerd kan worden aan de functie is niet duidelijk. Naast mest bevatte enkele kuilen veel vondstmateriaal.

Varkensskelet bovenin spoor 197 gezien naar het noorden

Varkensskelet bovenin spoor 197 gezien naar het noorden

Aanbrengen van de percelering
Hoewel er aanwijzingen zijn dat al ten tijde van de houten huizen sprake was van een indeling in percelen, worden beide terreindelen in ieder geval vanaf het eind van de 14de eeuw door middel van een diepe greppel van elkaar gescheiden. Deze greppel is aangetroffen op de grens tussen perceel 2 en 3, op de plaats waar tot in het begin van de 20ste eeuw een perceelsgrens heeft gelopen.
De smalle greppel (spoor 404) was oost-west gericht. De kanten waren beschoeid met smalle paaltjes met daartussen vlechtwerk (spoor 405). Mogelijk heeft tussen perceel 1 en 2 ook een dergelijke greppel gelopen, maar deze is niet opgegraven.

De stenen gebouwen op perceel 1
Vanaf het begin van de 15de eeuw, waarschijnlijk kort na het graven van de perceelsgreppel, worden op de drie percelen stenen huizen neergezet (zie tekening). Over de bebouwing van het meest noordelijke perceel (perceel 1) is niet veel bekend aangezien daarvan slechts een smalle strook is opgegraven.

Overzicht van de steenbouwfase op het noorddeel van het terrein

Overzicht van de steenbouwfase op het noorddeel van het terrein

Huis perceel 1
Van perceel 1 is maar een smalle strook opgegraven. Tussen perceel 1 en perceel 2 blijkt zich een steeg te bevinden met daarin diverse goten. De zuidelijke zijmuur van het pand op perceel 1, dat grens aan de steeg is onderzocht (spoor 33-34-134). Het gaat om de muur van een gebouw uit vermoedelijk de 15de eeuw. De muur is op funderingsniveau twee stenen dik. Spoor 34 is een verbreding van de muur aan de zijde van de steeg. Het kan gaan om een steunbeer maar het is ook mogelijk dat het een soort poer betreft. In het laatste geval zou het opgaande werk niet in baksteen maar in vakwerk zijn uitgevoerd. Hiervoor zijn verder geen duidelijke aanwijzingen. De zwaarte van de muur doet vermoeden dat het een volledig bakstenen gevel betreft. Het oudste bij dit huis horende maaiveld is niet duidelijk maar ligt in ieder geval hoger dan 1,00 m +NAP. In het huis hebben later enkele verbouwingen plaats gevonden maar hierover is gezien de geringe archeologische informatie weinig te zeggen. Duidelijk is dat er later in het pand een kelder is aangebracht waarvan de zuidmuur (spoor 31-32) deels in spoor 33-34 is ingehakt.

Steeg tussen perceel 1 en 2
Zoals reeds vermeld bevindt zich tussen beide percelen een steeg. Opvallend is dat ter plaatse van deze steeg een sprong zit in de rooilijn van de Krijtstraat. Het pand op perceel 1 loopt verder naar het oosten door dan dat op perceel 2. In de steeg liggen diverse goten. De oudste komt uit de richting van perceel 1 en mondt uit in een tonput (spoor 41), die in de steeg is ingegraven. De put bestaat uit twee op elkaar gestapelde tonnen van 94 cm hoog en een diameter van 60-75 cm. De hoepels bestaan uit wilgentenen. De onderste ton rust op een houten ring, bestaande uit vier segmenten, die met pennen en toognagels aan elkaar zijn bevestigd. De put heeft waarschijnlijk vanaf het begin als beerput gefunctioneerd. De vulling bestond uit beer met erg weinig vondstmateriaal.

Complex van goten in de steeg tussen perceel 1 en 2 gezien naar het westen

Complex van goten in de steeg tussen perceel 1 en 2 gezien naar het westen

Dit laatste is niet vreemd gezien het feit dat de toevoer geschiedde door middel van een goot. De bovenste lagen van de put waren, waarschijnlijk bij het buiten gebruik raken, gevuld met zand en puin. Hierin bevond zich wat materiaal dat in de (eerste helft van de) 17de eeuw te dateren is. De put lijkt dus ergens in de 17de eeuw gedept te zijn waarna een volgende goot is aangelegd, die vanaf het achterterrein in de richting van de straat afwaterde (spoor 35). Deze goot bestaat uit een bodem van baksteen, halfsteens wanden en bakstenen dekstenen. Ter plaatse van de gedempte waterput mondt er een zijgoot in uit uit de richting van perceel 1. De goot is op een gegeven moment, waarschijnlijk in de 18de of begin 19de eeuw vervangen door een derde goot (spoor 36-143). Deze bestaat uit een bodem van plavuizen en een halfsteens zijwand. De deksel is niet bewaard gebleven. De goot lijkt in de richting van het achterterrein af te wateren, maar dit is door verzakkingen niet geheel duidelijk.

De stenen gebouwen op perceel 2

Grote School (15de eeuw)
Op perceel 2 is in de loop van de 15de eeuw een groot stenen huis gebouwd. Het gaat om een gebouw van 16 a 17 m lang en 8,5 m breed. De voorgevel loopt iets schuin, met de rooilijn mee. Het is een zwaar uitgevoerd met muren van 50 cm dik (opgaand werk). De fundering versnijdt tot een breedte van 1 a 1,2 m.

Vlechtwerkput spoor 194 waar overheen bij de bouw van de Grote School een grondboog is gemetseld gezien naar het zuiden

Vlechtwerkput spoor 194 waar overheen bij de bouw van de Grote School een grondboog is gemetseld gezien naar het zuiden

Aan de zuidwestzijde in de fundering een grondboog opgenomen, ter overspanning van beerkuil spoor 194. Deze beerkuil moet kort voor de bouw van het huis zijn aangelegd en heeft daarna mogelijk nog enige tijd gefunctioneerd. De wanden van de kuil zijn bekleed met vlechtwerk. Het geheel heeft een maximale diameter van 2,40 m en een diepte van minimaal 1,00 m. De vulling bestaat uit beer met een geringe hoeveelheid aardewerk uit de eerste helft van de 15de eeuw. Van de oorspronkelijke vloer van het gebouw zijn door latere verstoringen geen duidelijke restanten teruggevonden. Gezien de hoogte van de bovenste versnijding moet deze vloer ongeveer op 1,30 m +NAP gelegen hebben. Op deze hoogte (tussen 1,25 m +NAP en 1,45 m +) zijn weliswaar enkele vloeren aangetroffen, maar die lijken gezien de steenformaten, niet uit de 15de eeuw te dateren. Door de latere verstoringen valt er over de indeling van het gebouw niets te zeggen. Zoals reeds vermeld grenst het huis aan de noordzijde aan de steeg. Aan de zuidzijde bevindt zich eveneens een open ruimte tussen dit en het buurperceel, dat ook als een soort steeg gefunctioneerd lijkt te hebben. Aan de straatzijde loopt parallel aan de voorgevel op ongeveer 1,5 m afstand een muur (spoor 355). De functie hiervan is niet duidelijk, maar het zou kunnen gaan om een tuinmuur. In dat geval heeft het betreffende gebouw geheel vrij gestaan op een groot perceel.

Latere verbouwingen (15de-18de eeuw)
In de 15de of 16de eeuw is achter het stenen gebouw een grote stenen ommuring neergezet (spoor 265, 278, 395,171 en 173). Aangezien grote delen verstoord of uitgebroken waren is de plattegrond niet goed te reconstrueren. Het lijkt te gaan om een ommuurde ruimte van ca. 12 m breed en minimaal 17 m lang. Ze sluit direct aan op het huis. Aangezien de ruimte erg groot is en er geen primaire binnenmuren zijn aangetroffen bestaat het vermoeden dat het hier gaat om een ommuurde binnenplaats of tuin. Opvallend zijn drie ronde funderingen van kolommen (spoor 272, 284 en 285) die op een afstand van ca 2,5 m van de buitenmuren zijn aangetroffen.

Kolom (spoor 284) van de galerij op het achterterrein van de Grote School gezien naar het oosten

Kolom (spoor 284) van de galerij op het achterterrein van de Grote School gezien naar het oosten

Ze bestaan deels uit bijgehakte secundair gebruikte bakstenen. Het lijkt te gaan om de kolommen van een galerij rond de binnenplaats De zuidmuur van de binnenplaats komt vermoedelijk overeen met de perceelgrens tussen perceel 2 en 3. Hier stond een tuinmuur waarvan een aanzet (spoor 162) is teruggevonden. Deze perceelsgrens loopt door tot aan de Krijtstraat. Er is daardoor een ruimte ontstaan tussen het 15de eeuwse stenen huis en het buurperceel. Het lijkt erop dat deze zone tegelijk met de bouw van de binnenplaats in de lengte in twee delen is opgesplitst. Hoe we ons dit moeten voorstellen is niet geheel duidelijk maar waarschijnlijk bevond zich tegen het buurperceel een lang smal gebouw.

Onder dit gebouw is een grote beerput aangelegd (spoor 39). De vondsten hieruit dateren tussen het begin van de 15de en het begin van de 17de eeuw met de nadruk op de tweede helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw. De beerput was een zogenaamde natte beerput. Dit betekent dat er permanent water in stond en de vullingen een soort prut vormde waarin alle zware voorwerpen naar de bodem zakten. Er is daardoor geen stratigrafie herkenbaar in de put.

Beerput (spoor 39) gezien naar het zuiden. Een restant van de stortkoker is bovenaan zichtbaar.

Beerput (spoor 39) gezien naar het zuiden. Een restant van de stortkoker is bovenaan zichtbaar.

De vondsten uit de put vormen echter een belangrijke bron voor de functie van het gebouw en zullen hieronder apart behandeld worden. In het langwerpige gebouw was dus waarschijnlijk onder meer de plee ondergebracht. Over de verdere indeling van het terrein zijn niet zoveel archeologisch aanwijzingen.

Tegen het eind van de 15de eeuw is er op dit perceel dus sprake van een groot hoofdgebouw aan de Krijtstraat met daarachter een grote binnenplaats met zuilengalerij. Deze binnenplaats is toegankelijk via een steeg ten zuiden van het hoofdgebouw. Aan deze steeg lag ook een plee, die loosde op een beerput onder de steeg.

Door verstoringen is er niet veel bekend over de latere fasen van het complex. Alleen ter plaats van de pleegebouwen zijn enkele latere fases herkend. In deze zone zijn in de loop van de 18de eeuw of begin 19de eeuw goten aangelegd, waarop een plee loosde. Deze bevond zich in de noordwesthoek van het bijgebouw en had een merkwaardige constructie. Op het uiteinde van de goot was een gietijzeren pan ingemetseld. Waarschijnlijk zat hierboven een toiletpot o.i.d. en functioneerde de pan als een soort primitief waterslot. Een tweetal vergelijkbare constructies bevond zich ook op perceel 3. Op de goot mondde nog een zijgoot uit vanaf perceel 3. Aangezien de grote beerput al buiten gebruik was loosden de goten waarschijnlijk op een riool onder de Krijtstraat.

Systeem van goten uit de 17de tot 19de eeuw op het zuiddeel van perceel 2 gezien naar het westen.

Systeem van goten uit de 17de tot 19de eeuw op het zuiddeel van perceel 2 gezien naar het westen.

Lagere school eind 19de eeuw
Aan het eind van de 19de eeuw werden alle oude gebouwen afgebroken en vervangen door een nieuw complex voor een lagere school. Deze bebouwing is samen met latere uitbreidingen en verbouwingen onlangs gesloopt. Bij de bouw van de 19de eeuwse school heeft men geen gebruik gemaakt van de oude fundamenten. Wel komt het bouwvolume ongeveer overeen met de oude gebouwen. De funderingen zijn erg diep aangelegd en hebben een brede insteek. Hierdoor zijn veel oude funderingen grotendeels verdwenen.

De stenen gebouwen op perceel 3

Steenbouwfase 1 (eind 14de eeuw)
Na de houtbouwfase vindt aan het eind van de 14de eeuw wederom een ophoging plaats tot ongeveer 0,40 m +NAP. Vervolgens wordt er een stenen huis gebouwd waarvan alleen de noordwest hoek is teruggevonden (spoor 139, 279). Het gaat om een fundering met versnijdingen. Het opgaande werk is steens dik. Ten gevolge van verstoringen door latere gebouwen op dit perceel is er van de rest van het pand niets bewaard gebleven en is het dus niet duidelijk wat de afmetingen waren van het gebouw.

Overzicht van de steenbouwfase op het zuiddeel van het terrein.

Overzicht van de steenbouwfase op het zuiddeel van het terrein.

De voorgevel lag vermoedelijk op dezelfde plaats als de huidige rooilijn. In dat geval was het pand ruim 10 m diep. Er is een vloerniveau aangetroffen op ongeveer 0,40 m +NAP, dat bij dezelfde fase hoort (spoor 448). Dit niveau is plaatselijk ingebrand. Het ligt echter buiten het stenen gebouw en het is mogelijk dat er achter het stenen gebouw nog een houten deel aanwezig is geweest. Hiervan zijn echter geen sporen terug gevonden. Op 3,6 m ten westen van (achter) het stenen gebouw bevond zich een noord-zuid lopende (naar het zuiden afwaterende) goot (spoor 140). Het is niet duidelijk waar vandaan deze goot liep maar de aanwezigheid van een dergelijke ondergrondse infrastructuur kan erop wijzen dat het terrein intensief gebruikt of geheel bebouwd was.

Steenbouwfase 2 (‘Huis van Arkel’) ca 1400
Waarschijnlijk rond 1400 AD werd op perceel 3 een groot huis gebouwd (zie tekening). Het gaat om een breed en relatief ondiep gebouw aan de Krijtstraat van 15 m bij 7,5 m. Door de aanwezigheid van een hoogspanningsgebouwtje kon de noordgevel niet worden opgegraven. Het huis was zeer zwaar gefundeerd. De onderzijde van de fundering was plaatselijk ruim 1,7 m breed en rustte op lagen liggende elzenhouten balken, die kruislings geplaatst waren.

 Fundering met de onderliggende elzenhouten balken

Fundering met de onderliggende elzenhouten balken

De fundering ging door middel van een groot aantal versnijdingen over in opgaand werk van ca 0,60 m (2 stenen) breed.22 In de zuidoost hoek kon worden vastgesteld dat er bij de bouw in fases is gewerkt. De zuidgevel is eerder gebouwd dan de westgevel, waarbij in de zuidgevel reeds een aanzet voor de westgevel is gemetseld in de vorm van een staande tand. In het gebouw was vermoedelijk oorspronkelijk een kelder aangebracht. Het vloerniveau hiervan lag op ongeveer 0,05 – 0,15 m + NAP. De vloer bestond uit bakstenen, gelegd in keperverband (spoor 138).

De vloer gelegd in keperverband (spoor 138).

De vloer gelegd in keperverband (spoor 138).

Baksteenformaat 28,2/29,7 x 13,5/14,3 x 6,2/6,8. In de westmuur is een primaire uitsparing aangetroffen waarin vermoedelijk een verticale balk heeft gezeten. Het gaat hier dan om een muurstijl van de houten zoldering van de kelder. Er was dus geen gewelf aanwezig. Het lijkt erop dat de kelder niet over de totale breedte van het pand aanwezig was. In het noordelijk deel is namelijk geen kelder aangetroffen. Hier lag op 0,90 m +NAP eveneens een bakstenen vloer in keperverband (spoor 88). Deze vloer lijkt qua uiterlijk als qua steenformaat zoveel op de keldervloer dat ze ongeveer gelijktijdig moet zijn. In dat geval besloeg de kelder ongeveer 1/3 van het huis. De keldermuur uit deze fase is niet aangetroffen maar lag vermoedelijk ongeveer op dezelfde plaats als in de volgende fase. Gezien de relatief ondiepe kelder moet het bijbehorende deel van de begane grond boven het straat niveau hebben uitgestoken. Daardoor ontstond een opkamer of wellicht een soort bel-etage. Vermoedelijk in dezelfde periode als het hoofdgebouw aan de straat is op het achterterrein een beerput aangelegd (spoor 190-191-135). De vulling hiervan was door latere wijzigingen niet meer aanwezig.

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 64) van de gang achter het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 64) van de gang achter het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Verbouwingen 15de-17de eeuw
Tussen het hoofdgebouw aan de straat en de beerput werd in de 15de eeuw een verbindingsvleugel of gang aangebracht. De noordmuur hiervan (spoor 64) is opgegraven. Aan de binnenzijde bevonden zich penanten, die vermoedelijk samen hangen met een stenen gewelf. De zuidmuur van de gang is niet opgegraven maar bevond zich vermoedelijk in dezelfde lijn als de zuidmuur van het hoofdgebouw en de beerput. De vloer in de gang lag op ca. 0,5-0,6 m +NAP en was oorspronkelijk van leem. Zoals gezegd lag achter de gang een beerput. Het is waarschijnlijk dat de gang onder meer toegang gaf tot een plee ruimte boven de beerput. Bij de bouw van de gang is de beerput verbouwd (spoor 203). Uit de vulling van deze put komt vondstmateriaal uit de tweede helft van de 16de eeuw en mogelijk nog begin 17de eeuw.

Beerput (spoor 203) na het leegmaken gezien naar het zuiden.

Beerput (spoor 203) na het leegmaken gezien naar het zuiden.

In de loop van de 16de eeuw is de vloer van de kelder in het hoofdgebouw opgehoogd tot 0,50-0,60 m +NAP. Tegelijkertijd is een binnenmuur (spoor 90) aangebracht, die de kelder van de rest van het pand scheidde. Deze muur lag op dezelfde plaats als de zijmuur van de eerdere fase van de kelder. De nieuw vloer was oorspronkelijk van leem maar werd snel vervangen door een plavuizenvloer. In de zuidoosthoek van de kelder is bij die gelegenheid een tonputje aangelegd (spoor 44). De vulling bevatte echter ook een hoeveelheid beerachtig materiaal en scherven uit het midden van de 17de eeuw (vondstnummer 58). Hoewel de vulling een functie als beerput suggereert is ze daarvoor erg klein. Een schrobputje voor de keldervloer ligt meer voor de hand. Voor de aanleg van de put is een deel van de versnijdingen van de fundering weggebroken. Gezien de hoogte van de vloer is het niet duidelijk of er in deze periode nog sprake was van een kelder of dat de vloer gelijk met het straatpeil lag. De bijbehorende vloeren in de gang achter het huis liggen in ieder geval ongeveer op dezelfde hoogte. Vanuit het hoofdgebouw was de gang toegankelijk door middel van een deur, die secundair in de westgevel was aangebracht (spoor 200) Ten noorden van de gang lag een open terrein en een tweede aanbouw achter de hoofdvleugel (spoor 238, 269). Deze aanbouw was ongeveer vierkant: 5,5 x 5,5 m.

Bij de bouw hiervan (spoor 269) werd door middel van een grondboog en een balkenconstructie rekening gehouden met een reeds bestaande bak met vlechtwerk beschoeiing (spoor 214). De situatie is vergelijkbaar met de bouw van het noordelijke buurpand. Ook hier heeft de vlechtwerkbak tot kort voor de bouw als beerput gediend. De diameter bedroeg maximaal 1,80 m en de diepte was ca. 1,30 m onder de onderkant van de fundering. De inhoud bestond uit beer en een relatief geringe hoeveelheid aardewerk uit de tweede helft van de 15de eeuw. Er zijn geen aanwijzingen dat de bak na het bouwen van de muur nog gefunctioneerd heeft. Het vloerniveau in de betreffende uitbouw is niet bewaard gebleven maar lag vermoedelijk op ca. 1,20 m +. Van een eventuele binnen indeling was niets meer bewaard gebleven.

Ronde constructie (spoor 50) achter het Huis van Arkel gezien naar het oosten.

Ronde constructie (spoor 50) achter het Huis van Arkel gezien naar het oosten.

In een volgende fase, waarschijnlijk in de tweede helft van de 16de eeuw is halverwege de gang en de aanbouw een ronde gemetselde constructie gebouwd met een diameter van ongeveer 2,50 m (spoor 50). Het gaat om een massieve bakstenen fundering van enkele lagen dik, die koud tegen de achtergevel aan is gemetseld. De constructie is niet erg diep gefundeerd, maar wel massief. De functie is voorlopig niet bekend. Aanvankelijk werd gedacht aan een traptoren maar de ondiepe fundering lijkt hiervoor wat te licht. Mogelijk was er alleen een trap nodig om slechts één niveau te overbruggen, maar hiervan zijn geen parallellen bekend. Een functie als oven is gezien de constructie, ligging en het ontbreken van brandsporen ook niet waarschijnlijk.

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 48) van het Huis van Arkel

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 48) van het Huis van Arkel

De ruimte tussen de ronde fundering en de gang is tegelijkertijd voorzien van een muur, waardoor een dwarsgang ontstond (spoor 49). Daarbij is in de oude gangmuur (spoor 64) een doorgang gemaakt (spoor 192). Het vloerniveau in deze gang lag op ongeveer 1,00 m +NAP. In de achtergevel van de hoofdvleugel bevond zich eveneens een doorgang. De vloer in de dwarsgang lag echter ongeveer 40 cm hoger dan in de hoofdvleugel en daarom is in de hoofdvleugel een klein trappetje aangelegd van twee treden (spoor 136). De treden waren voorzien van een rollaag. Aan de zijkanten van de treden was een bijzondere constructie herkenbaar. Om de rollaag bij elkaar te houden was in de trede een soort ijzeren kram aangebracht, die aan de zijkant was omgebogen. Deze kram voorkwam dat de stenen van de rollaag los zouden raken.

Trapje (spoor 136) naar de kelder voorzien van rollagen en verstevigd met ijzeren krammen gezien naar het zuiden.

Trapje (spoor 136) naar de kelder voorzien van rollagen en verstevigd met ijzeren krammen gezien naar het zuiden.

Tussen de ronde fundering en de vierkante aanbouw bevond zich een beerkelder (spoor 270). De vulling van deze kelder dateert uit het eind van de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw en bevatte zeer rijk vondstmateriaal. Het gaat om een grote hoeveelheid glas waaronder veel ‘façon de Venise’ fluitglazen, roemers, ijsglas en kometenbekers. Opvallend is de geringe hoeveelheid aardewerk en de aanwezigheid van enkele houten teljoren. Een vluchtige analyse van het complex lijkt erop te duiden dat voornamelijk tafelgerei in de put terecht is gekomen. Dit kan erop duiden dat in de nabijheid van de put een representatieve ruimte lag, zoals de grote zaal in de hoofdvleugel en dat keuken elders in het complex was onder gebracht. Op het eind van de gang, tegen de achtergevel van de hoofdvleugel werd eveneens een ronde fundering aangebracht (spoor 52), die wel wat lijkt op de hierboven beschreven ronde fundering verder naar het noorden. Hier gaat het mogelijk om de fundering van een kleine trap om een gering hoogteverschil te overbruggen. Vanuit de gang werden in deze fase enkele doorgangen naar het achterterrein gemaakt.

Er zijn aanwijzingen dat het oostelijk deel van het achterterrein van de rest was afgescheiden. Het kan zijn dat dit is gebeurd door een enkele muur (spoor 268) maar wellicht is er sprake van een gang, die tot aan de noordelijke tuinmuur heeft gelopen. De bijbehorende muur (spoor 161) dateert uit de 17de eeuw, maar door latere verstoringen kon niet worden vastgesteld of alle muren, die de gang vormden gelijktijdig waren en doorlopen tot aan de oudere achtervleugel.28 Het achterterrein was door middel van een tuinmuur van het noordelijke buurpand afgescheiden. Het gaat hier om een 17de eeuwse muur, die de opvolger is van oudere tuinmuren en een perceelgreppel. Deze perceelgrens is tot in de 19de eeuw gehandhaafd gebleven. Voor zover vastgesteld kon worden was in westelijke richting geen bebouwing meer aanwezig tot aan de Struisvogelstraat. Er is dus sprake van een grote tuin tot aan de Struisvogelstraat.

Door latere graafactiviteiten zijn de meeste vloeren e.d. uit de 17de en 18de eeuw verstoord. Duidelijk is dat de vloer in het hoofdgebouw nog een derde maal is opgehoogd tot een niveau van ongeveer 0,90-1,10 m +NAP. Daarmee lagen de vloeren in zowel het hoofdgebouw als de achtervleugels gelijk. Er lijkt dan geen sprake meer te zijn van een kelder. De bebouwing bestaande uit een hoofdvleugel aan de straat met twee achtervleugels is tot in de 19de eeuw bewaard is gebleven.

Complex gotensysteem

Complex gotensysteem

In de 17de eeuw wordt op het achterterrein een nieuwe beerput aangelegd (spoor 236). Een complex gotensysteem waterde hierop af. Er is ook een stukje vloer of bestrating aangetroffen dat mogelijk behoort heeft tot een bijgebouw, pleegebouw? Opvallend is dat de goten deels bedekt waren met bakstenen maar deels ook bestonden uit open molgoten. Uit put 236 (vondstnummer 319 en 328) komt relatief weinig maar wel erg bijzonder vondstmateriaal. De datering ligt in de periode ca. 1600-1675. Op het oostelijke deel van het achterterrein is in de 17de eeuw een waterput aangelegd (spoor 95). De put was erg diep; de onderkant is niet bereikt maar lag dieper dan 3,40 m -NAP. Het onderste deel bestond uit één of mogelijk twee gestapelde tonnen. Hierop lag een karrenwiel, waarvan de spaken verwijderd waren. Dit vormde op zijn beurt de fundering voor een bakstenen putring. Uit de vulling kwam helaas geen goed dateerbaar vondstmateriaal maar de aanwezigheid van ijsselstenen duiden op een demping na de 16de eeuw.

Waterkelder (spoor 65) achter de opvolger van het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Waterkelder (spoor 65) achter de opvolger van het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Steenbouwfase 3 (midden 19de eeuw)
In de loop van de 19de eeuw is het complex opgedeeld in twee percelen, waarbij grote delen zijn gesloopt of ingrijpend verbouwd. Het zuidelijke pand was ongeveer 12 meter diep en 7,5 m breed. Het leek qua opzet sterk op dat van het nog bestaande zuidelijke buurpand. In het voorhuis bevond zich een diepe kelder. Op het achterterrein lag een smalle aanbouw, waarin vermoedelijk de keuken was ondergebracht. Er zijn hier ook resten aangetroffen van een kolenhok en een plee. Opvallend was dat bij de plee een constructie was toegepast, die vergelijkbaar was met die van het buurpand. Een ingemetselde gietijzeren pot op het einde van een afvoergoot diende vermoedelijk als een soort waterslot. Een complex van goten en zorgde voor de afvoer van rioolwater. Aanvankelijk liepen de goten vermoedelijk in zuidelijke richting naar een beerput? op het zuidelijke perceel. Later is het gotensysteem verlegd, waarna het naar een riool onder de Krijtstraat afwaterde. Onder de achter aanbouw bevond zich ook een grote waterkelder, waarin regenwater opgevangen kon worden.

Molensteen (spoor 47) als deksel voor een waterput gezien naar het noordoosten.

Molensteen (spoor 47) als deksel voor een waterput gezien naar het noordoosten.

De wanden en bodem hiervan waren door het gebruik van zeer harde specie en meerdere lagen hard gebakken bakstenen en plavuizen waterdicht gemaakt. Op het achterterrein lag ook een waterput waarop een pomp aangesloten had gezeten. De put was afgedekt door middel van een hergebruikte molensteen. Opvallend was een huismerk dat op deze steen was aangebracht waarin de initialen ‘AVB’ gelezen kunnen worden. De put stond tijdens het onderzoek nog vol water en was zeer diep (minimaal 8 m!). De gebouwen waarbij deze constructies hoorden zijn kort voor de aanvang van de opgraving afgebroken.

Vondstcomplexen en losse vondsten
Tijdens het onderzoek is een grote hoeveelheid vondstmateriaal geborgen. Dit is deels afkomstig uit ophogingslagen en latere verstoringen, deels uit gesloten vondstcomplexen als kuilen en beerputten. Met name uit de dieper gelegen vondstcomplexen komt ook een grote hoeveelheid organisch materiaal van hout en leer. Het is hier niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van het vondstmateriaal. Afgezien van de meeste beerputten, is alle aardewerk bekeken en gedetermineerd door G. van den Berg. De overige vondstcategorieën zijn aan een quickscan onderworpen en gedetermineerd door R. van Genabeek, voor zover ze beschikbaar en herkenbaar waren. Hieronder zullen enkele grotere of opvallende vondstcomplexen beschreven worden en zal het overige vondstmateriaal thematisch worden behandeld.

Mestkuilen uit de 14de eeuw
In de 14de eeuw verspreid over het terrein een groot aantal kuilen gegraven. Hierin werd, naast dierlijke (?) mest ook ander afval gedeponeerd. Gezien de gefragmenteerdheid van het materiaal gaat het hier niet om een primaire afvaldump maar eerder om verzameld en gedeponeerd zwerfvuil. Door de humeuze vulling zijn met name metaalvondsten in de kuilen goed geconserveerd. Opvallend is dat relatief veel ijzeren gereedschap in de kuilen terecht is gekomen. De meeste vondsten komen uit kuilen op het zuidelijke deel. Met name spoor 196, 455, 503 en 507 leverde een groot aantal vondsten op. Het vondstmateriaal is te dateren in de periode ca. 1300-1425.

Dolk, ijzer deels vertind, 14de eeuw

Dolk, ijzer met vertinde pareerstang, 14de eeuw

Spoor 196 is een grote ronde kuil gevuld met mest. De vulling is in fasen tot stand gekomen. Opvallende vondsten zijn onder andere een grote dolk, een drietal hoefijzers een houten schopsteel en een troffel. De dolk is een fraai exemplaar met pareerstang en resten van een houten gevest. Een vergelijkbare dolk is in Leiden gevonden en dateert uit de 14de eeuw. (Suurmond van Leeuwen 1980 p.30) Zowel de dolk als de hoefijzers kunnen een aanwijzing zijn dat het terrein geen zuiver agrarische functie had maar gerelateerd was aan het Huis van Arkel.

Spoor 197 is een kleine kuil vlak bij spoor 196. De vulling bestond grotendeels uit mest, maar bovenin lag het complete skelet van een varken. Spoor 455 is een grote vierkante mestkuil met meerdere vullingslagen. Opvallende vondsten zijn een trechterbeker, loodstrips van glas-in-loodramen, een belletje, enkele gespen en een zilveren ring. De trechterbeker (type S1-tre-2) is afkomstig uit Siegburg en versierd met een vijftal appliques in de vorm van een gezicht. Het zijn een soort miniatuur baardmanmaskers. De beker is te dateren aan het eind van de 14de of begin 15de eeuw. De loodstrips zijn een aanwijzing voor glazen vensters in de toen nog houten gebouwen. De zilveren ring heeft een gladde buitenzijde waarin enkele (fantasie?) letters en een ster gegraveerd zijn.

Fragment maliënkolder of handschoen

Fragment maliënkolder of maliënhandschoen

Spoor 503 is een zeer grote mestkuil en ligt verder van de Krijtstraat af dan de vorige kuilen. Gezien het vondstmateriaal heeft deze kuil nog tot in de 15de eeuw gefunctioneerd. Opvallende vondsten zijn een fraai versierde leren messchede, een slot van waarschijnlijk een kist, een ijzeren kaarsenhouder en een vijftal speldjes van een tin/loodlegering. De messchede is versierd met een ingesneden plantaardig motief. Onder de speldjes bevindt zich een zogenaamde buste-insigne en een muntspeld.

Spoor 507 is een volgende grote mestkuil, nog iets verder van de Krijtstraat verwijderd. Opvallende vondsten zijn een snorrebot, een versierde messchede en een fragment van een lepelboor. De messchede is voorzien van messing beslag en versierd met een gestempeld ruitpatroon. De datering ligt ook hier in de 14de of begin 15de eeuw.

Zwaardpommel, messing, 1275-1450

Zwaardpommel, messing, 1275-1450

Spoor 508 ligt nog verder naar het westen. In dit deel van de opgraving sluiten de de mestkuilen vrijwel op elkaar aan. Uit deze kuil komt relatief weinig aardewerk. De meest bijzondere vondst is een zogenaamde zwaardpommel: een ronde beëindiging van een zwaardgevest. Het gaat om een type dat in Engeland ‘wheel-pommer’ wordt genoemd. Dit type is gangbaar tussen ongeveer 1275 en 1450 (Londen Museum Medieval Catalogue 1940 p.21-38).

Beerkuilen
Naast de kuilen voor dierlijke mest lagen op het terrein aan het eind van de 14de of begin 15de eeuw enkele kuilen, die gevuld waren met menselijke mest (spoor 194 en 214). Beide kuilen hadden wanden, die waren afgezet met vlechtwerk. Dit wijst er mogelijk op dat ze gedurende lange tijd open hebben gelegen. Vermoedelijk heeft er boven de kuilen een constructie gestaan, waarin de plee was ondergebracht. De kuilen bevatte relatief weinig aardewerk, waarbij het lijkt te gaan om secundair in de kuil geworpen afval. Gezien de vondsten hebben beide kuilen nog in de 15de eeuw gefunctioneerd.

Beerputten
Met het verschijnen van de steenbouw in het begin van de 15de eeuw worden ook de eerste stenen beerputten aangelegd. De oudste beerput, die hoorde bij de oudste fase van het huis van de heren van Arkel was door latere verbouwingen geheel geleegd. Tijdens de opgraving is een vijftal beerputten onderzocht: één op het terrein van de (Latijnse) School (spoor 39) en vier op het terrein van de Arkels (spoor 203, 270, 236 en 482). Spoor 482 bevatte geen vondstmateriaal.

Verreweg het grootste vondstcomplex betreft een grote ronde beerput naast de Latijnse School (spoor 39). Naast een grote hoeveelheid aardewerk leverde deze put ook tal van vondsten op van hout, metaal, leer, textiel en andere materialen. De put was een zogenaamde natte put waarbij de inhoud permanent onder water stond. Zware voorwerpen, die in de put terecht kwamen zonken door de prut naar de bodem, terwijl lichte voorwerpen zoals hout en zaden bleven drijven. Hierdoor is in de put geen stratigrafie aanwezig die samenhangt met verschillende gebruiksfases van de put. Op grond van de inhoud kan de put gedateerd worden tussen 1500 en kort na 1600. Acht aardewerken voorwerpen dateren van vóór 1500, terwijl 164 stuks aardewerk uit de periode 1500-1625 dateren. De oudste voorwerpen zijn vermoedelijk dan ook als stukken te betitelen, die toen ze in de beerput terecht kwamen reeds lang in omloop waren.

Kelkglas

Van het aardewerk kon ongeveer 80% aan een bepaalde functiecategorie worden toegeschreven. Het overgrote deel hangt samen met voedselconsumptie, -bereiding of -opslag (68% van de determineerbare exemplaren). Het eetgerei maakt geen bijzonder rijke indruk en bestaat voornamelijk uit kommen en enkele borden. Opvallend is dat de helft van de borden van majolica is, daterend uit de tweede helft van de 16de eeuw. Daarnaast is ook een tinnen lepel gevonden. Het drinkgerei bestaat onder meer uit kannen van steengoed met zoutglazuur. Deze zijn veelal versierd met appliques in de vorm van baardmannen of andere renaissance-achtige versieringen.

Tonvormige beker mogelijk afkomstig uit het Wesergebied, gedateerd 1595

Tonvormige beker mogelijk afkomstig uit het Wesergebied, gedateerd 1595

Opvallend is een ton-vormige beker versierd met appliques in de vorm van wapenschilden en een rozet. Het stuk is gedateerd (15)95. Het baksel is wit van kleur en zachter dan steengoed. De vorm doet sterk denken aan steengoed uit Duingen. Waarschijnlijk moeten we de herkomst ergens in het Wesergebied zoeken. Naast drinkgerei van steengoed komt ook glaswerk voor, onder andere een kelkglas met een vergulde stam in de vorm leeuwenmaskers.

Een ander weinig voorkomend stuk tafelgerei is een majolica zoutvat in de vorm van een klein schaaltje. Het vaatwerk dat met het bereiden en koken van voedsel te maken heeft bestaat voor het grootste deel uit grapen van rood aardewerk. Opvallend is dat tegenover minimaal 32 grapen, slechts één bakpan staat, die bovendien te beschouwen is als een antiek stuk dat later in de put terecht is gekomen. Naast aardewerken kookpotten is ook een koperen pan in de put aangetroffen. In de beerput zijn 23 pispotten aangetroffen, zowel van rood als van witbakkend aardewerk. Het gaat hierbij om 17% van het aardewerken vaatwerk, hetgeen relatief veel is. 7% van het aardewerk kan bij de functiecategorie ‘verwarming’ worden ingedeeld en 5% in de categorie ‘medicinaal’. In het laatste geval gaat het om zalfpotten waaronder één albarello van majolica. Wanneer we de samenstelling van het aardewerkcomplex uit de beerput vergelijken met andere vondstcomplexen dan lijkt er sprake te zijn van een ‘gemiddelde’ beerput van de middenklasse. Alleen bij het tafelgerei zijn enkele afwijkende, wat luxere, voorwerpen aanwezig en het percentage pispotten ligt vrij hoog. Vergelijk het overzicht van Carmiggelt (1993).

Speeltol

Speeltol

Als we echter de andere materiaalcategorieën bij de vergelijking betrekken blijkt het beeld totaal anders te worden. Veel voorwerpen zijn te associëren met de Grote School en, vanaf ca. 1600, de Latijnse School die op het terrein heeft gestaan. Het gaat enerzijds om speelgoed, dat heeft toebehoord aan de leerlingen, anderzijds om voorwerpen die met de school zelf te maken hebben.

Onder het speelgoed bevinden zich vier houten tolletjes, vijf houten ballen, een dobbelsteen, speelschijfjes gemaakt uit scherven, knikkers, een blaaspijp en een miniatuur grape. De blaaspijp bestaat uit een holle stok, waarschijnlijk vlierhout, waaruit de kern is verwijderd. Het uiteinde is bijgesneden.

Stukje beschreven perkament

Stukje beschreven perkament

Vergelijkbare voorwerpen zijn ook aangetroffen in de beerput van de Latijnse School in Groningen (zie Willemsen 1998. p.64). Enkele griffels, stukjes krijt, fragmenten beschreven perkament, een boekband, een plak en een roe zijn voorwerpen die direct in verband gebracht kunnen worden met de school. Bijzonder is de vroege datering van het gebruik van griffels en krijt. De plak is een voorwerp dat vrijwel altijd aan een school gekoppeld wordt. Hij bestaat uit een platte houten schijf met een lange steel en werd gebruikt om mee te straffen.

Houten plak

Houten plak

Er zijn exemplaren bekend uit de beerput van de Latijnse School in Groningen (Helfrich, Benders en Casparie 1995, p. 84-85) en bijvoorbeeld uit Haarlem (Greevenbroek 1980, p.120) en Oldenzaal (Ostkamp 2003, p. 85). Een bundel twijgen moeten we wellicht als roe betitelen hoewel het ook om een (kleine) bezem kan gaan.

Uit de put komt ook een deel van een boekbandje. Het gaat om een houten plankje van 6,4 bij 10,0 cm, dat oorspronkelijk bekleed is geweest met leer, waarvan nog restjes herkenbaar zijn. Aan de buikzijde bevinden zich twee bronzen slotjes. Aan de rugzijde zijn drie gaatjes aangebracht waardoor de riempjes werden gehaald, waarmee het boek gebonden werd.

Houten plat van een boekbandje

Houten plat van een boekbandje met messing beslag en resten leder

We kunnen dus constateren dat de functie van het gebouw waarbij de beerput hoort, namelijk school, niet aan het aardewerkspectrum af te lezen is maar wel duidelijk aan de andere vondstcategorieën. Mogelijk dat het relatief grote aantal pispotten met de school in verband gebracht kan worden. De bovenmeester, die bij of in de school woonde, had namelijk verschillende scholieren in de kost en deze hadden wellicht allemaal een eigen pispot. Of we de rijkere vondsten uit de put aan het huishouden van de bovenmeester kunnen verbinden is niet duidelijk.
Op het perceel van het huis van de heren van Arkel is een drietal beerput inhouden geborgen.

Vrijwilligers druk met het zeven van beerputinhoud

Vrijwilligers druk met het zeven van beerputinhoud

De oudste put, waarvan de vulling bewaard was, betreft spoor 203. Het is een rechthoekige stenen beerkelder achter de aanbouw achter het grote huis aan de Krijtstraat. De vulling is te dateren in de periode 1500-1625. Er is nog geen duidelijk zicht op de verhouding tussen de verschillende functiecategorieën in de put. Enkele voorwerpen zijn wel duidelijk aan een hogere status te verbinden. Zo zijn er fragmenten aangetroffen van een majolica-bord uit Montelupo in Italië uit de periode 1500-1550 (vergelijk Hurst e.a. 1986, p. 12-17). Een (olie?)-kannetje van witte faience dateert uit het begin van de 17de eeuw. De herkomst is niet duidelijk.

Kopje steengoed Aken

Kopje van witbakkend aardewerk met loodglazuur, vermoedelijk uit Aken

Enkele andere opmerkelijke vondsten zijn een hoofdje van een beeldje(?) vermoedelijk afkomstig uit Aken (Vergelijk Hurst e.a., p. 237 nr. 356) en een stuk leisteen waarin de gevel van een huis is ingekrast. Het gaat hierbij om een schets van een trapgevel met boven de onderpui een luifel. De verhoudingen van de gevel zijn zodanig dat het hier niet lijkt te gaan om de gevel van het opgegraven huis.

Leisteen met ingekraste tekening van een geve

Leisteen met ingekraste tekening van een trapgevel met een luifel

Direct achter de grote vleugel aan de Krijtstraat bevond zich een rechthoekige beerput (spoor 270). De vulling hiervan kan voorlopig gedateerd worden in de periode 1575-1650. Deze datering is voornamelijk gebaseerd op het rijke glaswerk uit de put. Naast de grote hoeveelheid glas komt uit de put relatief weinig aardewerk. Het glaswerk bestaat voornamelijk uit glas à la façon de Venise. Het gaat daarbij onder andere om vleugelglazen, fluitglazen, ijsbekers en kometenbekers. Daarnaast komen ook roemers voor, deels op een hoge voet. Gezien de oververtegenwoordiging van tafelgerei lijken we hier te maken te hebben met de beerput in de buurt van een representatieve ruimte zoals de grote zaal. De geringe hoeveelheid aardewerk kan hiermee verband houden aangezien veel eetgerei van metaal geweest zal zijn. Overigens is de aanwezigheid van verschillende houten teljoren in dit kader merkwaardig

Glazen beker versierd met ondermeer bladgoud

Glazen beker versierd glasdraden en vergulde braamknoppen, 1675-1725

Op het achterterrein van het Arkel-complex is aan het begin van de 17de eeuw een grote vierkante beerput aangelegd. In de vulling hiervan, die de gehele 17de eeuw beslaat, zijn enkele bijzondere voorwerpen aangetroffen, het gaat onder meer om een beker op hoge voet van witbakkend aardewerk. De buitenzijde is deels bestrooid met steengruis en overdekt met een bruin glazuur. In de Engelstalige literatuur staat dit aardewerk bekend als ‘encrusted ware’. Volgens Hurst werd het in verschillende productiecentra in Duitsland vervaardigd, waaronder Keulen. (Hurst e.a. 1986, p. 237-240). De vorm van het Gorinchemse exemplaar wijkt af van die uit Keulen, waardoor een productiecentrum elders in Duitsland niet is uitgesloten.

Tonvormige beker, tinglazuur, afkomstig uit het Wesergebied

Tonvormige beker, majolica, afkomstig uit het Wesergebied

Een ander bijzonder stuk betreft een kleine tonvormige beker van majolica. De vorm komt overeen met vaatwerk dat onder meer in het Wesergebied wordt vervaardigd (Vergelijk Hurst e.a. 1986, p. 256 nr. 380). De beker is echter voorzien van tinglazuur en een blauw plantmotief. Het stuk behoort dan ook tot de majolicaproducten uit het Wesergebied waarvan in Nederland nauwelijks voorbeelden bekend zijn. Een heel ander beeld dan deze rijke vondsten geeft een complete grape van rood aardewerk (type r-gra-8) uit het eind van de 16de of begin 17de eeuw. Het gaat om een iets ingezakt exemplaar, dat vermoedelijk als tweede keus is verkocht (det. G.v.d.Berg) Andere bijzondere vondsten zijn van metaal en betreffen een ruiterspoor, een haarnetje en een ring. Het haarnetje is gemaakt van in elkaar gevlochten en spiraalsgewijs opgewonden dun koperdraad.

Haarnetje, gewonden koperdraad, laat 16de eeuw

De ring is van goud en aan de buitenzijde versierd met een jachtscène in reliëf. De diepe delen zijn ingevuld met blauwe email. De scène bestaat uit een hert, een hond? een konijn en een huisje. Aan de binnenzijde van de ring is de tekst ‘TOUSIOURS LA MESME’ gegraveerd en de initialen ‘HLS’. De ring dateert uit het eind van de 16de of begin 17de eeuw. De vondsten uit de put kunnen dus een aanwijzing zijn voor een huishouden met hoge sociale status. Helaas is het niet mogelijk een naam aan de gebruikers te verbinden.

Ring versierd met jachttaferelen, goud

Ring versierd met jachttaferelen, goud ingevuld met blauwe email

Overig vondstmateriaal
Naast de vondsten uit de eerder beschreven vondstcomplexen komt veel vondstmateriaal uit andere sporen, ophogingslagen en verstoringen. Afgezien van de datering van deze structuren kunnen de vondsten ook iets zeggen over het gebruik van het opgravingsterrein en sociale en economische aspecten van de bewoners. Hieronder zullen de meest opvallende vondsten thematisch worden behandeld.

Bouwmateriaal en huisraad
Tijdens het onderzoek is, afgezien van de funderingen en vloeren, relatief weinig bouwmateriaal gevonden. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat op veel plaatsen de jongste vloerniveaus waren verdwenen en het meeste puin na de sloop is afgevoerd. We kunnen daarom maar weinig zeggen over het uiterlijk van de gebouwen en hun aankleding. Uit de houtbouwfase is slechts een beperkte hoeveelheid bouwmateriaal aangetroffen. Uit de mestkuilen komen enkele daktegels, hetgeen een aanwijzing zou kunnen zijn voor met tegels bedekte daken. Uit de kuilen komen ook enkele loodstrips van glas-in-loodramen die in de houten huizen aanwezig geweest moeten zijn. Uit de tijd van de Latijnse School en het huis van Arkel zijn meer bouwfragmenten afkomstig. Een bijzonder fragment betreft een rijk bewerkt stuk (Bentheimer?) zandsteen met motieven uit de vroege renaissance.

Bewerkt zandsteen

Bewerkt zandstenen deuromlijsting (?), 16de eeuw

Het was hergebruikt als latei voor een stortkoker. Waarschijnlijk heeft het onderdeel uitgemaakt van een venster- of deuromlijsting. Uit de beerput van de Latijnse School kwamen twee stukken bewerkte zandsteen. Het betreft een vierkant sokkeltje en een fijn gebeeldhouwde opengewerkte bekroning . Op basis van stijlkenmerken zijn ze in de 16de eeuw te dateren. Het is niet duidelijk waar in het huis deze stukken verwerkt zijn geweest. Het is zelfs net uitgesloten dat ze uit de nabij gelegen kerk afkomstig zijn.

Los op het terrein werd een fragment van een schouwwang van ledesteen aangetroffen. Het betreft een type schouw dat in de 15de en begin 16de eeuw erg populair was. Vermeldenswaard is de vondst van een fragment van een kacheloventegel uit de 15de eeuw. Het betreft een vondst uit een latere ophogingslaag maar het kan een aanwijzing zijn dat er in één van de gebouwen een kacheloven aanwezig is geweest. Kachelovens worden in onze streken in die periode vrijwel alleen aangetroffen in kastelen, kloosters en grote adellijke huizen. De vensters zijn voorzien geweest van glas in lood. Hiervan zijn zowel fragmenten vensterglas als de loodstrips aangetroffen. Uit de beerput van de Latijnse School komt een gebrandschilderd ruitje uit het eind van de 16de of 17de eeuw. Tot het hang- en sluitwerk behoren enkele haken van een deurklink, een stuk van een slot en enkele sleutels. Met name de sleutels zijn erg fraai.

Sleutel, vermoedelijk van een kist

Sleutel, vermoedelijk van een kist of kast, 1300-1350

Eén sleutel heeft een gecompliceerde baard en een in vieren gedeelde ruitvormige greep. Op de schacht, direct onder de greep, bevindt zich een koperen bandje. Een vergelijkbare sleutel is onder meer aangetroffen in de gracht van het kasteel van Gemert. (Janssen 2001, p. 56-57). Deze sleutel dateert vermoedelijk uit het eind van de 13de of eerste helft 14de eeuw. Een tweede sleutel heeft eveneens een gecompliceerde baard, maar een eenvoudige ovale greep. In beide gevallen gaat het vermoedelijk om sleutels van een kist. Een stuk ijzeren beslag kan eveneens geïnterpreteerd worden als beslag van meubilair. Het gaat om rozetvormige plaatjes, verbonden door dunne ijzeren strips. Vergelijkbare stukken zijn onder meer bekend uit ‘s-Hertogenbosch en Oldenzaal.(Ostkamp 2003, p.88-89). Diverse voorwerpen kunnen in verband gebracht worden met verlichting van de huizen. Het gaat om ijzeren kaarsenhouders, die aan de ene zijde puntig zijn afgewerkt zodat ze in het hout geslagen kunnen worden, terwijl de andere kant is omgevormd tot een koker. Deze voorwerpen komen al voor in de 14de eeuwse fase. Iets luxer is het fragment van een bronzen kandelaar. Verder zijn fragmenten van twee rood aardewerken olielampen gevonden.

Eet- drink en kookgerei
Zoals gebruikelijk is een groot deel van het vondstmateriaal toe te schrijven aan keuken- en kookgerei. Het merendeel hiervan is reeds behandeld bij de beschrijving van de vondstcomplexen. Bij het kookgerei gaat het veelal om aardewerken grapen. Verder komen bakpannen en vetvangers voor. Opvallend is dat ook enkele metalen pannen zijn aangetroffen. Deze komen in opgravingen maar zelden voor. Het eet- en drinkgerei is meestal tafelgerei, waarmee de eigenaar zijn sociale status kon benadrukken. Bij hogere sociale klassen werd veel tafelgerei van metaal gemaakt en dat wordt tijdens een opgraving zelden teruggevonden.Toch zijn ook andere materiaalcategorieën aangetroffen, die een aanwijzing kunnen zijn voor hoge status van de van bewoners van het complex. Te denken valt daarbij onder meer aan het rijke en vele glas in beerput 270 en zeldzame importen uit het Wesergebied in beerput 236. In de Middeleeuwen was het gebruikelijk dat gasten hun eigen mes meenamen. Dit droegen ze vaak in een messchede dat aan de riem hing. De heften waren soms rijk versierd. In Gorinchem zijn twee fraai versierde mesheften te voorschijn gekomen. Eén exemplaar heeft een zeshoekige doorsnede en is voorzien van beslag van been of gewei. Een ander exemplaar is op het einde van het heft versierd met gegraveerde koperen plaatjes

Aan de ene zijde staat een afbeelding van een vrouwelijke heilige met een zwaard(?) in haar hand, waarschijnlijk Catharina terwijl de andere zijde versierd is met voorstelling van Maria met kind. Dit type mesheft was zeer algemeen in de tweede helft van de 15de en eerste helft van de 16de eeuw.

Mesheft, H. Catharina met het zwaard en Maria met kind

Ambacht en nijverheid
Op het terrein zijn relatief weinig voorwerpen gevonden die aan een bepaald ambacht te schrijven zijn. In de 13de en 14de-eeuwse bewoningsfase zijn enkele stuks gereedschap aangetroffen waaronder enkel beitels, een avegaar een lepelboor, een schep en een troffel. Waarschijnlijk hebben deze vondsten te maken met de bouwwerkzaamheden die in de loop van de eeuwen op het terrein hebben plaats gevonden. Een aantal vondsten heeft te maken met de bewerking of verwerking van textiel zoals spinstenen en spindels, enkele vingerhoeden, naalden en een kantklosje. Dergelijke activiteiten kunnen gezien worden als huisnijverheid en handwerk en zeggen niet veel over beroepen die op het terrein zijn uitgeoefend. Afgezien van de mestkuilen, die wijzen op agrarische activiteit in de vroegste periode, zijn er geen aanwijzingen dat bepaalde ambachten op het terrein hebben plaats gevonden. Vanaf de 15de eeuw heeft het noordelijk perceel een functie als school en het zuidelijke perceel een residentiële functie.

Roskam

Roskam

Opvallend is dat relatief veel voorwerpen met het houden van paarden in verband gebracht kunnen worden. Zo zijn diverse hoefijzers, ruitersporen, gespen van paardentuig en een roskam aangetroffen. Roskammen komen weinig voor in opgravingen. Ze bestaan uit een omgevouwen ijzeren plaat, waarvan de lange zijd voorzien is van tandjes. Op de vouw is met drie bevestigingspunten het handvat bevestigd. Een vergelijkbaar exemplaar is in ‘s-Hertogenbosch opgegraven (Janssen 1983, p. 262-263). Hoewel dergelijke voorwerpen ook met zuiver agrarische activiteiten in verband gebracht kunnen worden ligt een verband met de hogere sociale status van de bewoners voor de hand. Op dezelfde manier kan ook de aanwezigheid van wapentuig worden verklaard.

Ruiterspoor

Ruiterspoor

Met name de vondst van een grote dolk, een zwaardpommel en fragmenten van een maliënkolder zijn opvallend. Deze vondsten dateren uit de vroege gebruiksfase van het terrein.

Vondsten die niet direct met ambachtelijke activiteiten op het terrein samenhangen maar wel veel informatie geven over textielnijverheid en textielhandel zijn lakenloden. Onder de loden die op het terrein is aangetroffen bevindt zich een bijzonder exemplaar (Van der Esch 2003, p.18).

Lakenlood Gorinchem, 15de eeuw

Textiellood met wapen van Beieren, Gorinchem, 15de eeuw

Centraal staat het wapen van Beieren afgebeeld met daar omheen het randschrift ‘GHORINGHEM’. Het voorkomen van een afzonderlijk Beiers wapen is curieus aangezien het normaal gecombineerd wordt met de wapens van Henegouwen en Holland. Het betreffende lakenlood dateert uit de 15de eeuw en is het oudst bekende van de Gorinchemse lakennijverheid.

Schoeisel, kleding en sieraden
In de mestkuilen en beerputten zijn diverse schoenen aangetroffen. Deze vondsten zijn nog niet beschreven. Vermeldenswaard zijn enkele ijzeren verstevigingspunten van trippen. Van kleding zijn alleen enkele kleine fragmenten in de beerputten aangetroffen. Deze zijn vermoedelijk hergebruikt als ‘toilet-papier’. Verspreid over het terrein is een groot aantal voorwerpen aangetroffen, die geplaatst zijn onder de categorie kledingaccessoires. Het gaat hierbij onder meer om gespen, kledinghaken, riemtongen en messchedes. Eén messchede, daterend uit de 14de eeuw, is versierd met ingesneden florale motieven en een vogeltje. Het uiteinde van een riem was vaak verstevigd met een metalen beslag, een zogenaamde riemtong. Een exemplaar uit Gorinchem is versierd met florale motieven.

Messchede versierd met florale motieven

Messchede versierd met florale motieven en vogeltje, 14de eeuw.

In tegenstelling tot de kledingaccessoires geven de voorwerpen die als sieraad zijn geïnterpreteerd een aanwijzing voor de hoge status van de bewoners. Het gaat hierbij om vingerringen, speldjes en een haarnetje. De speldjes en insignes betreffen voornamelijk eenvoudige exemplaren van een tin/lood legering. Het gaat om enkele zogenaamde buste-insignes, eenvoudige speldjes in de vorm van een rozet en enkele speldjes in de vorm van de letter ‘M’. Buste-insignes zijn kleine ronde speldjes met centraal een hoofdje waar omheen een tekst staat Ze worden gedateerd in de 14de eeuw. (Van Beuningen e.a. 2001 p. 420-422) Speldjes in de vorm van een letter worden eveneens regelmatig aangetroffen. Mogelijk kan de letter ‘M’ verwijzen naar Maria. Tijdens het onderzoek zijn ook twee pelgrimsinsignes aangetroffen.

In beide gevallen gaat het om insigne van de heilige Cornelius, die wordt vereerd in Ninove. Deze bedevaartsplaats was erg populair en vergelijkbare insignes worden dan ook regelmatig aangetroffen.(Zie onder andere Van Beuningen en Koldewij 1993, p 150-152 en Van Beuningen e.a. 2001 p. 252-253) Vermeldens waard is tenslotte het fragment van vermoedelijk een insigne. Het is versierd met een zittend dier, mogelijk een poes.

Onderwijs en spel
Zoals bij de beschrijving van de beerput op het terrein van de Latijnse School al aan de orde is gekomen is op het terrein veel materiaal aangetroffen dat met de scholen op dit terrein in verband gebracht kan worden. Het gaat hierbij zowel om speelgoed dat aan de scholieren moet hebben toebehoord als om voorwerpen, die met het onderwijs zelf te maken hebben. Afgezien van de reeds behandelde beerput is speelgoed in diverse contexten verspreid over het terrein aangetroffen. Het is uiteraard goed mogelijk dat een deel van dit speelgoed niets met de school te maken heeft maar met kinderen die in de loop van de tijd op het zuidelijke perceel hebben gewoond.

Vermeldenswaard zijn een snorrebot, bestaand uit een doorboord botje en een tinnen soldaatje. Verspreid over het terrein is een relatief groot aantal schrijfstiften aangetroffen. Het gaat om minimaal 15 exemplaren. Schrijfstiften werden gebruikt om teksten te schrijven in zogenaamde wastafeltjes; plankjes met een dieper liggend deel waarin een waslaagje was aangebracht. Wastafeltjes functioneerden als kladblok en om korte berichtjes mee te versturen. In scholen werden ze gebruikt als oefenschrift. De schrijfstiften waren zowel van ijzer en koper als van been

Schrijfstiften (styli)

Schrijfstiften (styli), messing, ijzer en been

De bovenkant heeft vaak een verbreed uiteinde om de was weer glad te kunnen strijken. Het gebruik van schrijfstiften verdwijnt aan het begin van de 16de eeuw. (Baart e.a 1977, p. 379-380). Om die reden zijn in de beerput van de Latijnse School geen schrijfstiften aangetroffen. Naast veel schrijfstiften is verspreid over het terrein een groot aantal rekenpenningen gevonden. Rekenpenningen werden gebruikt als hulpmiddel bij het maken van berekeningen in het kader van financiële administratie.

Rekenpenning met de leeuw van de evangelist Marcus

Rekenpenning met de leeuw van de evangelist Marcus

Klerken hadden hiervoor vaak een aparte tafel waarop een indeling was aangegeven. Op de Grote School werd aan scholieren geleerd om te rekenen met penningen. Mogelijk kunnen we daarom het grote aantal rekenpenningen met de school in verband brengen. Ook hier geldt echter dat de voorwerpen ook door de buren gebruikt kunnen zijn. De meest voorkomende afbeeldingen op rekenpenningen zijn een roos met drie Franse lelies met op de keerzijde een rijksappel (roos-rijksappelpenning), een scheepje (scheepjespenning) of een leeuw van Marcus (Marcuspenning). Zie voor een goede beschrijving van rekenpenningen Van der linden 1994, p.37-40).

Overige vondsten
Een aantal vondsten is niet in één van de bovenstaande categorieën onder te brengen, aangezien de exacte functie onbekend is. Een fraai voorwerp is een bronzen plaatje met een bewaarde lengte van 5,9 cmHet is aan de bovenzijde puntig afgewerkt. In het plaatsje is een opengewerkte gotische nis met aangebracht waarin een heilige staat. Daaronder is nog net de aanzet van een tweede nis te zien. Waarvoor dit voorwerp heeft gediend is niet duidelijk. Mogelijk is het een deel van beslag op een kist of iets dergelijks.Een ander bijzonder voorwerp, waarvan de exacte functie niet duidelijk is, is een klein bronzen plaatje, met daarop een voorstelling van de marteling van de heilige Catharina.

Koperen plaatje met afbeelding heilige Catharina

Koperen plaatje met afbeelding heilige Catharina

Het kan als versiering ergens in gemonteerd zijn geweest maar het blijkt ook mogelijk te zijn afdrukken te maken van het plaatje. Op het plaatje is aan de linker kant een man afgebeeld die een zwaard in de aanslag heeft om het hoofd van een vrouwenfiguur aan rechterkant af hakken. Aan de linkerzijde kijken nog enkele personen toe. De vrouwenfiguur rechts kan geïdentificeerd worden als Catharina, gezien het rad dat rechts van haar staat afgebeeld (Vergelijk Nijhof en Janssen 2000). De scène verhaalt de marteldood van Catharina. Vanwege haar kritiek op de christenvervolging door Keizer Maxentius veroordeelde deze haar tot de marteldood. Ze werd gepijnigd met een scherp rad, dat echter in stukken brak. Daarna werd ze onthoofd. Helaas is het plaatje ter hoogte van het hoofd van de vrouw beschadigd. Gezien de kleding van de afgebeelde personen kan het plaatje in de eerste helft van de 16de eeuw worden gedateerd. Vergelijkbare afbeeldingen van de marteling van Sint Catharina zijn zeldzaam. Een gravure van Albrecht Dürer is een van de weinige parallellen.

Historie

Tekening van historicus B. Stamkot met daarop de belangrijkste fenomenen in de omgeving van het opgravingsterrein op basis van historische bronnen

Tekening door B. Stamkot met de belangrijkste fenomenen in de omgeving van het opgravingsterrein

In de 11de en 12de eeuw ontstond op de oeverwal van de Merwede een aantal nederzettingen. Deze vormden de basis waar vanaf het achterland ontgonnen werd. Gorinchem was één van deze nederzettingen bij de monding van de Linge. In de loop van de 13de en 14de eeuw ontwikkelde zich hier een stadje.

Heren van Arkel
De oudste vermelding van Gorinchem dateert uit 1224 maar pas in 1382 is er sprake van de eerste stadsrechten (Stamkot 1982). In deze periode was er echter al een stedelijke nederzetting, waarvan de bewoners zich naast visserij bezig hielden met handel. Ergens in de tweede helft van de 13de eeuw werd de stad versterkt met aarden wallen en grachten. In de tweede helft van de 13de en in de 14de eeuw viel Gorinchem onder de heren van Arkel. Leden van dit geslacht namen met name in de 14de eeuw een belangrijke politiek machtspositie in in Holland en Utrecht. De macht van de heren van Arkel betekende ook een bloeiperiode voor de stad. Deze situatie zou duren tot het begin van de 15de eeuw, toen de Arkels hun zeggenschap over Gorinchem verloren. Reeds in de 14de eeuw ondervond Gorinchem sterke concurrentie van Dordrecht en dit werd na het verdwijnen van de macht van de Arkels steeds sterker. Tot in de 17de eeuw moest Gorinchem, vaak tevergeefs met Dordrecht concurreren.

In 1263 werd in de zuidwesthoek van de stad de Sint Janskerk gewijd. Het gebied waar ze werd gebouwd maakte vermoedelijk deel uit van groot ontginningsblok dat rechtstreeks onder de landsheer viel. In het zelfde blok lag ook het stadhuis en een huis, dat in latere bronnen het Huis of Hof van Arkel werd genoemd. Hoe groot het Hof van Arkel is geweest is niet precies bekend. Waarschijnlijk strekte het zich uit van de Hoge Torenstraat in het zuiden tot of bijna tot de Knipsteeg in het noorden. Hoe we ons dit hof moeten voorstellen is evenmin duidelijk. De hoofdbebouwing lag mogelijk aan de Hoge Torenstraat. Het Hof van Arkel wordt in 1405 bewoond door de heer van Arkel. Nadat de Arkels in 1412 hun macht in de stad hadden verloren is wellicht ook het hof in andere handen gekomen. In 1593 is er nog sprake van een huis Arkel of Kervelingen. Dit slaat dan op een complex dat gezocht moet worden in het zuidelijk deel van het bouwblok Hoge Torenstraat-Krijtstraat-Knipsteeg.

Grote School
In het noordelijk deel bevond zich de Grote School. In een vermelding uit 1435 wordt de Knipsteeg ‘Scoelsteghe’ genoemd waaruit opgemaakt kan worden dat er toen al een school was. Tot ongeveer 1600 is over de school vrijwel niets bekend. Waarschijnlijk gaat het in deze periode nog niet om een Latijnse School maar om een volksschool. Hier werd in de volkstaal les gegeven en werden kinderen elementaire vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen. In 1600 wordt er voor het eerst melding gemaakt van een rector van de Latijnse School (Busch & Landheer 1983, p. 4) . De volksschool was blijkbaar omgevormd tot Latijnse School en kwam daardoor hoger in aanzien te staan. Aan het hoofd stond een rector, die werd bijgestaan door ondermeesters. De rector woonde in of bij het schoolgebouw en werd betaald door de stad. Er werd onderwijs gegeven in het Latijn gericht op een vervolgstudie op de universiteit. De leerlingen van zowel de Latijnse School als de volksschool konden afkomstig zijn uit de stad maar ook uit de omgeving. In dat laatste geval waren ze vaak in de kost bij burgers van de stad of bij de rector of één van de ondermeesters. Van de rector is bekend dat hij meerdere leerlingen in de kost had.

Schoolklas door Jan Steen ca. 1670 (Collectie National Galleries of Scotland in Edinburgh)

Schoolklas door Jan Steen (ca. 1670) collectie National Galleries of Scotland, Edinburgh

Over de gebouwen van de Latijnse School in de 17de en 18de eeuw is niet veel bekend maar de schaarse vermeldingen duiden erop dat het gebouw toen al oud en vervallen was. De meest sprekende beschrijving is die van voormalig rector L.F. Krayenhof uit 1763. In een uitgave beklaagt hij zich onder andere om de bouwvallige staat van de school:

” ..dak en zolders zijn zeerslegt; de balken hier en daerin de muren afgerot en niet meer te vertrouwen, a/zoo al eene der zwaersten is gezakt geweest met des suppliants en families groot gevaer; de twee zijdmueren kwalijk geankert en dreigen te vallen; agtergevel niet waterdigt; de kelder tot boven toe vol water, de vloer van het keukentje versieeten; het portael of de ingang van het huys dreigt te vallen, zoo dat men op deszelfs zoldering niet meer komen durft en zelfs de bueren niet buyten gevaer zijn; de regenbak, maer met eene muer van de secreetkelder afgescheiden, geeft ongebruykbaer water; de secreetkelder, die een groot deel van het huys ondermijnt en hondert of meer wagens drek inheeft, veroorzaakt bij wijlen onverdragelijken reuk; de twee schoorsteenen, die in het huys zijn, de eene in het keukentje, de andere in het eetzaaltje, rooken zodaenig, dat zolders en mueren daervan schreeuwende getuygen zijn, zoo dat de suppliant des winters veeltijds met zijne familie zig zonder vuer moet behelpen, zijnde ook boven geene schoorstenen dan eene onbekwaeme… De Logementen voor kostdiscipelen zijn mede doorgaens zeer slegt, en alle zonder schoorstenen om bij tijd van ziekte te konnen gebruykt worden…”.

Geschiedenis onderzochte percelen
Voorafgaand aan het onderzoek is door R.F. van Dijk gestart met een archiefonderzoek naar de geschiedenis van de onderzochte percelen. Tot nu toe is uit de bronnen een aantal voor het archeologisch onderzoek interessante punten te destilleren.

In 1533 is er een conflict tussen organist Gregorius Panneus, die op het zuidelijke perceel woont en de stad (eigenaar van de stadsschool op het noordelijke perceel). Uit de stukken blijkt er sprake te zijn van een omheiningsmuur rond de school. Tegen deze muur bevindt zich het keukentje van de school. De omheiningsmuur is deels eigendom van Panneus.

In 1581 is er op het zuidelijk deel sprake van twee woningen onder één kap. Waarschijnlijk kan hieruit worden afgeleid dat (een deel van) het voormalige complex van de Arkels in meer woningen is opgedeeld. In 1605 is er sprake van een groot huis met een klein huisje ernaast. Het is niet helemaal duidelijk of het dezelfde huizen betreft als in 1581. Het lijkt erop dat de vermelding uit 1581 slaat op het zuidelijk deel van het Van Arkelcomplex.

In 1595 bewoont ene drs. Henricus Vellenius het noordelijke deel van het van Arkelcomplex, dat wil zeggen het grote huis met een klein huisje ernaast. Dit grenst aan de noordzijde aan de Latijnse School.

Na het overlijden van Vellenius in 1605 wordt het complex in 1610 verkocht aan Gerrit Aarts Salomon. Deze verkoopt in 1611 het kleine huisje, genaamd ‘De Afhang’ aan Petrus Costerus, conrector van de Latijnse School. Bij de koop is inbegrepen de keuken achter de noordelijke kamer van het grote huis en het erf daarachter. Dit deel wordt door middel van een houten schutting van de rest van het erf afgescheiden.

In 1616 wordt het grote huis (zonder ‘De Afhang’), genaamd de Zalm, door Salomon verkocht aan Gijsbrecht Hendriks van Wijck, die het in 1618 wederom verkoopt aan legerkapitein jonkheer Guilliam de Viry.

In 1627 verkoopt de zoon van conrector Costerus ‘De Afhang’ aan de stad en de keuken achter ‘De Zalm” aan de Viry. Het erf achter de keuken komt dan weer bij het grote huis, net als vóór 1611. In de 18de eeuw hebben verschillende bronnen voornamelijk betrekking op het grote voormalige Van Arkelcomplex. Er blijkt dan sprake te zijn van onder meer een grote tuin en een koetshuis aan de Struisvogelstraat.

Foto's

« 1 van 14 »

Media

17-12-2003 Gorcumse Courant
Pilaar illegaal
Het monument voor het Hof van Arkel staat inmiddels aan de Struisvogelstraat, maar de feestelijke onthulling werd uitgesteld vorige week.
Lees meer…

16-12-2003 De Stad Gorinchem
Onthulling monument Hof van Arkel in de binnenstad uitgesteld.
De onthulling door wethouder H. van Santen van het gedenkteken voor de Hof van Arkel, die op donderdag 11 december zou plaatsvinden, is uitgesteld.
Lees meer…

12-12-2003 De Telegraaf
Gorinchem vergeetachtig
De feestelijke onthulling van een monument in de binnenstad van Gorinchem is voor onbepaalde tijd uigesteld, omdat de gemeente is vergeten een bouwvergunning voor het gedenkteken aan te vragen.
Lees meer…

12-12-2003 De Dordtenaar
Herdenkingszuil Gorcumse Van Arkels illegaal bouwwerk
Gemeente vergat vergunning aan te vragen. Het monument met daarin de uit 1405 daterende kolomvoet van het Hof van Van Arkel ter hoogte van de Gorcumse V&D is illegaal gebouwd.
Lees meer…

10-12-2003 De Telegraaf
Oude vondst wordt monument
De gemeente Gorinchem onthult morgen (donderdag) in het centrum van de stad een archeologische vondst uit ongeveer 1405.
Lees meer…

10-12-2003 Utrechts Nieuwsblad Editie Rivierenland
Herinnering aan Hof van Arkel
Gorinchem is vanaf morgen een monument rijker. Wethouder H. van Santen onthult morgen om elf uur het monument – een zuil van twee meter – achter de V&D in de Struisvogelstraat, ter hoogte van de Kazernepoort.
Lees meer…

10-12-2003 Metro
Gemeente Gorinchem onthult vondst uit 1405
De gemeente Gorinchem onthult morgen in het centrum van de stad een archeologische vondst uit ongeveer 1405.
Lees meer…

10-12-2003 Gorcumse Courant
Herinnering aan Hof van Arkel
Ter herinnering aan het Hof van Arkel, dat zo’n vijf eeuwen geleden gestaan moet hebben op de plek van het huidige V&D-warenhuis, wordt donderdagmorgen een speciaal gedenkteken onthuld.
Lees meer…

10-12-2003 Algemeen Dagblad
Middeleeuwse vondst als monument onthuld
De gemeente Gorinchem onthult morgen in het centrum van de stad een archeologische vondst uit ongeveer 1405.
Lees meer…

05-08-2003 De Stad Gorinchem
Uniek gedenkteken Hof van Arckel
Op initiatief van stadsarcheoloog Pieter Floore en Herman Nieuwdorp (afdeling ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente) wordt in de stad een gedenkteken geplaatst voor het Hof van Arckel
Lees meer…

30-07-2003 Gorcumse Courant
Monument Hof van Arckel
Tegenover de V&D zal een gedenkteken komen te staan voor het Hof van Arckel.
Lees meer…

22-01-2003 Gorcumse Courant
Opgravingen stad houden veel Gorcumers geboeid.
Grote opkomst bij dialezing van stadsarcheoloog
Lees meer…

17-09-2002 De Stad Gorinchem
Drukke Monumentendag en Doen- Ja! Markt
De Open Monumentendag is afgelopen zaterdag in Gorinchem druk bezocht.
Lees meer…

14-09-2002 De Dordtenaar
Spannende vondst van moordwapen, archeologen koesteren bouwlocatie V&D Gorcum
De archeologen op de bouwlocatie van V&D aan de Gorcumse Krijtstraat hebben deze week een veertiende eeuws moordwapen gevonden.
Lees meer…

10-09-2002 De Stad Gorinchem
Krijtstraat: op zoek naar hof van de Van Arkels
Archeologen hebben deze week op de plaats waar in de Krijtstraat een V&D-vesting komt sporen teruggevonden van het 14e eeuwse hof van de Van Arkels.
Lees meer…

11-09-2002 Gorcumse Courant
Gaaf pand ontdekt naast Hof
Opgravingen naar het Hof van Arkel leveren verrassing op. De opgravingen aan de Krijtstraat beginnen steeds meer een beeld op te leveren van de oude historische binnenstad.
Lees meer…

10-09-2002 De Stad Gorinchem
Archeologisch onderzoek Krijtstraat
Het archeologisch onderzoek aan de Krijtstraat heeft al diverse vondsten opgeleverd.
Lees meer…

07-09-2002 Dagblad Rivierenland
Vondst stadsresten in Gorinchem
Bij opgravingen in Gorinchem zijn de zeer oude resten van de stad gevonden. Het gaat om delen van de fundering van een adellijk huis uit de 14e eeuw, dat toebehoorde aan Jan van Arkel.
Lees meer…

06-09-2002 Algemeen Dagblad
Fundering uit de 14de eeuw opgegraven
Bij opgravingen in Gorinchem zijn delen gevonden van de fundering van een adellijk huis uit de 14de eeuw, dat toebehoorde aan Jan van Arkel.
Lees meer…

06-09-2002 De Dordtenaar
Een stem uit het verleden
Persoonlijke boodschap negentiende eeuwse Gorcumer gevonden
Lees meer…

06-09-2002 Trouw
Oudste stadsresten in Gorinchem opgegraven
Bij opgravingen in Gorinchem zijn delen gevonden van de fundering van een adellijk huis uit de 14de eeuw, dat toebehoorde  aan Jan van Arkel.
Lees meer…

05-09-2002 Radio Rijnmond
Oude stadsresten in Gorinchem opgegraven
Bij opgravingen in Gorinchem zijn de zeer oude resten van de stad gevonden. Het gaat om delen van de fundering van een adellijk huis uit de 14e eeuw, dat toebehoorde aan Jan van Arkel.
Beluister…

05-09-2002 BN/De Stem
Oude stadsresten in Gorinchem opgegraven
Bij opgravingen in Gorinchem zijn de zeer oude resten van de stad gevonden. Het gaat om delen van de fundering van een adellijk huis uit de 14e eeuw, dat toebehoorde aan Jan van Arkel. Onder de fundering zijn nog oudere resten aangetroffen, namelijk van huizen uit de 13e eeuw.
Lees meer…

05-09-2002 De Dordtenaar
Restanten Hof Van Arkel aangetroffen, historische vondst in Gorcumse binnenstad
Archeologen zijn in de gorcumse binnenstad gestuit op de restanten van zeer vermoedelijk het Hof Van Arkel.
Lees meer…

28-08-2002 Gorcumse Courant
Toilet opgegraven
Veel oude kloostermoppen, vijf schrijfstiftjes, attributen die verwijzen naar vroegere bedevaarttochten naar Heukelum, schedeltjes van een kip  en een kleine hond.
Lees meer…

22-08-2002 De Dordtenaar
De grond is net een boek
De opgravingen op de bouwlocatie van V&D in Gorinchem zijn al anderhalve week aan de gang. Sliedrechter Frans van Houwelingen (61) graaft twee dagen per week mee.
Lees meer…

21-08-2002 De Dordtenaar
In de eerste week al leuke vondsten bij opgravingen in Gorinchem
Ach gut, kijk een veertiende eeuws kippetje. Het ene na het andere vijftiende eeuwse muurtje duikt al op tijdens de tweede week van de afgravingen aan de Gorcumse Krijtstraat.
Lees meer…

20-08-2002 De Stad Gorinchem
Eerste voorwerpen in Krijtstraat gevonden
De archeologen die bezig zijn op het braakliggende terrein aan de Krijtstraat hebben de eerste voorwerpen gevonden.
Lees meer…

20-08-2002
Mysterie van de Krijtstraat blijft nog even verborgen
De zon brandt fel deze middag. Martin Veen van de werkgroep archeologie van Gorinchem draagt voor de zekerheid een petje die zijn schedel tegen de verblindende stralen moet beschermen. > Lees meer…

17-08-2002 De Dordtenaar
Archeologen vinden 15e eeuwse ‘balpennen”
Saepe stilum vertas’, deze woorden zullen regelmatig te horen zijn geweest in de lokalen van de Latijnse School aan de Scoelsteghe in Gorinchem.
Lees meer…

14-08-2002 Gorcumse Courant
Kijkje in het verleden
Nieuwsgierig melden de eerste kijkers zich aan het hek aan de Krijtstraat, maar veel nieuws valt er nog niet te melden.
Lees meer…

13-08-2002 De Stad Gorinchem
Archeologen aan de slag
Sinds enige tijd bestaat er een bijzondere doorkijk vanaf de Groenmarkt naar het Kazerneplein.
Lees meer…

07-08-2002 Gorcumse Courant
Hoge verwachtingen van opgravingen aan Krijtstraat ‘Hof van Arkel’ ligt verstopt.
Het is een uniek doorkijkje, vanaf de Groenmarkt zo op het Kazerneplein.
Lees meer…

03-08-2002 De Dordtenaar
Archeologische verenigingen in de regio mogen mee graven
Gorinchem begint over een goede week met opgravingen op de plek waar eind 2003 V&D de deuren opent. De verwachtingen zijn hooggespannen. De archeologen hopen restanten van het ‘Hof van de Heeren van Arkel’ aan te treffen, het geslacht dat zijn stempel drukte op de geschiedenis van de oostelijke Alblasserwaard.
Lees meer…

24-07-2002 De Dordtenaar
Floore hoopt in Krijtstraat op Hof van Arkel te stoten.
Gorinchem staat aan de vooravond van een spannende opgraving in de binnenstad.
Lees meer…

02-07-2002 De Stad Gorinchem
Mogelijk verrassing in Krijtstraat
Grote stofwolken stegen vorige week op vanaf het terein aan de Krijtstraat, maar nu de sloopwerkzaamheden bijna zijn voltooid gaan de harten van de archeologen sneller kloppen.
Lees meer…

03-07-2002 Gorcumse Courant
Monumentaal
Het is even slikken voor veel stadgenoten. De ruim een eeuw oude school aan de Krijtstraat, de plek waar in de loop van jaren duizenden Gorcumers leerden lezen en schrijven, is niet meer.
Lees meer…

28-06-2001 De Dordtenaar
Bouwlocatie V&D herbergt mogelijk hof Van Arkel
Archeologen hebben hooggespannen verwachtingen bij het vooruitzicht van opgravingen op de bouwlocatie voor V&D in de Gorcumse binnenstad.
Lees meer…

19-06-2002 Gorcumse Courant
Unieke kans op onderzoek locatie Krijtstraat
Archeologen blij met sloop. De machtige voertuigen van het slopersbedrijf staan in de Struisvogelstraat.
Lees meer…

Publicaties

G. van den Berg
De opgraving van de “Hof van Van Arkel”, Gorinchem, Krijtstraat 2002; in Grondig Bekeken: Tijdschrift van de Afdeling Lek- en Merwedestreek van de AWN; 18e jaargang no. 2; p. 2-15.

R.J.M. van Genabeek, met bijdragen van J.T. Zeiler, D.C. Brinkhuizen en H. van Haaster
Gorinchem Krijtstraat, Definitief Archeologisch Onderzoek; ‘s-Hertogenbosch; 2005; BAAC rapport 02.060. Download (47,44 MB)

H. van Haaster
Op zoek naar de voedingsgewoonten van de familie Van Arkel, een botanisch onderzoek aan de inhoud van enkele beerputten en mestkuilen uit de 14e-17e eeuw aan de Krijtstraat in Gorinchem; Zaandam; 2003; BIAXiaal 177. Download (2,18 MB)

E.A. van der Kuijl
Gorinchem: Krijtstraat 6-10; Archeologische Kroniek Zuid-Holland 1999 in Historisch Tijdschrift Holland; 32e jaargang; 2000 p. 370. Download (24, 2 MB)

E.A. van der Kuijl
Verkennend archeologisch onderzoek Zusterstraat 9 en Krijtstraat; Arnicon; 2000; Download (481 Kb)

J. van Oostveen
Gorinchem, pijpen Krijtstraat; Tiel; 2011. Download (4,43 MB)

A. Willemsen
Gorinchem: a school around 1600 in: Back to the Schoolyard, The Daily Practice of Medieval and Renaissance Education; Studies in European Urban History 15; Turnhout 2008; p. 97-99

J.T. Zeiler & D.C. Brinkhuizen
Resten van rijke maaltijden, archeozoölogisch onderzoek van botmateriaal uit de Krijtstraat te Gorinchem (14e-17e eeuw); Leeuwarden; 2003; ArcheoBone rapport nr. 35. Download (1,75 MB)

Metagegevens

Archisnummer(s):onderzoeksmelding: 24800
Topografische Kaart:38G
Coordinaten:126.380/426.840 (centrum)
Toponiem:Krijtstraat
Plaats:Gorinchem
Gemeente:Gorinchem
Provincie:Zuid-Holland
Type onderzoek:Archeologische opgraving
Uitvoerder:Baac BV, Den Bosch
Projectleider:R. J. M. van Genabeek
Opdrachtgever:Gemeente Gorinchem
Bevoegd gezag:Gemeente Gorinchem
Aanvang onderzoek:12 augustus 2002
Vondsten & documentatie:Archeologisch depot Gorinchem
DANS:-

 

Reageren is niet mogelijk