Krijt­straat 6–12, Hof Arkels & Gro­te School (2002)

Onder­zoek

Zuil ter herinnering aan de de heren van Arkel in de Struisvogelstraat te Gorinchem

Zuil ter her­in­ne­ring aan de de heren van Arkel in de Struis­vo­gel­straat.

12 Augus­tus 2002 start­te een uniek arche­o­lo­gisch onder­zoek. Op de loka­tie waar eind 2003 een nieu­we V&D haar deu­ren open­de, kwam in een rela­tief kor­te tijd een enor­me schat aan gege­vens tevoor­schijn. Aan­lei­ding voor het onder­zoek was de voor­ge­no­men bouw van een nieuw waren­huis. Tot voor kort ston­den hier enke­le woon­hui­zen en een school­ge­bouw. Aan­ge­zien de nieuw­bouw de arche­o­lo­gi­sche res­ten zou ver­sto­ren werd tus­sen sloop en nieuw­bouw gele­gen­heid gege­ven het ter­rein gedu­ren­de zeven weken te onder­zoe­ken

Doel
Voor­naams­te doel van het onder­zoek was de aard en lig­ging van het (Hof of Huis) van Arkel en de Gro­te School vast te leg­gen als­me­de inzicht te krij­gen in de oud­ste bewo­ning en opbouw van het ter­rein.

Bevin­din­gen
Tij­dens het onder­zoek werd dui­de­lijk dat het ter­rein reeds in de 13e eeuw werd ont­gon­nen en bewoond. Onge­veer een hal­ve eeuw eer­der dan in ande­re delen van de stad. Rond 1400 wor­den op het ter­rein een twee­tal gro­te gebou­wen neer­ge­zet. Het ene gaat dienst doen als Gro­te School en het ande­re is een rijk huis, dat dan ver­moe­de­lijk in bezit is van de heren van Arkel.

De vond­sten van de (Gro­te, later Latijn­se) School geven een goed beeld van het onder­wijs, met name in de 16e eeuw. In het gro­te buur­pand heb­ben in de 17e eeuw enke­le wel­ge­stel­de fami­lies gewoond. Het lijkt er op dat het com­plex dat het Hof van Arkel wordt genoemd zich nog ver­der naar het zui­den, rich­ting Hoge Toren­straat heeft uit­ge­strekt. In dat geval bevin­den zich in dat deel van het bouw­blok nog belang­rij­ke res­ten van dat com­plex. Het kan daar­bij gaan om onder­grond­se res­ten, maar het is niet uit­ge­slo­ten dat in de hui­di­ge bebou­wing nog ele­men­ten van dit com­plex aan­we­zig zijn. Het ver­dient dan ook aan­be­ve­ling om even­tu­e­le bouw- of graaf­werk­zaam­he­den in dit gebied nauw­let­tend in de gaten te hou­den en tij­dig even­tu­eel arche­o­lo­gisch of bouw­his­to­risch onder­zoek uit te voe­ren.

Het onder­zoek werd in opdracht van de gemeen­te Gorin­chem uit­ge­voerd door BAAC in nau­we samen­wer­king met Hol­lan­dia Arche­o­lo­gen en een enthou­si­as­te groep vrij­wil­li­gers.

Opgra­ving

Overzicht opgraving vanaf de toren van de Grote Kerk

Over­zicht opgra­ving van­af de toren van de Gro­te Kerk

Vraag­stel­ling
Aan­ge­zien voor­af­gaand aan de opgra­ving alleen beperk­te his­to­ri­sche gege­vens met betrek­king tot het ter­rein voor han­den waren, waren de vraag­stel­lin­gen vrij alge­meen. Boven­dien was van tevo­ren bekend dat gezien de te ver­wach­ten com­plexi­teit van het bodem­ar­chief, de groot­te van het ter­rein en de hoge tijds­druk in het veld keu­zes gemaakt zou­den moe­ten wor­den. Voor­af­gaand aan het onder­zoek is door J. van Does­burg (Rijks­dienst voor Oud­heid­kun­dig Bodem­on­der­zoek) een pro­gram­ma van eisen opge­steld waar­in de belang­rijk­ste vra­gen gefor­mu­leerd wer­den:

  • Hoe ziet de stra­ti­gra­fi­sche opbouw van het ter­rein er uit?
  • Wat is de aard en de ouder­dom van de bewo­nings­spo­ren?
  • Is er spra­ke van een toer­nooi­veld en/of een huis van de heren van Arkel?

Tij­dens het onder­zoek zijn enke­le aan­vul­len­de vra­gen gefor­mu­leerd, op basis waar­van gerich­te keu­zes in het veld gemaakt zijn. Beslo­ten is de nadruk te leg­gen op de bebou­wing aan de Krijt­straat, aan­ge­zien aan deze zij­de tot in de 19de eeuw de voor­naams­te bebou­wing was gele­gen. Ook de hoofd­ge­bou­wen van de Latijn­se School en het moge­lij­ke Huis van Arkel lagen aan deze zij­de. Ver­der zou ernaar gestreefd wor­den om zowel een noord-zuid als een oost-west lopend pro­fiel over het ter­rein te cre­ë­ren om inzicht te ver­krij­gen in de onder­grond en de ont­wik­ke­ling van het ter­rein.

Werk­wij­ze
Op het onder­zoeks­ter­rein is een twaalf­tal werk­put­ten aan­ge­legd, waar­mee onge­veer 75 a 80% vlak­dek­kend is onder­zocht (zie put­ten­kaart). Het aan­tal vlak­ken ver­schilt per put en vari­eert van 1 tot 6, afhan­ke­lijk van de hoe­veel­heid en com­plexi­teit van de spo­ren en de stra­ti­gra­fie. Het niet onder­zoch­te deel betreft het noord­west­deel van het ter­rein waar zich die­pe ver­sto­rin­gen bevon­den van de gesloop­te kruip­ruim­tes van de ver­dwe­nen bebou­wing. Een vier­tal werk­put­ten (put 7 noord, 10, 11 en 12) is wegens tijd­ge­brek niet tot de natuur­lij­ke onder­grond ver­diept. In totaal zijn 25 pro­fie­len en aan­zich­ten van muren gedo­cu­men­teerd. Alle gete­ken­de vlak­ken en pro­fie­len zijn machi­naal aan­ge­legd en met de hand opge­schoond. Ver­vol­gens is alles gefo­to­gra­feerd en op schaal 1:20 gete­kend. Uit de spo­ren en opho­ging­sla­gen zijn vond­sten ver­za­meld en het muur­werk is nader onder­zocht op fase­ring, met­sel­ver­band en steen­for­ma­ten. De inhoud van de beer­put­ten is gezeefd en bemon­sterd voor onder­zoek naar bota­ni­sche res­ten. In totaal zijn 422 vondst­num­mers uit­ge­deeld en zijn enke­le dui­zen­den vond­sten gebor­gen. Daar­naast zijn bij­na 600 spo­ren her­kend.

Voor­af­gaand aan de uit­wer­king is een selec­tie gemaakt van de te beschrij­ven vond­sten en vondst­com­plexen. Van­we­ge de gro­te hoe­veel­he­den vond­sten is beslo­ten de uit­wer­king van enke­le beer­put­ten niet in de rap­por­ta­ge mee te nemen. Het vondst­ma­te­ri­aal is bewerkt en onder­ge­bracht in het depot van de gemeen­te Gorin­chem.

Resul­ta­ten
De opgra­ving heeft een schat aan gege­vens opge­le­verd over de opbouw en ont­wik­ke­ling van het ter­rein en de bebou­wing ervan. De resul­ta­ten kun­nen in een aan­tal ele­men­ten wor­den onder­schei­den:

  • de natuur­lij­ke onder­grond van het ter­rein
  • de ont­gin­ning en vroeg­ste bewo­ning
  • de ste­nen gebou­wen op per­ceel 1
  • de ste­nen gebou­wen op per­ceel 2
  • de ste­nen gebou­wen op per­ceel 3
  • vondst­com­plexen en los­se vond­sten

De natuur­lij­ke onder­grond van het ter­rein
De bin­nen­stad van Gorin­chem en daar­mee het onder­zoeks­ter­rein ligt op oever­walaf­zet­tin­gen van zowel de rivier de Lin­ge (ten oos­ten van het gebied) en de Mer­we­de (ten zui­den van het gebied). De Lin­ge was actief van­af onge­veer 200 voor Chris­tus en heeft in deze peri­o­de dicht bij de rivier zand en zavel afge­zet en ver­der van de rivier af klei. Deze afzet­tin­gen stop­ten rond 1307 toen de Lin­ge bij Tiel werd afge­damd. Naast de Lin­ge heeft ook de Mer­we­de een belang­rij­ke rol gespeeld. Deze rivier is actief sinds de 4de eeuw na Chris­tus. Ver­moe­de­lijk zijn de afzet­tin­gen van zand en zavel langs de Mer­we­de en de Lin­ge ter plaat­se van de bin­nen­stad gestopt rond het moment dat hier werd begon­nen met opho­gin­gen in de 13de eeuw. De natuur­lij­ke afzet­tin­gen van de Lin­ge en de Mer­we­de zijn aan­ge­trof­fen onder de late­re opho­gings­pak­ket­ten en bestaan uit com­pac­te grij­ze klei. Plaat­se­lijk zijn hier­in humeu­ze vlek­jes en wit­te (kalk?)puntjes aan­we­zig. In die­pe­re lagen bevat de klei licht­grij­ze tot geli­ge vlek­ken. In een aan­tal pro­fie­len is in de natuur­lij­ke klei spra­ke van een iets humeu­ze­re band, die waar­schijn­lijk met een oud vege­ta­tie­ni­veau samen­hangt. Aan de noord­zij­de van het ter­rein ligt dit op 0,30 – 0,20 m -NAP; aan de zuid­zij­de op 1,50 m -NAP. De hoog­te van het oor­spron­ke­lij­ke 13de eeuw­se maai­veld is niet hele­maal dui­de­lijk ten gevol­ge van late­re kui­len en ande­re ver­sto­rin­gen. Dit maai­veld lijkt af te hel­len van 0,00 m NAP in het noord­oos­ten van het ter­rein tot 0,50 m -NAP in het zuid­oos­ten en 1,00 m –NAP in het zuid­wes­ten.

De ont­gin­ning en vroeg­ste bewo­ning (ca. 1250-ca.1400)
Het opge­gra­ven gebied is na de ont­gin­ning eerst opge­hoogd. Uit de oud­ste opho­ging­sla­gen komt mate­ri­aal dat in de 13de eeuw te date­ren is. Hoe­wel er geen dui­de­lij­ke per­ceel­in­de­ling is aan­ge­trof­fen is het niet uit­ge­slo­ten dat al van­af de ont­gin­ning spra­ke is van meer­de­re per­ce­len. In het noor­de­lijk deel van het opgra­vings­ter­rein is een aan­tal loop- of vloer­ni­veaus aan­ge­trof­fen, die samen­han­gen met waar­schijn­lijk hou­ten gebou­wen op het ter­rein. Deze vloer­ni­veaus cor­res­pon­de­ren niet met de stra­ti­gra­fie op het zui­de­lijk deel, waar de niveaus gemid­deld iets lager lig­gen. De rela­tie tus­sen bei­de delen van het ter­rein is niet goed te bepa­len aan­ge­zien bepaal­de delen sterk waren ver­stoord.

Noor­de­lijk deel
Zoals reeds ver­meld wer­den op het noor­de­lijk gedeel­te van het ter­rein drie woon- of loopniveau’s aan­ge­trof­fen. Deze niveau’s zijn geschei­den door opho­gings­sla­gen van grij­ze klei en grijs rivier­zand. Voor­af­gaand aan het oud­ste niveau heeft een opho­ging plaats gevon­den van 20 tot 30 cm met blauw­grij­ze klei met humeu­ze vlek­jes en een enkel punt­je bak­steen (spoor 341). Het oud­ste niveau (spoor 322) bestaat uit dun­ne band humeu­ze klei en ligt op 0,30 m+NAP. Hier­in is een klein stuk­je bak­ste­nen vloer (spoor 45)13 waar­ge­no­men. Aan­ge­zien het niet dui­de­lijk is hoe het bij­be­ho­ren­de huis er in deze peri­o­de uit zag, is de func­tie van dit stuk­je vloer niet dui­de­lijk; het kan zowel gaan om een res­tant van een haard als om een strook­je bak­steen ter plaat­se van de wand. Er zijn ver­der geen palen of ande­re struc­tu­ren waar­ge­no­men, die met zeker met dit niveau samen han­gen. Het lijkt erop dat de van­we­ge ver­zak­kin­gen het ter­rein is opge­hoogd en geë­ga­li­seerd met vui­le grij­ze klei. De dik­te van dit pak­ket vari­eert van 5 tot 20 cm.

Proto steengoed beker

Beker, pro­to steen­goed, ca 1250–1300.

Het mid­del­ste niveau zie teke­ning (spoor 320) (0,20 NAP+ tot 0,50 NAP+) bestaat uit vui­le humeu­ze klei met veel orga­nisch mate­ri­aal van stuk­jes hout en riet­sten­gels. Het niveau heeft een iets gebo­gen ver­loop met het hoog­ste punt mid­den op het late­re per­ceel 2. Aan dit niveau kan wel een struc­tuur wor­den ver­bon­den. Het gaat om een klein gebouw met afme­tin­gen van mini­maal 6,50 m bij 3,50 m. De palen zijn inge­gra­ven tot een diep­te van 0,43 m tot 0,15 m -NAP. Om ver­zak­king van de palen te voor­ko­men rus­ten deze op lig­gen­de plan­ken (slof­fen). Over de plat­te­grond en de con­struc­tie van het huis bestaat nog eni­ge ondui­de­lijk­heid. Er zijn drie palen­rij­en aan­ge­trof­fen met een onder­lin­ge afstand van 2,25 m en 1,25 m. Er lijkt zich aan de noord­zij­de dus een soort zij­beuk te bevin­den, maar in dat geval zou ook aan de zuid­zij­de een zij­beuk wor­den ver­wacht. Hoe­wel deze niet is aan­ge­trof­fen mag niet wor­den uit­ge­slo­ten dat er een zui­de­lij­ke zij­beuk is geweest. Ove­ri­gens is aan de War­moes­straat in Amster­dam een huis opge­gra­ven met even­eens één zij­beuk, waar­aan een stal­func­tie wordt toe­ge­kend (Baart 2001, p.159–174). De breed­te van het huis kan dus zowel 3,50 als ca. 4,75 m heb­ben bedra­gen. De leng­te is even­min dui­de­lijk. Met name aan de west­zij­de is het niet onwaar­schijn­lijk dat het huis ver­der heeft door­ge­lo­pen. Tus­sen de hou­ten palen heb­ben op vloer­ni­veau hou­ten bal­ken gele­gen. Bij de ver­moe­de­lij­ke voor­ge­vel is een gedeel­te van zo’n balk bewaard geble­ven. Op deze bal­ken zal een vlecht­wer­ken of hou­ten wand beves­tigd zijn geweest. Woon­hui­zen met der­ge­lij­ke klei­ne afme­ting zijn niet onge­brui­ke­lijk in vroeg­ste­de­lij­ke con­text, hoe­wel dit Gorin­chem­se voor­beeld erg klein is (Baart 2001, p. 159–174, Car­mig­gelt 1997, p 140–179 en Veeck­man 2001, p. 143–157) Een func­tie als werk­plaats is ech­ter niet uit­ge­slo­ten. Ten zui­den van het huis bevon­den zich net onder het loop­ni­veau op regel­ma­ti­ge afstan­den enke­le los­se bak­ste­nen. Deze zou­den gefunc­ti­o­neerd kun­nen heb­ben als een soort stie­pen onder de palen van een bij­ge­bouw­tje. Een water­put bij dit gebouw is niet aan­ge­trof­fen. Helaas lever­de het den­dro­chro­no­lo­gisch onder­zoek van enke­le palen geen resul­taat op.

Messchede met eenvoudige kruisversiering

Mes­sche­de met een­vou­di­ge kruis­ver­sie­ring, leder, 13de-begin 14de eeuw

Uit het bij dit huis beho­ren­de loop­ni­veau komt veel vondst­ma­te­ri­aal waar­on­der een schaar­tje (vnr. 105), een leren mes­sche­de (vnr. 103) en een klein drink­be­ker­tje (vnr. 47) van pro­to steen­goed met inge­snoer­de buik. Der­ge­lij­ke drink­be­kers wor­den zel­den gevon­den. Een exac­te paral­lel is voor­als­nog niet bekend, maar het exem­plaar kan het best ver­ge­le­ken wor­den met Beck­mann 1975 tafel 74, nr 22. Gezien deze vond­sten heeft het gebouw in de 13de of begin 14de eeuw gefunc­ti­o­neerd. Na de sloop van dit gebouw is het ter­rein opge­hoogd met een pak­ket grijs rivier­zand met een dik­te van 20 tot 50 cm (spoor 316)

Bij het hier­op vol­gen­de niveau (spoor 318) (0,80 NAP+) zijn geen dui­de­lij­ke gebouw­struc­tu­ren bekend. Bij dit niveau hoort een inge­gra­ven (as?)-pot (spoor 368, vnr 93). Het gaat om een rode gra­pe met haak­o­ren uit het eind van de 14de of begin 15de eeuw. Rond de pot lig­gen brok­ken bak­steen, het­geen sug­ge­reert dat ze bij een vloer­ni­veau hoort. Dit komt wel­licht over­een met een res­tant van een bak­ste­nen vloer. Met dit niveau kun­nen enke­le vond­sten wor­den geas­so­ci­eerd, waar­on­der een com­ple­te gra­pe met zoge­naam­de haak­o­ren (vnr. 37), die even­eens in de 14de eeuw geda­teerd moet wor­den.

Schaartje

Knijp­schaar­tje, gevon­den op het vloer­ni­veau van het hou­ten huis

Na dit niveau is het ter­rein weder­om iets opge­hoogd tot ca. 1,10–1,30m + NAP. Op deze hoog­te ligt weder­om een vloer­ni­veau dat door brand dui­de­lijk is aan­ge­tast. Ook bij dit niveau zijn geen dui­de­lij­ke gebouw­spo­ren aan­ge­trof­fen. Wel is er spra­ke van een haard, die wijst op de aan­we­zig­heid van een huis. Enke­le van de aan­ge­trof­fen struc­tu­ren heb­ben ver­moe­de­lijk gelijk­tij­dig met dit gebouw gefunc­ti­o­neerd. Een water­put (spoor 27) dateert uit de het eind van de 14de of begin 15de eeuw. De put was opge­bouwd uit een inge­gra­ven ton. Een kuil (spoor 324) snijdt door het loop­ni­veau heen en heeft moge­lijk nog gelijk­tij­dig, moge­lijk kort na het bij­be­ho­ren­de gebouw gefunc­ti­o­neerd Uit deze kuil komt aar­de­werk uit de twee­de helft van de 14de eeuw. Als jong­ste spoor kan spoor 194 wor­den gezien. Dit is een gro­te beer­kuil met vlecht­werk­wan­den. De vul­ling dateert uit de eer­ste helft van de 15de eeuw. Opval­lend is dat deze kuil ouder is dan het gro­te ste­nen huis uit de vol­gen­de fase maar dat men bij de bouw van dat huis wel reke­ning heeft gehou­den met de kuil. Er is over de kuil een grond­boog aan­ge­legd, ver­moe­de­lijk om ver­zak­kin­gen te voor­ko­men. Dit bete­kent dat de lig­ging van de kuil bekend was toen men de muur bouw­de of dat de kuil nog open lag. Het zelfs niet geheel uit­ge­slo­ten dat de kuil nog heeft gefunc­ti­o­neerd na de bouw van het huis.

Beerkuil met overkoepelende grondboog (spoor 194)

Beer­kuil met over­koe­pe­len­de grond­boog (spoor 194)

Op het noor­de­lijk deel van het ter­rein is een groot aan­tal kui­len aan­ge­trof­fen, die deels gevuld waren met mest. Opval­lend is dat de kui­len gegroe­peerd zijn in rij­en aan bei­de zij­den van het huis en deels ach­ter het huis. Het is dui­de­lijk dat de kui­len uit meer­de­re fasen bestaan maar het is niet moge­lijk kui­len aan een bepaal­de fase van het huis te kop­pe­len. De kui­len lij­ken, mede gezien hun lig­ging gelijk­tij­dig met de huis­plaats gefunc­ti­o­neerd te heb­ben. De func­tie van de kui­len is niet dui­de­lijk maar een (secun­dai­re?) func­tie als afvalkuil ligt het meest voor de hand. Enke­le kui­len bevat­ten mest en daar­naast aar­de­werk en bot­ma­te­ri­aal. Het mees­te mate­ri­aal is te date­ren in de 14de eeuw.

Zui­de­lijk deel
Ook in het zui­de­lij­ke deel van het ter­rein waren meer­de­re vloer­ni­veaus aan­we­zig. Door late­re ingra­vin­gen en ver­sto­rin­gen waren deze niveaus ech­ter moei­lijk te vol­gen en waren ze niet in alle pro­fie­len her­ken­baar. Opval­lend is dat de niveaus over het alge­meen lager lig­gen dan op het noor­de­lijk deel van het ter­rein. Dit heeft moge­lijk te maken met het feit dat de natuur­lij­ke onder­grond hier lager ligt. Het feit dat er een dui­de­lijk niveau­ver­schil tus­sen bei­de delen van het ter­rein her­ken­baar is kan een aan­wij­zing zijn voor een opde­ling in per­ce­len in deze vroe­ge peri­o­de. Dui­de­lij­ke hout­con­struc­ties die bij even­tu­e­le hui­zen horen zijn hier niet aan­ge­trof­fen.

Overzicht van de houtbouwfase op het zuiddeel van het terrein

Over­zicht van de hout­bouw­fa­se op het zuid­deel van het ter­rein

Wel zijn de res­tan­ten van enke­le bak­ste­nen stook­vloe­ren aan­ge­trof­fen het­geen erop wijst dat er spra­ke moet zijn geweest van meer­de­re elkaar opvol­gen­de hou­ten gebou­wen, ver­moe­de­lijk woon­hui­zen. Der­ge­lij­ke haar­den lagen meest­al cen­traal in het huis, in ieder geval niet langs de wand. De oud­ste haard (spoor 183) bestaat uit één laag bak­ste­nen waar­op een aslaag werd aangetroffen.18 De oor­spron­ke­lij­ke afme­tin­gen van de haard zijn niet bekend; de res­tan­ten maten onge­veer 1,0 x 1,0 meter. Bij deze haard hoort een vloer­ni­veau (spoor 477, 282) op 0,30–0,40 m -NAP. De aan deze haard te asso­ci­ë­ren vond­sten date­ren uit de peri­o­de 1300–1400. (vnr 173). Direct op het vori­ge vloer­ni­veau lag een vloer­ni­veau (spoor 470) met een twee­de haard­plaats (spoor 182). Ook deze haard bestond uit één laag bakstenen.19 De afme­tin­gen bedroe­gen mini­maal 0,88 m bij 0,70 m. Door dit vloer­ni­veau snijdt een kuil (spoor 476/489) met mate­ri­aal uit het begin van de 14de eeuw. Het vloer­ni­veau moet dus uit het eind van de 13de of begin 14de eeuw date­ren.

Een vol­gen­de haard­plaats ligt op onge­veer 0,00 m NAP (spoor 282). Het bij­be­ho­ren­de vloer­ni­veau was in het pro­fiel her­ken­baar. Na deze vloer is het ter­rein weder­om opge­hoogd tot onge­veer 0,30 m +NAP. Ook hier­bij hoort een haard (spoor 277). Bei­de jong­ste vloe­ren date­ren uit de 14de eeuw. Ook op dit deel van het ter­rein bevin­den zich veel kui­len.

Enkele mestkuilen (zoals spoor 437 505 507 en 508)

Enke­le mest­kui­len (zoals spoor 437, 505, 507 en 508)

Hier lij­ken de kui­len ech­ter gro­ter in omvang te zijn en strek­ken ze zich ver­der in wes­te­lij­ke rich­ting uit. De meest kui­len lig­gen ach­ter de hou­ten bebou­wing, dus dui­de­lijk op het ach­ter­ter­rein. Net als op het noor­de­lijk deel bestaan de kui­len uit meer­de­re fasen maar is het niet moge­lijk de kui­len te kop­pe­len aan bepaal­de vloer­ni­veaus. De func­tie van de kui­len is niet in alle geval­len dui­de­lijk. Opval­lend is dat ze gro­ter in omvang zijn dan op het buur­per­ceel. In een aan­tal geval­len gaat het dui­de­lijk om mest­kui­len. Enke­le zijn zeer diep en lij­ken gezien de gelaagd­heid gelei­de­lijk dicht te zijn geraakt. Eén van de kui­len was gevuld met orga­nisch mate­ri­aal, dat waar­schijn­lijk als dier­voer geïn­ter­pre­teerd kan wor­den. Een ande­re kuil bevat­te naast mest ook het com­ple­te ske­let van een var­ken. Of de groot­te van de kui­len gere­la­teerd kan wor­den aan de func­tie is niet dui­de­lijk. Naast mest bevat­te enke­le kui­len veel vondst­ma­te­ri­aal.

Varkensskelet bovenin spoor 197 gezien naar het noorden

Var­kens­ske­let boven­in spoor 197 gezien naar het noor­den

Aan­bren­gen van de per­ce­le­ring
Hoe­wel er aan­wij­zin­gen zijn dat al ten tij­de van de hou­ten hui­zen spra­ke was van een inde­ling in per­ce­len, wor­den bei­de ter­rein­de­len in ieder geval van­af het eind van de 14de eeuw door mid­del van een die­pe grep­pel van elkaar geschei­den. Deze grep­pel is aan­ge­trof­fen op de grens tus­sen per­ceel 2 en 3, op de plaats waar tot in het begin van de 20ste eeuw een per­ceels­grens heeft gelo­pen.
De smal­le grep­pel (spoor 404) was oost-west gericht. De kan­ten waren beschoeid met smal­le paal­tjes met daar­tus­sen vlecht­werk (spoor 405). Moge­lijk heeft tus­sen per­ceel 1 en 2 ook een der­ge­lij­ke grep­pel gelo­pen, maar deze is niet opge­gra­ven.

De ste­nen gebou­wen op per­ceel 1
Van­af het begin van de 15de eeuw, waar­schijn­lijk kort na het gra­ven van de per­ceels­grep­pel, wor­den op de drie per­ce­len ste­nen hui­zen neer­ge­zet (zie teke­ning). Over de bebou­wing van het meest noor­de­lij­ke per­ceel (per­ceel 1) is niet veel bekend aan­ge­zien daar­van slechts een smal­le strook is opge­gra­ven.

Overzicht van de steenbouwfase op het noorddeel van het terrein

Over­zicht van de steen­bouw­fa­se op het noord­deel van het ter­rein

Huis per­ceel 1
Van per­ceel 1 is maar een smal­le strook opge­gra­ven. Tus­sen per­ceel 1 en per­ceel 2 blijkt zich een steeg te bevin­den met daar­in diver­se goten. De zui­de­lij­ke zij­muur van het pand op per­ceel 1, dat grens aan de steeg is onder­zocht (spoor 33–34-134). Het gaat om de muur van een gebouw uit ver­moe­de­lijk de 15de eeuw. De muur is op fun­de­rings­ni­veau twee ste­nen dik. Spoor 34 is een ver­bre­ding van de muur aan de zij­de van de steeg. Het kan gaan om een steun­beer maar het is ook moge­lijk dat het een soort poer betreft. In het laat­ste geval zou het opgaan­de werk niet in bak­steen maar in vak­werk zijn uit­ge­voerd. Hier­voor zijn ver­der geen dui­de­lij­ke aan­wij­zin­gen. De zwaar­te van de muur doet ver­moe­den dat het een vol­le­dig bak­ste­nen gevel betreft. Het oud­ste bij dit huis horen­de maai­veld is niet dui­de­lijk maar ligt in ieder geval hoger dan 1,00 m +NAP. In het huis heb­ben later enke­le ver­bou­win­gen plaats gevon­den maar hier­over is gezien de gerin­ge arche­o­lo­gi­sche infor­ma­tie wei­nig te zeg­gen. Dui­de­lijk is dat er later in het pand een kel­der is aan­ge­bracht waar­van de zuid­muur (spoor 31–32) deels in spoor 33–34 is inge­hakt.

Steeg tus­sen per­ceel 1 en 2
Zoals reeds ver­meld bevindt zich tus­sen bei­de per­ce­len een steeg. Opval­lend is dat ter plaat­se van deze steeg een sprong zit in de rooi­lijn van de Krijt­straat. Het pand op per­ceel 1 loopt ver­der naar het oos­ten door dan dat op per­ceel 2. In de steeg lig­gen diver­se goten. De oud­ste komt uit de rich­ting van per­ceel 1 en mondt uit in een ton­put (spoor 41), die in de steeg is inge­gra­ven. De put bestaat uit twee op elkaar gesta­pel­de ton­nen van 94 cm hoog en een dia­me­ter van 60–75 cm. De hoe­pels bestaan uit wil­gen­te­nen. De onder­ste ton rust op een hou­ten ring, bestaan­de uit vier seg­men­ten, die met pen­nen en toog­na­gels aan elkaar zijn beves­tigd. De put heeft waar­schijn­lijk van­af het begin als beer­put gefunc­ti­o­neerd. De vul­ling bestond uit beer met erg wei­nig vondst­ma­te­ri­aal.

Complex van goten in de steeg tussen perceel 1 en 2 gezien naar het westen

Com­plex van goten in de steeg tus­sen per­ceel 1 en 2 gezien naar het wes­ten

Dit laat­ste is niet vreemd gezien het feit dat de toe­voer geschied­de door mid­del van een goot. De boven­ste lagen van de put waren, waar­schijn­lijk bij het bui­ten gebruik raken, gevuld met zand en puin. Hier­in bevond zich wat mate­ri­aal dat in de (eer­ste helft van de) 17de eeuw te date­ren is. De put lijkt dus ergens in de 17de eeuw gedept te zijn waar­na een vol­gen­de goot is aan­ge­legd, die van­af het ach­ter­ter­rein in de rich­ting van de straat afwa­ter­de (spoor 35). Deze goot bestaat uit een bodem van bak­steen, half­steens wan­den en bak­ste­nen dek­ste­nen. Ter plaat­se van de gedemp­te water­put mondt er een zij­goot in uit uit de rich­ting van per­ceel 1. De goot is op een gege­ven moment, waar­schijn­lijk in de 18de of begin 19de eeuw ver­van­gen door een der­de goot (spoor 36–143). Deze bestaat uit een bodem van pla­vui­zen en een half­steens zij­wand. De dek­sel is niet bewaard geble­ven. De goot lijkt in de rich­ting van het ach­ter­ter­rein af te wate­ren, maar dit is door ver­zak­kin­gen niet geheel dui­de­lijk.

De ste­nen gebou­wen op per­ceel 2

Gro­te School (15de eeuw)
Op per­ceel 2 is in de loop van de 15de eeuw een groot ste­nen huis gebouwd. Het gaat om een gebouw van 16 a 17 m lang en 8,5 m breed. De voor­ge­vel loopt iets schuin, met de rooi­lijn mee. Het is een zwaar uit­ge­voerd met muren van 50 cm dik (opgaand werk). De fun­de­ring ver­snijdt tot een breed­te van 1 a 1,2 m.

Vlechtwerkput spoor 194 waar overheen bij de bouw van de Grote School een grondboog is gemetseld gezien naar het zuiden

Vlecht­werk­put spoor 194 waar over­heen bij de bouw van de Gro­te School een grond­boog is gemet­seld gezien naar het zui­den

Aan de zuid­west­zij­de in de fun­de­ring een grond­boog opge­no­men, ter over­span­ning van beer­kuil spoor 194. Deze beer­kuil moet kort voor de bouw van het huis zijn aan­ge­legd en heeft daar­na moge­lijk nog eni­ge tijd gefunc­ti­o­neerd. De wan­den van de kuil zijn bekleed met vlecht­werk. Het geheel heeft een maxi­ma­le dia­me­ter van 2,40 m en een diep­te van mini­maal 1,00 m. De vul­ling bestaat uit beer met een gerin­ge hoe­veel­heid aar­de­werk uit de eer­ste helft van de 15de eeuw. Van de oor­spron­ke­lij­ke vloer van het gebouw zijn door late­re ver­sto­rin­gen geen dui­de­lij­ke res­tan­ten terug­ge­von­den. Gezien de hoog­te van de boven­ste ver­snij­ding moet deze vloer onge­veer op 1,30 m +NAP gele­gen heb­ben. Op deze hoog­te (tus­sen 1,25 m +NAP en 1,45 m +) zijn wel­is­waar enke­le vloe­ren aan­ge­trof­fen, maar die lij­ken gezien de steen­for­ma­ten, niet uit de 15de eeuw te date­ren. Door de late­re ver­sto­rin­gen valt er over de inde­ling van het gebouw niets te zeg­gen. Zoals reeds ver­meld grenst het huis aan de noord­zij­de aan de steeg. Aan de zuid­zij­de bevindt zich even­eens een open ruim­te tus­sen dit en het buur­per­ceel, dat ook als een soort steeg gefunc­ti­o­neerd lijkt te heb­ben. Aan de straat­zij­de loopt paral­lel aan de voor­ge­vel op onge­veer 1,5 m afstand een muur (spoor 355). De func­tie hier­van is niet dui­de­lijk, maar het zou kun­nen gaan om een tuin­muur. In dat geval heeft het betref­fen­de gebouw geheel vrij gestaan op een groot per­ceel.

Late­re ver­bou­win­gen (15de-18de eeuw)
In de 15de of 16de eeuw is ach­ter het ste­nen gebouw een gro­te ste­nen ommu­ring neer­ge­zet (spoor 265, 278, 395,171 en 173). Aan­ge­zien gro­te delen ver­stoord of uit­ge­bro­ken waren is de plat­te­grond niet goed te recon­stru­e­ren. Het lijkt te gaan om een ommuur­de ruim­te van ca. 12 m breed en mini­maal 17 m lang. Ze sluit direct aan op het huis. Aan­ge­zien de ruim­te erg groot is en er geen pri­mai­re bin­nen­mu­ren zijn aan­ge­trof­fen bestaat het ver­moe­den dat het hier gaat om een ommuur­de bin­nen­plaats of tuin. Opval­lend zijn drie ron­de fun­de­rin­gen van kolom­men (spoor 272, 284 en 285) die op een afstand van ca 2,5 m van de bui­ten­mu­ren zijn aan­ge­trof­fen.

Kolom (spoor 284) van de galerij op het achterterrein van de Grote School gezien naar het oosten

Kolom (spoor 284) van de gale­rij op het ach­ter­ter­rein van de Gro­te School gezien naar het oos­ten

Ze bestaan deels uit bij­ge­hak­te secun­dair gebruik­te bak­ste­nen. Het lijkt te gaan om de kolom­men van een gale­rij rond de bin­nen­plaats De zuid­muur van de bin­nen­plaats komt ver­moe­de­lijk over­een met de per­ceel­grens tus­sen per­ceel 2 en 3. Hier stond een tuin­muur waar­van een aan­zet (spoor 162) is terug­ge­von­den. Deze per­ceels­grens loopt door tot aan de Krijt­straat. Er is daar­door een ruim­te ont­staan tus­sen het 15de eeuw­se ste­nen huis en het buur­per­ceel. Het lijkt erop dat deze zone tege­lijk met de bouw van de bin­nen­plaats in de leng­te in twee delen is opge­splitst. Hoe we ons dit moe­ten voor­stel­len is niet geheel dui­de­lijk maar waar­schijn­lijk bevond zich tegen het buur­per­ceel een lang smal gebouw.

Onder dit gebouw is een gro­te beer­put aan­ge­legd (spoor 39). De vond­sten hier­uit date­ren tus­sen het begin van de 15de en het begin van de 17de eeuw met de nadruk op de twee­de helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw. De beer­put was een zoge­naam­de nat­te beer­put. Dit bete­kent dat er per­ma­nent water in stond en de vul­lin­gen een soort prut vorm­de waar­in alle zwa­re voor­wer­pen naar de bodem zak­ten. Er is daar­door geen stra­ti­gra­fie her­ken­baar in de put.

Beerput (spoor 39) gezien naar het zuiden. Een restant van de stortkoker is bovenaan zichtbaar.

Beer­put (spoor 39) gezien naar het zui­den. Een res­tant van de stort­ko­ker is boven­aan zicht­baar.

De vond­sten uit de put vor­men ech­ter een belang­rij­ke bron voor de func­tie van het gebouw en zul­len hier­on­der apart behan­deld wor­den. In het lang­wer­pi­ge gebouw was dus waar­schijn­lijk onder meer de plee onder­ge­bracht. Over de ver­de­re inde­ling van het ter­rein zijn niet zoveel arche­o­lo­gisch aan­wij­zin­gen.

Tegen het eind van de 15de eeuw is er op dit per­ceel dus spra­ke van een groot hoofd­ge­bouw aan de Krijt­straat met daar­ach­ter een gro­te bin­nen­plaats met zui­len­ga­le­rij. Deze bin­nen­plaats is toe­gan­ke­lijk via een steeg ten zui­den van het hoofd­ge­bouw. Aan deze steeg lag ook een plee, die loos­de op een beer­put onder de steeg.

Door ver­sto­rin­gen is er niet veel bekend over de late­re fasen van het com­plex. Alleen ter plaats van de pleeg­ebou­wen zijn enke­le late­re fases her­kend. In deze zone zijn in de loop van de 18de eeuw of begin 19de eeuw goten aan­ge­legd, waar­op een plee loos­de. Deze bevond zich in de noord­west­hoek van het bij­ge­bouw en had een merk­waar­di­ge con­struc­tie. Op het uit­ein­de van de goot was een giet­ij­ze­ren pan inge­met­seld. Waar­schijn­lijk zat hier­bo­ven een toi­let­pot o.i.d. en func­ti­o­neer­de de pan als een soort pri­mi­tief water­slot. Een twee­tal ver­ge­lijk­ba­re con­struc­ties bevond zich ook op per­ceel 3. Op de goot mond­de nog een zij­goot uit van­af per­ceel 3. Aan­ge­zien de gro­te beer­put al bui­ten gebruik was loos­den de goten waar­schijn­lijk op een riool onder de Krijt­straat.

Systeem van goten uit de 17de tot 19de eeuw op het zuiddeel van perceel 2 gezien naar het westen.

Sys­teem van goten uit de 17de tot 19de eeuw op het zuid­deel van per­ceel 2 gezien naar het wes­ten.

Lage­re school eind 19de eeuw
Aan het eind van de 19de eeuw wer­den alle oude gebou­wen afge­bro­ken en ver­van­gen door een nieuw com­plex voor een lage­re school. Deze bebou­wing is samen met late­re uit­brei­din­gen en ver­bou­win­gen onlangs gesloopt. Bij de bouw van de 19de eeuw­se school heeft men geen gebruik gemaakt van de oude fun­da­men­ten. Wel komt het bouw­vo­lu­me onge­veer over­een met de oude gebou­wen. De fun­de­rin­gen zijn erg diep aan­ge­legd en heb­ben een bre­de insteek. Hier­door zijn veel oude fun­de­rin­gen gro­ten­deels ver­dwe­nen.

De ste­nen gebou­wen op per­ceel 3

Steen­bouw­fa­se 1 (eind 14de eeuw)
Na de hout­bouw­fa­se vindt aan het eind van de 14de eeuw weder­om een opho­ging plaats tot onge­veer 0,40 m +NAP. Ver­vol­gens wordt er een ste­nen huis gebouwd waar­van alleen de noord­west hoek is terug­ge­von­den (spoor 139, 279). Het gaat om een fun­de­ring met ver­snij­din­gen. Het opgaan­de werk is steens dik. Ten gevol­ge van ver­sto­rin­gen door late­re gebou­wen op dit per­ceel is er van de rest van het pand niets bewaard geble­ven en is het dus niet dui­de­lijk wat de afme­tin­gen waren van het gebouw.

Overzicht van de steenbouwfase op het zuiddeel van het terrein.

Over­zicht van de steen­bouw­fa­se op het zuid­deel van het ter­rein.

De voor­ge­vel lag ver­moe­de­lijk op dezelf­de plaats als de hui­di­ge rooi­lijn. In dat geval was het pand ruim 10 m diep. Er is een vloer­ni­veau aan­ge­trof­fen op onge­veer 0,40 m +NAP, dat bij dezelf­de fase hoort (spoor 448). Dit niveau is plaat­se­lijk inge­brand. Het ligt ech­ter bui­ten het ste­nen gebouw en het is moge­lijk dat er ach­ter het ste­nen gebouw nog een hou­ten deel aan­we­zig is geweest. Hier­van zijn ech­ter geen spo­ren terug gevon­den. Op 3,6 m ten wes­ten van (ach­ter) het ste­nen gebouw bevond zich een noord-zuid lopen­de (naar het zui­den afwa­te­ren­de) goot (spoor 140). Het is niet dui­de­lijk waar van­daan deze goot liep maar de aan­we­zig­heid van een der­ge­lij­ke onder­grond­se infra­struc­tuur kan erop wij­zen dat het ter­rein inten­sief gebruikt of geheel bebouwd was.

Steen­bouw­fa­se 2 (‘Huis van Arkel’) ca 1400
Waar­schijn­lijk rond 1400 AD werd op per­ceel 3 een groot huis gebouwd (zie teke­ning). Het gaat om een breed en rela­tief ondiep gebouw aan de Krijt­straat van 15 m bij 7,5 m. Door de aan­we­zig­heid van een hoog­span­nings­ge­bouw­tje kon de noord­ge­vel niet wor­den opge­gra­ven. Het huis was zeer zwaar gefun­deerd. De onder­zij­de van de fun­de­ring was plaat­se­lijk ruim 1,7 m breed en rust­te op lagen lig­gen­de elzen­hou­ten bal­ken, die kruis­lings geplaatst waren.

 Fundering met de onderliggende elzenhouten balken

Fun­de­ring met de onder­lig­gen­de elzen­hou­ten bal­ken

De fun­de­ring ging door mid­del van een groot aan­tal ver­snij­din­gen over in opgaand werk van ca 0,60 m (2 ste­nen) breed.22 In de zuid­oost hoek kon wor­den vast­ge­steld dat er bij de bouw in fases is gewerkt. De zuid­ge­vel is eer­der gebouwd dan de west­ge­vel, waar­bij in de zuid­ge­vel reeds een aan­zet voor de west­ge­vel is gemet­seld in de vorm van een staan­de tand. In het gebouw was ver­moe­de­lijk oor­spron­ke­lijk een kel­der aan­ge­bracht. Het vloer­ni­veau hier­van lag op onge­veer 0,05 – 0,15 m + NAP. De vloer bestond uit bak­ste­nen, gelegd in keper­ver­band (spoor 138).

De vloer gelegd in keperverband (spoor 138).

De vloer gelegd in keper­ver­band (spoor 138).

Bak­steen­for­maat 28,2/29,7 x 13,5/14,3 x 6,2/6,8. In de west­muur is een pri­mai­re uit­spa­ring aan­ge­trof­fen waar­in ver­moe­de­lijk een ver­ti­ca­le balk heeft geze­ten. Het gaat hier dan om een muur­stijl van de hou­ten zol­de­ring van de kel­der. Er was dus geen gewelf aan­we­zig. Het lijkt erop dat de kel­der niet over de tota­le breed­te van het pand aan­we­zig was. In het noor­de­lijk deel is name­lijk geen kel­der aan­ge­trof­fen. Hier lag op 0,90 m +NAP even­eens een bak­ste­nen vloer in keper­ver­band (spoor 88). Deze vloer lijkt qua uiter­lijk als qua steen­for­maat zoveel op de kel­der­vloer dat ze onge­veer gelijk­tij­dig moet zijn. In dat geval besloeg de kel­der onge­veer 1/3 van het huis. De kel­der­muur uit deze fase is niet aan­ge­trof­fen maar lag ver­moe­de­lijk onge­veer op dezelf­de plaats als in de vol­gen­de fase. Gezien de rela­tief ondie­pe kel­der moet het bij­be­ho­ren­de deel van de bega­ne grond boven het straat niveau heb­ben uit­ge­sto­ken. Daar­door ont­stond een opka­mer of wel­licht een soort bel-eta­ge. Ver­moe­de­lijk in dezelf­de peri­o­de als het hoofd­ge­bouw aan de straat is op het ach­ter­ter­rein een beer­put aan­ge­legd (spoor 190–191-135). De vul­ling hier­van was door late­re wij­zi­gin­gen niet meer aan­we­zig.

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 64) van de gang achter het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Aan­zicht van de bui­ten­zij­de van de fun­de­ring (spoor 64) van de gang ach­ter het Huis van Arkel gezien naar het zui­den

Ver­bou­win­gen 15de-17de eeuw
Tus­sen het hoofd­ge­bouw aan de straat en de beer­put werd in de 15de eeuw een ver­bin­dings­vleu­gel of gang aan­ge­bracht. De noord­muur hier­van (spoor 64) is opge­gra­ven. Aan de bin­nen­zij­de bevon­den zich penan­ten, die ver­moe­de­lijk samen han­gen met een ste­nen gewelf. De zuid­muur van de gang is niet opge­gra­ven maar bevond zich ver­moe­de­lijk in dezelf­de lijn als de zuid­muur van het hoofd­ge­bouw en de beer­put. De vloer in de gang lag op ca. 0,5–0,6 m +NAP en was oor­spron­ke­lijk van leem. Zoals gezegd lag ach­ter de gang een beer­put. Het is waar­schijn­lijk dat de gang onder meer toe­gang gaf tot een plee ruim­te boven de beer­put. Bij de bouw van de gang is de beer­put ver­bouwd (spoor 203). Uit de vul­ling van deze put komt vondst­ma­te­ri­aal uit de twee­de helft van de 16de eeuw en moge­lijk nog begin 17de eeuw.

Beerput (spoor 203) na het leegmaken gezien naar het zuiden.

Beer­put (spoor 203) na het leeg­ma­ken gezien naar het zui­den.

In de loop van de 16de eeuw is de vloer van de kel­der in het hoofd­ge­bouw opge­hoogd tot 0,50–0,60 m +NAP. Tege­lij­ker­tijd is een bin­nen­muur (spoor 90) aan­ge­bracht, die de kel­der van de rest van het pand scheid­de. Deze muur lag op dezelf­de plaats als de zij­muur van de eer­de­re fase van de kel­der. De nieuw vloer was oor­spron­ke­lijk van leem maar werd snel ver­van­gen door een pla­vui­zen­vloer. In de zuid­oost­hoek van de kel­der is bij die gele­gen­heid een ton­put­je aan­ge­legd (spoor 44). De vul­ling bevat­te ech­ter ook een hoe­veel­heid beer­ach­tig mate­ri­aal en scher­ven uit het mid­den van de 17de eeuw (vondst­num­mer 58). Hoe­wel de vul­ling een func­tie als beer­put sug­ge­reert is ze daar­voor erg klein. Een schrob­put­je voor de kel­der­vloer ligt meer voor de hand. Voor de aan­leg van de put is een deel van de ver­snij­din­gen van de fun­de­ring weg­ge­bro­ken. Gezien de hoog­te van de vloer is het niet dui­de­lijk of er in deze peri­o­de nog spra­ke was van een kel­der of dat de vloer gelijk met het straat­peil lag. De bij­be­ho­ren­de vloe­ren in de gang ach­ter het huis lig­gen in ieder geval onge­veer op dezelf­de hoog­te. Van­uit het hoofd­ge­bouw was de gang toe­gan­ke­lijk door mid­del van een deur, die secun­dair in de west­ge­vel was aan­ge­bracht (spoor 200) Ten noor­den van de gang lag een open ter­rein en een twee­de aan­bouw ach­ter de hoofd­vleu­gel (spoor 238, 269). Deze aan­bouw was onge­veer vier­kant: 5,5 x 5,5 m.

Bij de bouw hier­van (spoor 269) werd door mid­del van een grond­boog en een bal­ken­con­struc­tie reke­ning gehou­den met een reeds bestaan­de bak met vlecht­werk beschoei­ing (spoor 214). De situ­a­tie is ver­ge­lijk­baar met de bouw van het noor­de­lij­ke buur­pand. Ook hier heeft de vlecht­werk­bak tot kort voor de bouw als beer­put gediend. De dia­me­ter bedroeg maxi­maal 1,80 m en de diep­te was ca. 1,30 m onder de onder­kant van de fun­de­ring. De inhoud bestond uit beer en een rela­tief gerin­ge hoe­veel­heid aar­de­werk uit de twee­de helft van de 15de eeuw. Er zijn geen aan­wij­zin­gen dat de bak na het bou­wen van de muur nog gefunc­ti­o­neerd heeft. Het vloer­ni­veau in de betref­fen­de uit­bouw is niet bewaard geble­ven maar lag ver­moe­de­lijk op ca. 1,20 m +. Van een even­tu­e­le bin­nen inde­ling was niets meer bewaard geble­ven.

Ronde constructie (spoor 50) achter het Huis van Arkel gezien naar het oosten.

Ron­de con­struc­tie (spoor 50) ach­ter het Huis van Arkel gezien naar het oos­ten.

In een vol­gen­de fase, waar­schijn­lijk in de twee­de helft van de 16de eeuw is hal­ver­we­ge de gang en de aan­bouw een ron­de gemet­sel­de con­struc­tie gebouwd met een dia­me­ter van onge­veer 2,50 m (spoor 50). Het gaat om een mas­sie­ve bak­ste­nen fun­de­ring van enke­le lagen dik, die koud tegen de ach­ter­ge­vel aan is gemet­seld. De con­struc­tie is niet erg diep gefun­deerd, maar wel mas­sief. De func­tie is voor­lo­pig niet bekend. Aan­van­ke­lijk werd gedacht aan een trap­to­ren maar de ondie­pe fun­de­ring lijkt hier­voor wat te licht. Moge­lijk was er alleen een trap nodig om slechts één niveau te over­brug­gen, maar hier­van zijn geen paral­lel­len bekend. Een func­tie als oven is gezien de con­struc­tie, lig­ging en het ont­bre­ken van brand­spo­ren ook niet waar­schijn­lijk.

Aanzicht van de buitenzijde van de fundering (spoor 48) van het Huis van Arkel

Aan­zicht van de bui­ten­zij­de van de fun­de­ring (spoor 48) van het Huis van Arkel

De ruim­te tus­sen de ron­de fun­de­ring en de gang is tege­lij­ker­tijd voor­zien van een muur, waar­door een dwars­gang ont­stond (spoor 49). Daar­bij is in de oude gang­muur (spoor 64) een door­gang gemaakt (spoor 192). Het vloer­ni­veau in deze gang lag op onge­veer 1,00 m +NAP. In de ach­ter­ge­vel van de hoofd­vleu­gel bevond zich even­eens een door­gang. De vloer in de dwars­gang lag ech­ter onge­veer 40 cm hoger dan in de hoofd­vleu­gel en daar­om is in de hoofd­vleu­gel een klein trap­pe­tje aan­ge­legd van twee tre­den (spoor 136). De tre­den waren voor­zien van een rol­laag. Aan de zij­kan­ten van de tre­den was een bij­zon­de­re con­struc­tie her­ken­baar. Om de rol­laag bij elkaar te hou­den was in de tre­de een soort ijze­ren kram aan­ge­bracht, die aan de zij­kant was omge­bo­gen. Deze kram voor­kwam dat de ste­nen van de rol­laag los zou­den raken.

Trapje (spoor 136) naar de kelder voorzien van rollagen en verstevigd met ijzeren krammen gezien naar het zuiden.

Trap­je (spoor 136) naar de kel­der voor­zien van rol­la­gen en ver­ste­vigd met ijze­ren kram­men gezien naar het zui­den.

Tus­sen de ron­de fun­de­ring en de vier­kan­te aan­bouw bevond zich een beer­kel­der (spoor 270). De vul­ling van deze kel­der dateert uit het eind van de 16de en de eer­ste helft van de 17de eeuw en bevat­te zeer rijk vondst­ma­te­ri­aal. Het gaat om een gro­te hoe­veel­heid glas waar­on­der veel ‘façon de Veni­se’ fluit­gla­zen, roe­mers, ijs­glas en kome­ten­be­kers. Opval­lend is de gerin­ge hoe­veel­heid aar­de­werk en de aan­we­zig­heid van enke­le hou­ten tel­jo­ren. Een vluch­ti­ge ana­ly­se van het com­plex lijkt erop te dui­den dat voor­na­me­lijk tafel­ge­rei in de put terecht is geko­men. Dit kan erop dui­den dat in de nabij­heid van de put een repre­sen­ta­tie­ve ruim­te lag, zoals de gro­te zaal in de hoofd­vleu­gel en dat keu­ken elders in het com­plex was onder gebracht. Op het eind van de gang, tegen de ach­ter­ge­vel van de hoofd­vleu­gel werd even­eens een ron­de fun­de­ring aan­ge­bracht (spoor 52), die wel wat lijkt op de hier­bo­ven beschre­ven ron­de fun­de­ring ver­der naar het noor­den. Hier gaat het moge­lijk om de fun­de­ring van een klei­ne trap om een gering hoog­te­ver­schil te over­brug­gen. Van­uit de gang wer­den in deze fase enke­le door­gan­gen naar het ach­ter­ter­rein gemaakt.

Er zijn aan­wij­zin­gen dat het oos­te­lijk deel van het ach­ter­ter­rein van de rest was afge­schei­den. Het kan zijn dat dit is gebeurd door een enke­le muur (spoor 268) maar wel­licht is er spra­ke van een gang, die tot aan de noor­de­lij­ke tuin­muur heeft gelo­pen. De bij­be­ho­ren­de muur (spoor 161) dateert uit de 17de eeuw, maar door late­re ver­sto­rin­gen kon niet wor­den vast­ge­steld of alle muren, die de gang vorm­den gelijk­tij­dig waren en door­lo­pen tot aan de oude­re achtervleugel.28 Het ach­ter­ter­rein was door mid­del van een tuin­muur van het noor­de­lij­ke buur­pand afge­schei­den. Het gaat hier om een 17de eeuw­se muur, die de opvol­ger is van oude­re tuin­mu­ren en een per­ceel­grep­pel. Deze per­ceel­grens is tot in de 19de eeuw gehand­haafd geble­ven. Voor zover vast­ge­steld kon wor­den was in wes­te­lij­ke rich­ting geen bebou­wing meer aan­we­zig tot aan de Struis­vo­gel­straat. Er is dus spra­ke van een gro­te tuin tot aan de Struis­vo­gel­straat.

Door late­re graaf­ac­ti­vi­tei­ten zijn de mees­te vloe­ren e.d. uit de 17de en 18de eeuw ver­stoord. Dui­de­lijk is dat de vloer in het hoofd­ge­bouw nog een der­de maal is opge­hoogd tot een niveau van onge­veer 0,90–1,10 m +NAP. Daar­mee lagen de vloe­ren in zowel het hoofd­ge­bouw als de ach­ter­vleu­gels gelijk. Er lijkt dan geen spra­ke meer te zijn van een kel­der. De bebou­wing bestaan­de uit een hoofd­vleu­gel aan de straat met twee ach­ter­vleu­gels is tot in de 19de eeuw bewaard is geble­ven.

Com­plex goten­sys­teem­In de 17de eeuw wordt op het ach­ter­ter­rein een nieu­we beer­put aan­ge­legd (spoor 236). Een com­plex goten­sys­teem water­de hier­op af. Er is ook een stuk­je vloer of bestra­ting aan­ge­trof­fen dat moge­lijk behoort heeft tot een bij­ge­bouw, pleeg­ebouw? Opval­lend is dat de goten deels bedekt waren met bak­ste­nen maar deels ook beston­den uit open molg­o­ten. Uit put 236 (vondst­num­mer 319 en 328) komt rela­tief wei­nig maar wel erg bij­zon­der vondst­ma­te­ri­aal. De date­ring ligt in de peri­o­de ca. 1600–1675. Op het oos­te­lij­ke deel van het ach­ter­ter­rein is in de 17de eeuw een water­put aan­ge­legd (spoor 95). De put was erg diep; de onder­kant is niet bereikt maar lag die­per dan 3,40 m -NAP. Het onder­ste deel bestond uit één of moge­lijk twee gesta­pel­de ton­nen. Hier­op lag een kar­ren­wiel, waar­van de spa­ken ver­wij­derd waren. Dit vorm­de op zijn beurt de fun­de­ring voor een bak­ste­nen put­ring. Uit de vul­ling kwam helaas geen goed dateer­baar vondst­ma­te­ri­aal maar de aan­we­zig­heid van ijs­sel­ste­nen dui­den op een dem­ping na de 16de eeuw.

Waterkelder (spoor 65) achter de opvolger van het Huis van Arkel gezien naar het zuiden

Water­kel­der (spoor 65) ach­ter de opvol­ger van het Huis van Arkel gezien naar het zui­den

Steen­bouw­fa­se 3 (mid­den 19de eeuw)
In de loop van de 19de eeuw is het com­plex opge­deeld in twee per­ce­len, waar­bij gro­te delen zijn gesloopt of ingrij­pend ver­bouwd. Het zui­de­lij­ke pand was onge­veer 12 meter diep en 7,5 m breed. Het leek qua opzet sterk op dat van het nog bestaan­de zui­de­lij­ke buur­pand. In het voor­huis bevond zich een die­pe kel­der. Op het ach­ter­ter­rein lag een smal­le aan­bouw, waar­in ver­moe­de­lijk de keu­ken was onder­ge­bracht. Er zijn hier ook res­ten aan­ge­trof­fen van een kolen­hok en een plee. Opval­lend was dat bij de plee een con­struc­tie was toe­ge­past, die ver­ge­lijk­baar was met die van het buur­pand. Een inge­met­sel­de giet­ij­ze­ren pot op het ein­de van een afvoer­goot dien­de ver­moe­de­lijk als een soort water­slot. Een com­plex van goten en zorg­de voor de afvoer van riool­wa­ter. Aan­van­ke­lijk lie­pen de goten ver­moe­de­lijk in zui­de­lij­ke rich­ting naar een beer­put? op het zui­de­lij­ke per­ceel. Later is het goten­sys­teem ver­legd, waar­na het naar een riool onder de Krijt­straat afwa­ter­de. Onder de ach­ter aan­bouw bevond zich ook een gro­te water­kel­der, waar­in regen­wa­ter opge­van­gen kon wor­den.

Molensteen (spoor 47) als deksel voor een waterput gezien naar het noordoosten.

Molen­steen (spoor 47) als dek­sel voor een water­put gezien naar het noord­oos­ten.

De wan­den en bodem hier­van waren door het gebruik van zeer har­de spe­cie en meer­de­re lagen hard gebak­ken bak­ste­nen en pla­vui­zen water­dicht gemaakt. Op het ach­ter­ter­rein lag ook een water­put waar­op een pomp aan­ge­slo­ten had geze­ten. De put was afge­dekt door mid­del van een her­ge­bruik­te molen­steen. Opval­lend was een huis­merk dat op deze steen was aan­ge­bracht waar­in de ini­ti­a­len ‘AVB’ gele­zen kun­nen wor­den. De put stond tij­dens het onder­zoek nog vol water en was zeer diep (mini­maal 8 m!). De gebou­wen waar­bij deze con­struc­ties hoor­den zijn kort voor de aan­vang van de opgra­ving afge­bro­ken.

Vondst­com­plexen en los­se vond­sten
Tij­dens het onder­zoek is een gro­te hoe­veel­heid vondst­ma­te­ri­aal gebor­gen. Dit is deels afkom­stig uit opho­ging­sla­gen en late­re ver­sto­rin­gen, deels uit geslo­ten vondst­com­plexen als kui­len en beer­put­ten. Met name uit de die­per gele­gen vondst­com­plexen komt ook een gro­te hoe­veel­heid orga­nisch mate­ri­aal van hout en leer. Het is hier niet moge­lijk een uit­put­tend over­zicht te geven van het vondst­ma­te­ri­aal. Afge­zien van de mees­te beer­put­ten, is alle aar­de­werk beke­ken en gede­ter­mi­neerd door G. van den Berg. De ove­ri­ge vondst­ca­te­go­rie­ën zijn aan een quicks­can onder­wor­pen en gede­ter­mi­neerd door R. van Gena­beek, voor zover ze beschik­baar en her­ken­baar waren. Hier­on­der zul­len enke­le gro­te­re of opval­len­de vondst­com­plexen beschre­ven wor­den en zal het ove­ri­ge vondst­ma­te­ri­aal the­ma­tisch wor­den behan­deld.

Mest­kui­len uit de 14de eeuw
In de 14de eeuw ver­spreid over het ter­rein een groot aan­tal kui­len gegra­ven. Hier­in werd, naast dier­lij­ke (?) mest ook ander afval gede­po­neerd. Gezien de gefrag­men­teerd­heid van het mate­ri­aal gaat het hier niet om een pri­mai­re afval­dump maar eer­der om ver­za­meld en gede­po­neerd zwerf­vuil. Door de humeu­ze vul­ling zijn met name metaal­vond­sten in de kui­len goed gecon­ser­veerd. Opval­lend is dat rela­tief veel ijze­ren gereed­schap in de kui­len terecht is geko­men. De mees­te vond­sten komen uit kui­len op het zui­de­lij­ke deel. Met name spoor 196, 455, 503 en 507 lever­de een groot aan­tal vond­sten op. Het vondst­ma­te­ri­aal is te date­ren in de peri­o­de ca. 1300–1425.

Dolk, ijzer deels vertind, 14de eeuw

Dolk, ijzer met ver­tin­de pareer­stang, 14de eeuw

Spoor 196 is een gro­te ron­de kuil gevuld met mest. De vul­ling is in fasen tot stand geko­men. Opval­len­de vond­sten zijn onder ande­re een gro­te dolk, een drie­tal hoef­ij­zers een hou­ten schop­steel en een trof­fel. De dolk is een fraai exem­plaar met pareer­stang en res­ten van een hou­ten gevest. Een ver­ge­lijk­ba­re dolk is in Lei­den gevon­den en dateert uit de 14de eeuw. (Suur­mond van Leeu­wen 1980 p.30) Zowel de dolk als de hoef­ij­zers kun­nen een aan­wij­zing zijn dat het ter­rein geen zui­ver agra­ri­sche func­tie had maar gere­la­teerd was aan het Huis van Arkel.

Spoor 197 is een klei­ne kuil vlak bij spoor 196. De vul­ling bestond gro­ten­deels uit mest, maar boven­in lag het com­ple­te ske­let van een var­ken. Spoor 455 is een gro­te vier­kan­te mest­kuil met meer­de­re vul­ling­sla­gen. Opval­len­de vond­sten zijn een trech­ter­be­ker, lood­strips van glas-in-lood­ra­men, een bel­le­tje, enke­le ges­pen en een zil­ve­ren ring. De trech­ter­be­ker (type S1-tre-2) is afkom­stig uit Sieg­burg en ver­sierd met een vijf­tal appli­ques in de vorm van een gezicht. Het zijn een soort mini­a­tuur baard­man­mas­kers. De beker is te date­ren aan het eind van de 14de of begin 15de eeuw. De lood­strips zijn een aan­wij­zing voor gla­zen ven­sters in de toen nog hou­ten gebou­wen. De zil­ve­ren ring heeft een glad­de bui­ten­zij­de waar­in enke­le (fan­ta­sie?) let­ters en een ster gegra­veerd zijn.

Fragment maliënkolder of handschoen

Frag­ment mali­ën­kol­der of mali­ën­hand­schoen

Spoor 503 is een zeer gro­te mest­kuil en ligt ver­der van de Krijt­straat af dan de vori­ge kui­len. Gezien het vondst­ma­te­ri­aal heeft deze kuil nog tot in de 15de eeuw gefunc­ti­o­neerd. Opval­len­de vond­sten zijn een fraai ver­sier­de leren mes­sche­de, een slot van waar­schijn­lijk een kist, een ijze­ren kaar­sen­hou­der en een vijf­tal speld­jes van een tin/loodlegering. De mes­sche­de is ver­sierd met een inge­sne­den plant­aar­dig motief. Onder de speld­jes bevindt zich een zoge­naam­de bus­te-insig­ne en een munt­speld.

Spoor 507 is een vol­gen­de gro­te mest­kuil, nog iets ver­der van de Krijt­straat ver­wij­derd. Opval­len­de vond­sten zijn een snor­re­bot, een ver­sier­de mes­sche­de en een frag­ment van een lepel­boor. De mes­sche­de is voor­zien van mes­sing beslag en ver­sierd met een gestem­peld ruit­pa­troon. De date­ring ligt ook hier in de 14de of begin 15de eeuw.

Zwaardpommel, messing, 1275-1450

Zwaard­pom­mel, mes­sing, 1275–1450

Spoor 508 ligt nog ver­der naar het wes­ten. In dit deel van de opgra­ving slui­ten de de mest­kui­len vrij­wel op elkaar aan. Uit deze kuil komt rela­tief wei­nig aar­de­werk. De meest bij­zon­de­re vondst is een zoge­naam­de zwaard­pom­mel: een ron­de beëin­di­ging van een zwaard­ge­vest. Het gaat om een type dat in Enge­land ‘wheel-pom­mer’ wordt genoemd. Dit type is gang­baar tus­sen onge­veer 1275 en 1450 (Lon­den Muse­um Medie­val Cata­lo­gue 1940 p.21–38).

Beer­kui­len
Naast de kui­len voor dier­lij­ke mest lagen op het ter­rein aan het eind van de 14de of begin 15de eeuw enke­le kui­len, die gevuld waren met men­se­lij­ke mest (spoor 194 en 214). Bei­de kui­len had­den wan­den, die waren afge­zet met vlecht­werk. Dit wijst er moge­lijk op dat ze gedu­ren­de lan­ge tijd open heb­ben gele­gen. Ver­moe­de­lijk heeft er boven de kui­len een con­struc­tie gestaan, waar­in de plee was onder­ge­bracht. De kui­len bevat­te rela­tief wei­nig aar­de­werk, waar­bij het lijkt te gaan om secun­dair in de kuil gewor­pen afval. Gezien de vond­sten heb­ben bei­de kui­len nog in de 15de eeuw gefunc­ti­o­neerd.

Beer­put­ten
Met het ver­schij­nen van de steen­bouw in het begin van de 15de eeuw wor­den ook de eer­ste ste­nen beer­put­ten aan­ge­legd. De oud­ste beer­put, die hoor­de bij de oud­ste fase van het huis van de heren van Arkel was door late­re ver­bou­win­gen geheel geleegd. Tij­dens de opgra­ving is een vijf­tal beer­put­ten onder­zocht: één op het ter­rein van de (Latijn­se) School (spoor 39) en vier op het ter­rein van de Arkels (spoor 203, 270, 236 en 482). Spoor 482 bevat­te geen vondst­ma­te­ri­aal.

Ver­re­weg het groot­ste vondst­com­plex betreft een gro­te ron­de beer­put naast de Latijn­se School (spoor 39). Naast een gro­te hoe­veel­heid aar­de­werk lever­de deze put ook tal van vond­sten op van hout, metaal, leer, tex­tiel en ande­re mate­ri­a­len. De put was een zoge­naam­de nat­te put waar­bij de inhoud per­ma­nent onder water stond. Zwa­re voor­wer­pen, die in de put terecht kwa­men zon­ken door de prut naar de bodem, ter­wijl lich­te voor­wer­pen zoals hout en zaden ble­ven drij­ven. Hier­door is in de put geen stra­ti­gra­fie aan­we­zig die samen­hangt met ver­schil­len­de gebruiks­fa­ses van de put. Op grond van de inhoud kan de put geda­teerd wor­den tus­sen 1500 en kort na 1600. Acht aar­de­wer­ken voor­wer­pen date­ren van vóór 1500, ter­wijl 164 stuks aar­de­werk uit de peri­o­de 1500–1625 date­ren. De oud­ste voor­wer­pen zijn ver­moe­de­lijk dan ook als stuk­ken te beti­te­len, die toen ze in de beer­put terecht kwa­men reeds lang in omloop waren.

Kelk­glas

Van het aar­de­werk kon onge­veer 80% aan een bepaal­de func­tie­ca­te­go­rie wor­den toe­ge­schre­ven. Het over­gro­te deel hangt samen met voed­sel­con­sump­tie, -berei­ding of -opslag (68% van de deter­mi­neer­ba­re exem­pla­ren). Het eet­ge­rei maakt geen bij­zon­der rij­ke indruk en bestaat voor­na­me­lijk uit kom­men en enke­le bor­den. Opval­lend is dat de helft van de bor­den van majo­li­ca is, date­rend uit de twee­de helft van de 16de eeuw. Daar­naast is ook een tin­nen lepel gevon­den. Het drink­ge­rei bestaat onder meer uit kan­nen van steen­goed met zout­gla­zuur. Deze zijn veel­al ver­sierd met appli­ques in de vorm van baard­man­nen of ande­re renais­san­ce-ach­ti­ge ver­sie­rin­gen.

Tonvormige beker mogelijk afkomstig uit het Wesergebied, gedateerd 1595

Ton­vor­mi­ge beker moge­lijk afkom­stig uit het Weser­ge­bied, geda­teerd 1595

Opval­lend is een ton-vor­mi­ge beker ver­sierd met appli­ques in de vorm van wapen­schil­den en een rozet. Het stuk is geda­teerd (15)95. Het bak­sel is wit van kleur en zach­ter dan steen­goed. De vorm doet sterk den­ken aan steen­goed uit Duin­gen. Waar­schijn­lijk moe­ten we de her­komst ergens in het Weser­ge­bied zoe­ken. Naast drink­ge­rei van steen­goed komt ook glas­werk voor, onder ande­re een kelk­glas met een ver­gul­de stam in de vorm leeu­wen­mas­kers.

Een ander wei­nig voor­ko­mend stuk tafel­ge­rei is een majo­li­ca zout­vat in de vorm van een klein schaal­tje. Het vaat­werk dat met het berei­den en koken van voed­sel te maken heeft bestaat voor het groot­ste deel uit gra­pen van rood aar­de­werk. Opval­lend is dat tegen­over mini­maal 32 gra­pen, slechts één bak­pan staat, die boven­dien te beschou­wen is als een antiek stuk dat later in de put terecht is geko­men. Naast aar­de­wer­ken kook­pot­ten is ook een kope­ren pan in de put aan­ge­trof­fen. In de beer­put zijn 23 pis­pot­ten aan­ge­trof­fen, zowel van rood als van wit­bak­kend aar­de­werk. Het gaat hier­bij om 17% van het aar­de­wer­ken vaat­werk, het­geen rela­tief veel is. 7% van het aar­de­werk kan bij de func­tie­ca­te­go­rie ‘ver­war­ming’ wor­den inge­deeld en 5% in de cate­go­rie ‘medi­ci­naal’. In het laat­ste geval gaat het om zalf­pot­ten waar­on­der één alba­rel­lo van majo­li­ca. Wan­neer we de samen­stel­ling van het aar­de­werk­com­plex uit de beer­put ver­ge­lij­ken met ande­re vondst­com­plexen dan lijkt er spra­ke te zijn van een ‘gemid­del­de’ beer­put van de mid­den­klas­se. Alleen bij het tafel­ge­rei zijn enke­le afwij­ken­de, wat luxe­re, voor­wer­pen aan­we­zig en het per­cen­ta­ge pis­pot­ten ligt vrij hoog. Ver­ge­lijk het over­zicht van Car­mig­gelt (1993).

Speeltol

Speel­tol

Als we ech­ter de ande­re mate­ri­aal­ca­te­go­rie­ën bij de ver­ge­lij­king betrek­ken blijkt het beeld totaal anders te wor­den. Veel voor­wer­pen zijn te asso­ci­ë­ren met de Gro­te School en, van­af ca. 1600, de Latijn­se School die op het ter­rein heeft gestaan. Het gaat ener­zijds om speel­goed, dat heeft toe­be­hoord aan de leer­lin­gen, ander­zijds om voor­wer­pen die met de school zelf te maken heb­ben.

Onder het speel­goed bevin­den zich vier hou­ten tol­le­tjes, vijf hou­ten bal­len, een dob­bel­steen, speel­schijf­jes gemaakt uit scher­ven, knik­kers, een blaas­pijp en een mini­a­tuur gra­pe. De blaas­pijp bestaat uit een hol­le stok, waar­schijn­lijk vlier­hout, waar­uit de kern is ver­wij­derd. Het uit­ein­de is bij­ge­sne­den.

Stukje beschreven perkament

Stuk­je beschre­ven per­ka­ment

Ver­ge­lijk­ba­re voor­wer­pen zijn ook aan­ge­trof­fen in de beer­put van de Latijn­se School in Gro­nin­gen (zie Wil­lem­sen 1998. p.64). Enke­le grif­fels, stuk­jes krijt, frag­men­ten beschre­ven per­ka­ment, een boek­band, een plak en een roe zijn voor­wer­pen die direct in ver­band gebracht kun­nen wor­den met de school. Bij­zon­der is de vroe­ge date­ring van het gebruik van grif­fels en krijt. De plak is een voor­werp dat vrij­wel altijd aan een school gekop­peld wordt. Hij bestaat uit een plat­te hou­ten schijf met een lan­ge steel en werd gebruikt om mee te straf­fen.

Houten plak

Hou­ten plak

Er zijn exem­pla­ren bekend uit de beer­put van de Latijn­se School in Gro­nin­gen (Helfrich, Ben­ders en Caspa­rie 1995, p. 84–85) en bij­voor­beeld uit Haar­lem (Gree­ven­broek 1980, p.120) en Olden­zaal (Ost­kamp 2003, p. 85). Een bun­del twij­gen moe­ten we wel­licht als roe beti­te­len hoe­wel het ook om een (klei­ne) bezem kan gaan.

Uit de put komt ook een deel van een boek­band­je. Het gaat om een hou­ten plank­je van 6,4 bij 10,0 cm, dat oor­spron­ke­lijk bekleed is geweest met leer, waar­van nog rest­jes her­ken­baar zijn. Aan de buik­zij­de bevin­den zich twee bron­zen slot­jes. Aan de rug­zij­de zijn drie gaat­jes aan­ge­bracht waar­door de riem­pjes wer­den gehaald, waar­mee het boek gebon­den werd.

Houten plat van een boekbandje

Hou­ten plat van een boek­band­je met mes­sing beslag en res­ten leder

We kun­nen dus con­sta­te­ren dat de func­tie van het gebouw waar­bij de beer­put hoort, name­lijk school, niet aan het aar­de­werk­spec­trum af te lezen is maar wel dui­de­lijk aan de ande­re vondst­ca­te­go­rie­ën. Moge­lijk dat het rela­tief gro­te aan­tal pis­pot­ten met de school in ver­band gebracht kan wor­den. De boven­mees­ter, die bij of in de school woon­de, had name­lijk ver­schil­len­de scho­lie­ren in de kost en deze had­den wel­licht alle­maal een eigen pis­pot. Of we de rij­ke­re vond­sten uit de put aan het huis­hou­den van de boven­mees­ter kun­nen ver­bin­den is niet dui­de­lijk.
Op het per­ceel van het huis van de heren van Arkel is een drie­tal beer­put inhou­den gebor­gen.

Vrijwilligers druk met het zeven van beerputinhoud

Vrij­wil­li­gers druk met het zeven van beer­pu­t­in­houd

De oud­ste put, waar­van de vul­ling bewaard was, betreft spoor 203. Het is een recht­hoe­ki­ge ste­nen beer­kel­der ach­ter de aan­bouw ach­ter het gro­te huis aan de Krijt­straat. De vul­ling is te date­ren in de peri­o­de 1500–1625. Er is nog geen dui­de­lijk zicht op de ver­hou­ding tus­sen de ver­schil­len­de func­tie­ca­te­go­rie­ën in de put. Enke­le voor­wer­pen zijn wel dui­de­lijk aan een hoge­re sta­tus te ver­bin­den. Zo zijn er frag­men­ten aan­ge­trof­fen van een majo­li­ca-bord uit Mon­te­lu­po in Ita­lië uit de peri­o­de 1500–1550 (ver­ge­lijk Hurst e.a. 1986, p. 12–17). Een (olie?)-kannetje van wit­te fai­en­ce dateert uit het begin van de 17de eeuw. De her­komst is niet dui­de­lijk.

Kopje steengoed Aken

Kop­je van wit­bak­kend aar­de­werk met lood­gla­zuur, ver­moe­de­lijk uit Aken

Enke­le ande­re opmer­ke­lij­ke vond­sten zijn een hoofd­je van een beeld­je(?) ver­moe­de­lijk afkom­stig uit Aken (Ver­ge­lijk Hurst e.a., p. 237 nr. 356) en een stuk lei­steen waar­in de gevel van een huis is inge­krast. Het gaat hier­bij om een schets van een trap­ge­vel met boven de onder­pui een lui­fel. De ver­hou­din­gen van de gevel zijn zoda­nig dat het hier niet lijkt te gaan om de gevel van het opge­gra­ven huis.

Leisteen met ingekraste tekening van een geve

Lei­steen met inge­kras­te teke­ning van een trap­ge­vel met een lui­fel

Direct ach­ter de gro­te vleu­gel aan de Krijt­straat bevond zich een recht­hoe­ki­ge beer­put (spoor 270). De vul­ling hier­van kan voor­lo­pig geda­teerd wor­den in de peri­o­de 1575–1650. Deze date­ring is voor­na­me­lijk geba­seerd op het rij­ke glas­werk uit de put. Naast de gro­te hoe­veel­heid glas komt uit de put rela­tief wei­nig aar­de­werk. Het glas­werk bestaat voor­na­me­lijk uit glas à la façon de Veni­se. Het gaat daar­bij onder ande­re om vleu­gel­gla­zen, fluit­gla­zen, ijs­be­kers en kome­ten­be­kers. Daar­naast komen ook roe­mers voor, deels op een hoge voet. Gezien de over­ver­te­gen­woor­di­ging van tafel­ge­rei lij­ken we hier te maken te heb­ben met de beer­put in de buurt van een repre­sen­ta­tie­ve ruim­te zoals de gro­te zaal. De gerin­ge hoe­veel­heid aar­de­werk kan hier­mee ver­band hou­den aan­ge­zien veel eet­ge­rei van metaal geweest zal zijn. Ove­ri­gens is de aan­we­zig­heid van ver­schil­len­de hou­ten tel­jo­ren in dit kader merk­waar­dig

Glazen beker versierd met glasdraden en vergulde braamknoppen, 1675-1725

Gla­zen beker ver­sierd met glas­dra­den en ver­gul­de braam­knop­pen, 1675–1725

Op het ach­ter­ter­rein van het Arkel-com­plex is aan het begin van de 17de eeuw een gro­te vier­kan­te beer­put aan­ge­legd. In de vul­ling hier­van, die de gehe­le 17de eeuw beslaat, zijn enke­le bij­zon­de­re voor­wer­pen aan­ge­trof­fen, het gaat onder meer om een beker op hoge voet van wit­bak­kend aar­de­werk. De bui­ten­zij­de is deels bestrooid met steen­gruis en over­dekt met een bruin gla­zuur. In de Engels­ta­li­ge lite­ra­tuur staat dit aar­de­werk bekend als ‘encrus­ted ware’. Vol­gens Hurst werd het in ver­schil­len­de pro­duc­tie­cen­tra in Duits­land ver­vaar­digd, waar­on­der Keu­len. (Hurst e.a. 1986, p. 237–240). De vorm van het Gorin­chem­se exem­plaar wijkt af van die uit Keu­len, waar­door een pro­duc­tie­cen­trum elders in Duits­land niet is uit­ge­slo­ten.

Tonvormige beker, tinglazuur, afkomstig uit het Wesergebied gevonden aan de Krijtstraat te Gorinchem

Ton­vor­mi­ge beker, tin­gla­zuur, afkom­stig uit het Weser­ge­bied (1600–1650)

Een ander bij­zon­der stuk betreft een klei­ne ton­vor­mi­ge beker van majo­li­ca. De vorm komt over­een met vaat­werk dat onder meer in het Weser­ge­bied wordt ver­vaar­digd (Ver­ge­lijk Hurst e.a. 1986, p. 256 nr. 380). De beker is ech­ter voor­zien van tin­gla­zuur en een blauw plant­mo­tief. Het stuk behoort dan ook tot de majo­li­ca­pro­duc­ten uit het Weser­ge­bied waar­van in Neder­land nau­we­lijks voor­beel­den bekend zijn. Een heel ander beeld dan deze rij­ke vond­sten geeft een com­ple­te gra­pe van rood aar­de­werk (type r-gra-8) uit het eind van de 16de of begin 17de eeuw. Het gaat om een iets inge­zakt exem­plaar, dat ver­moe­de­lijk als twee­de keus is ver­kocht (det. G.v.d.Berg) Ande­re bij­zon­de­re vond­sten zijn van metaal en betref­fen een rui­ter­spoor, een haar­net­je en een ring. Het haar­net­je is gemaakt van in elkaar gevloch­ten en spi­raals­ge­wijs opge­won­den dun koper­draad.

Haar­net­je, gewon­den koper­draad, laat 16de eeuw

De ring is van goud en aan de bui­ten­zij­de ver­sierd met een jacht­scè­ne in reli­ëf. De die­pe delen zijn inge­vuld met blau­we email. De scè­ne bestaat uit een hert, een hond? een konijn en een huis­je. Aan de bin­nen­zij­de van de ring is de tekst ‘TOUSIOURS LA MESME’ gegra­veerd en de ini­ti­a­len ‘HLS’. De ring dateert uit het eind van de 16de of begin 17de eeuw. De vond­sten uit de put kun­nen dus een aan­wij­zing zijn voor een huis­hou­den met hoge soci­a­le sta­tus. Helaas is het niet moge­lijk een naam aan de gebrui­kers te ver­bin­den.

Ring versierd met jachttaferelen, goud

Ring ver­sierd met jacht­ta­fe­re­len, goud inge­vuld met blau­we email

Ove­rig vondst­ma­te­ri­aal
Naast de vond­sten uit de eer­der beschre­ven vondst­com­plexen komt veel vondst­ma­te­ri­aal uit ande­re spo­ren, opho­ging­sla­gen en ver­sto­rin­gen. Afge­zien van de date­ring van deze struc­tu­ren kun­nen de vond­sten ook iets zeg­gen over het gebruik van het opgra­vings­ter­rein en soci­a­le en eco­no­mi­sche aspec­ten van de bewo­ners. Hier­on­der zul­len de meest opval­len­de vond­sten the­ma­tisch wor­den behan­deld.

Bouw­ma­te­ri­aal en huis­raad
Tij­dens het onder­zoek is, afge­zien van de fun­de­rin­gen en vloe­ren, rela­tief wei­nig bouw­ma­te­ri­aal gevon­den. Dit hangt waar­schijn­lijk samen met het feit dat op veel plaat­sen de jong­ste vloer­ni­veaus waren ver­dwe­nen en het mees­te puin na de sloop is afge­voerd. We kun­nen daar­om maar wei­nig zeg­gen over het uiter­lijk van de gebou­wen en hun aan­kle­ding. Uit de hout­bouw­fa­se is slechts een beperk­te hoe­veel­heid bouw­ma­te­ri­aal aan­ge­trof­fen. Uit de mest­kui­len komen enke­le dak­te­gels, het­geen een aan­wij­zing zou kun­nen zijn voor met tegels bedek­te daken. Uit de kui­len komen ook enke­le lood­strips van glas-in-lood­ra­men die in de hou­ten hui­zen aan­we­zig geweest moe­ten zijn. Uit de tijd van de Latijn­se School en het huis van Arkel zijn meer bouw­frag­men­ten afkom­stig. Een bij­zon­der frag­ment betreft een rijk bewerkt stuk (Bent­hei­mer?) zand­steen met motie­ven uit de vroe­ge renais­san­ce.

Bewerkt zandsteen

Bewerkt zand­ste­nen deur­om­lijs­ting (?), 16de eeuw

Het was her­ge­bruikt als latei voor een stort­ko­ker. Waar­schijn­lijk heeft het onder­deel uit­ge­maakt van een ven­ster- of deur­om­lijs­ting. Uit de beer­put van de Latijn­se School kwa­men twee stuk­ken bewerk­te zand­steen. Het betreft een vier­kant sok­kel­tje en een fijn gebeeld­houw­de open­ge­werk­te bekro­ning . Op basis van stijl­ken­mer­ken zijn ze in de 16de eeuw te date­ren. Het is niet dui­de­lijk waar in het huis deze stuk­ken ver­werkt zijn geweest. Het is zelfs net uit­ge­slo­ten dat ze uit de nabij gele­gen kerk afkom­stig zijn.

Open­ge­werk­te bekro­ning, 16de eeuw

Los op het ter­rein werd een frag­ment van een schouw­wang van ledesteen aan­ge­trof­fen. Het betreft een type schouw dat in de 15de en begin 16de eeuw erg popu­lair was. Ver­mel­dens­waard is de vondst van een frag­ment van een kachel­oven­te­gel uit de 15de eeuw. Het betreft een vondst uit een late­re opho­gings­laag maar het kan een aan­wij­zing zijn dat er in één van de gebou­wen een kachel­oven aan­we­zig is geweest. Kachel­ovens wor­den in onze stre­ken in die peri­o­de vrij­wel alleen aan­ge­trof­fen in kas­te­len, kloos­ters en gro­te adel­lij­ke hui­zen. De ven­sters zijn voor­zien geweest van glas in lood. Hier­van zijn zowel frag­men­ten ven­ster­glas als de lood­strips aan­ge­trof­fen. Uit de beer­put van de Latijn­se School komt een gebrand­schil­derd ruit­je uit het eind van de 16de of 17de eeuw. Tot het hang- en sluit­werk beho­ren enke­le haken van een deur­klink, een stuk van een slot en enke­le sleu­tels. Met name de sleu­tels zijn erg fraai.

Sleutel, vermoedelijk van een kist

Sleu­tel, ver­moe­de­lijk van een kist of kast, 1300–1350

Eén sleu­tel heeft een gecom­pli­ceer­de baard en een in vie­ren gedeel­de ruit­vor­mi­ge greep. Op de schacht, direct onder de greep, bevindt zich een kope­ren band­je. Een ver­ge­lijk­ba­re sleu­tel is onder meer aan­ge­trof­fen in de gracht van het kas­teel van Gemert. (Jans­sen 2001, p. 56–57). Deze sleu­tel dateert ver­moe­de­lijk uit het eind van de 13de of eer­ste helft 14de eeuw. Een twee­de sleu­tel heeft even­eens een gecom­pli­ceer­de baard, maar een een­vou­di­ge ova­le greep. In bei­de geval­len gaat het ver­moe­de­lijk om sleu­tels van een kist. Een stuk ijze­ren beslag kan even­eens geïn­ter­pre­teerd wor­den als beslag van meu­bi­lair. Het gaat om rozet­vor­mi­ge plaat­jes, ver­bon­den door dun­ne ijze­ren strips. Ver­ge­lijk­ba­re stuk­ken zijn onder meer bekend uit ‘s-Her­to­gen­bosch en Olden­zaal.(Ost­kamp 2003, p.88–89). Diver­se voor­wer­pen kun­nen in ver­band gebracht wor­den met ver­lich­ting van de hui­zen. Het gaat om ijze­ren kaar­sen­hou­ders, die aan de ene zij­de pun­tig zijn afge­werkt zodat ze in het hout gesla­gen kun­nen wor­den, ter­wijl de ande­re kant is omge­vormd tot een koker. Deze voor­wer­pen komen al voor in de 14de eeuw­se fase. Iets luxer is het frag­ment van een bron­zen kan­de­laar. Ver­der zijn frag­men­ten van twee rood aar­de­wer­ken olie­lam­pen gevon­den.

Eet- drink en kook­ge­rei
Zoals gebrui­ke­lijk is een groot deel van het vondst­ma­te­ri­aal toe te schrij­ven aan keu­ken- en kook­ge­rei. Het meren­deel hier­van is reeds behan­deld bij de beschrij­ving van de vondst­com­plexen. Bij het kook­ge­rei gaat het veel­al om aar­de­wer­ken gra­pen. Ver­der komen bak­pan­nen en vet­van­gers voor. Opval­lend is dat ook enke­le meta­len pan­nen zijn aan­ge­trof­fen. Deze komen in opgra­vin­gen maar zel­den voor. Het eet- en drink­ge­rei is meest­al tafel­ge­rei, waar­mee de eige­naar zijn soci­a­le sta­tus kon bena­druk­ken. Bij hoge­re soci­a­le klas­sen werd veel tafel­ge­rei van metaal gemaakt en dat wordt tij­dens een opgra­ving zel­den teruggevonden.Toch zijn ook ande­re mate­ri­aal­ca­te­go­rie­ën aan­ge­trof­fen, die een aan­wij­zing kun­nen zijn voor hoge sta­tus van de van bewo­ners van het com­plex. Te den­ken valt daar­bij onder meer aan het rij­ke en vele glas in beer­put 270 en zeld­za­me impor­ten uit het Weser­ge­bied in beer­put 236. In de Mid­del­eeu­wen was het gebrui­ke­lijk dat gas­ten hun eigen mes mee­na­men. Dit droe­gen ze vaak in een mes­sche­de dat aan de riem hing. De hef­ten waren soms rijk ver­sierd. In Gorin­chem zijn twee fraai ver­sier­de mes­hef­ten te voor­schijn geko­men. Eén exem­plaar heeft een zes­hoe­ki­ge door­sne­de en is voor­zien van beslag van been of gewei. Een ander exem­plaar is op het ein­de van het heft ver­sierd met gegra­veer­de kope­ren plaat­jes

Aan de ene zij­de staat een afbeel­ding van een vrou­we­lij­ke hei­li­ge met een zwaard(?) in haar hand, waar­schijn­lijk Catha­ri­na ter­wijl de ande­re zij­de ver­sierd is met voor­stel­ling van Maria met kind. Dit type mes­heft was zeer alge­meen in de twee­de helft van de 15de en eer­ste helft van de 16de eeuw.

Mesheft, Catharina met zwaard en Maria met kind, gevonden aan de Krijtstraat te Gorinchem

Uit­ein­de mes­heft, Catha­ri­na met zwaard en Maria met kind

Ambacht en nij­ver­heid
Op het ter­rein zijn rela­tief wei­nig voor­wer­pen gevon­den die aan een bepaald ambacht te schrij­ven zijn. In de 13de en 14de-eeuw­se bewo­nings­fa­se zijn enke­le stuks gereed­schap aan­ge­trof­fen waar­on­der enkel bei­tels, een ave­gaar een lepel­boor, een schep en een trof­fel. Waar­schijn­lijk heb­ben deze vond­sten te maken met de bouw­werk­zaam­he­den die in de loop van de eeu­wen op het ter­rein heb­ben plaats gevon­den. Een aan­tal vond­sten heeft te maken met de bewer­king of ver­wer­king van tex­tiel zoals spin­ste­nen en spin­dels, enke­le vin­ger­hoe­den, naal­den en een kant­klos­je. Der­ge­lij­ke acti­vi­tei­ten kun­nen gezien wor­den als huis­nij­ver­heid en hand­werk en zeg­gen niet veel over beroe­pen die op het ter­rein zijn uit­ge­oe­fend. Afge­zien van de mest­kui­len, die wij­zen op agra­ri­sche acti­vi­teit in de vroeg­ste peri­o­de, zijn er geen aan­wij­zin­gen dat bepaal­de ambach­ten op het ter­rein heb­ben plaats gevon­den. Van­af de 15de eeuw heeft het noor­de­lijk per­ceel een func­tie als school en het zui­de­lij­ke per­ceel een resi­den­ti­ë­le func­tie.

Roskam

Ros­kam

Opval­lend is dat rela­tief veel voor­wer­pen met het hou­den van paar­den in ver­band gebracht kun­nen wor­den. Zo zijn diver­se hoef­ij­zers, rui­ter­spo­ren, ges­pen van paar­den­tuig en een ros­kam aan­ge­trof­fen. Ros­kam­men komen wei­nig voor in opgra­vin­gen. Ze bestaan uit een omge­vou­wen ijze­ren plaat, waar­van de lan­ge zijd voor­zien is van tand­jes. Op de vouw is met drie beves­ti­gings­pun­ten het hand­vat beves­tigd. Een ver­ge­lijk­baar exem­plaar is in ‘s-Her­to­gen­bosch opge­gra­ven (Jans­sen 1983, p. 262–263). Hoe­wel der­ge­lij­ke voor­wer­pen ook met zui­ver agra­ri­sche acti­vi­tei­ten in ver­band gebracht kun­nen wor­den ligt een ver­band met de hoge­re soci­a­le sta­tus van de bewo­ners voor de hand. Op dezelf­de manier kan ook de aan­we­zig­heid van wapen­tuig wor­den ver­klaard.

Ruiterspoor

Rui­ter­spoor

Met name de vondst van een gro­te dolk, een zwaard­pom­mel en frag­men­ten van een mali­ën­kol­der zijn opval­lend. Deze vond­sten date­ren uit de vroe­ge gebruiks­fa­se van het ter­rein.

Vond­sten die niet direct met ambach­te­lij­ke acti­vi­tei­ten op het ter­rein samen­han­gen maar wel veel infor­ma­tie geven over tex­tiel­nij­ver­heid en tex­tiel­han­del zijn laken­lo­den. Onder de loden die op het ter­rein is aan­ge­trof­fen bevindt zich een bij­zon­der exem­plaar (Van der Esch 2003, p.18).

Lakenlood Gorinchem, 15de eeuw

Tex­tiel­lood met wapen van Bei­e­ren, Gorin­chem, 15de eeuw

Cen­traal staat het wapen van Bei­e­ren afge­beeld met daar omheen het rand­schrift ‘GHORINGHEM’. Het voor­ko­men van een afzon­der­lijk Bei­ers wapen is curi­eus aan­ge­zien het nor­maal gecom­bi­neerd wordt met de wapens van Hene­gou­wen en Hol­land. Het betref­fen­de laken­lood dateert uit de 15de eeuw en is het oudst beken­de van de Gorin­chem­se laken­nij­ver­heid.

Schoei­sel, kle­ding en sie­ra­den
In de mest­kui­len en beer­put­ten zijn diver­se schoe­nen aan­ge­trof­fen. Deze vond­sten zijn nog niet beschre­ven. Ver­mel­dens­waard zijn enke­le ijze­ren ver­ste­vi­gings­pun­ten van trip­pen. Van kle­ding zijn alleen enke­le klei­ne frag­men­ten in de beer­put­ten aan­ge­trof­fen. Deze zijn ver­moe­de­lijk her­ge­bruikt als ‘toi­let-papier’. Ver­spreid over het ter­rein is een groot aan­tal voor­wer­pen aan­ge­trof­fen, die geplaatst zijn onder de cate­go­rie kle­ding­ac­ces­soi­res. Het gaat hier­bij onder meer om ges­pen, kle­ding­ha­ken, riem­ton­gen en mes­sche­des. Eén mes­sche­de, date­rend uit de 14de eeuw, is ver­sierd met inge­sne­den flo­ra­le motie­ven en een vogel­tje. Het uit­ein­de van een riem was vaak ver­ste­vigd met een meta­len beslag, een zoge­naam­de riem­tong. Een exem­plaar uit Gorin­chem is ver­sierd met flo­ra­le motie­ven.

Messchede versierd met florale motieven

Mes­sche­de ver­sierd met flo­ra­le motie­ven en vogel­tje, 14de eeuw.

In tegen­stel­ling tot de kle­ding­ac­ces­soi­res geven de voor­wer­pen die als sie­raad zijn geïn­ter­pre­teerd een aan­wij­zing voor de hoge sta­tus van de bewo­ners. Het gaat hier­bij om vin­ger­rin­gen, speld­jes en een haar­net­je. De speld­jes en insig­nes betref­fen voor­na­me­lijk een­vou­di­ge exem­pla­ren van een tin/lood lege­ring. Het gaat om enke­le zoge­naam­de bus­te-insig­nes, een­vou­di­ge speld­jes in de vorm van een rozet en enke­le speld­jes in de vorm van de let­ter ‘M’. Bus­te-insig­nes zijn klei­ne ron­de speld­jes met cen­traal een hoofd­je waar omheen een tekst staat Ze wor­den geda­teerd in de 14de eeuw. (Van Beu­nin­gen e.a. 2001 p. 420–422) Speld­jes in de vorm van een let­ter wor­den even­eens regel­ma­tig aan­ge­trof­fen. Moge­lijk kan de let­ter ‘M’ ver­wij­zen naar Maria. Tij­dens het onder­zoek zijn ook twee pel­grims­in­sig­nes aan­ge­trof­fen.

In bei­de geval­len gaat het om insig­ne van de hei­li­ge Cor­ne­li­us, die wordt ver­eerd in Nin­o­ve. Deze bede­vaarts­plaats was erg popu­lair en ver­ge­lijk­ba­re insig­nes wor­den dan ook regel­ma­tig aangetroffen.(Zie onder ande­re Van Beu­nin­gen en Kol­de­wij 1993, p 150–152 en Van Beu­nin­gen e.a. 2001 p. 252–253) Ver­mel­dens waard is ten­slot­te het frag­ment van ver­moe­de­lijk een insig­ne. Het is ver­sierd met een zit­tend dier, moge­lijk een poes.

Onder­wijs en spel
Zoals bij de beschrij­ving van de beer­put op het ter­rein van de Latijn­se School al aan de orde is geko­men is op het ter­rein veel mate­ri­aal aan­ge­trof­fen dat met de scho­len op dit ter­rein in ver­band gebracht kan wor­den. Het gaat hier­bij zowel om speel­goed dat aan de scho­lie­ren moet heb­ben toe­be­hoord als om voor­wer­pen, die met het onder­wijs zelf te maken heb­ben. Afge­zien van de reeds behan­del­de beer­put is speel­goed in diver­se con­tex­ten ver­spreid over het ter­rein aan­ge­trof­fen. Het is uiter­aard goed moge­lijk dat een deel van dit speel­goed niets met de school te maken heeft maar met kin­de­ren die in de loop van de tijd op het zui­de­lij­ke per­ceel heb­ben gewoond.

Ver­mel­dens­waard zijn een snor­re­bot, bestaand uit een door­boord bot­je en een tin­nen sol­daat­je. Ver­spreid over het ter­rein is een rela­tief groot aan­tal schrijf­stif­ten aan­ge­trof­fen. Het gaat om mini­maal 15 exem­pla­ren. Schrijf­stif­ten wer­den gebruikt om tek­sten te schrij­ven in zoge­naam­de was­ta­fel­tjes; plank­jes met een die­per lig­gend deel waar­in een was­laag­je was aan­ge­bracht. Was­ta­fel­tjes func­ti­o­neer­den als klad­blok en om kor­te bericht­jes mee te ver­stu­ren. In scho­len wer­den ze gebruikt als oefen­schrift. De schrijf­stif­ten waren zowel van ijzer en koper als van been

Schrijfstiften (styli)

Schrijf­stif­ten (sty­li), mes­sing, ijzer en been

De boven­kant heeft vaak een ver­breed uit­ein­de om de was weer glad te kun­nen strij­ken. Het gebruik van schrijf­stif­ten ver­dwijnt aan het begin van de 16de eeuw. (Baart e.a 1977, p. 379–380). Om die reden zijn in de beer­put van de Latijn­se School geen schrijf­stif­ten aan­ge­trof­fen. Naast veel schrijf­stif­ten is ver­spreid over het ter­rein een groot aan­tal reken­pen­nin­gen gevon­den. Reken­pen­nin­gen wer­den gebruikt als hulp­mid­del bij het maken van bere­ke­nin­gen in het kader van finan­ci­ë­le admi­ni­stra­tie.

Rekenpenning met de leeuw van de evangelist Marcus

Reken­pen­ning met de leeuw van de evan­ge­list Mar­cus

Kler­ken had­den hier­voor vaak een apar­te tafel waar­op een inde­ling was aan­ge­ge­ven. Op de Gro­te School werd aan scho­lie­ren geleerd om te reke­nen met pen­nin­gen. Moge­lijk kun­nen we daar­om het gro­te aan­tal reken­pen­nin­gen met de school in ver­band bren­gen. Ook hier geldt ech­ter dat de voor­wer­pen ook door de buren gebruikt kun­nen zijn. De meest voor­ko­men­de afbeel­din­gen op reken­pen­nin­gen zijn een roos met drie Fran­se lelies met op de keer­zij­de een rijks­ap­pel (roos-rijks­ap­pel­pen­ning), een scheep­je (scheep­jes­pen­ning) of een leeuw van Mar­cus (Mar­cus­pen­ning). Zie voor een goe­de beschrij­ving van reken­pen­nin­gen Van der lin­den 1994, p.37–40).

Ove­ri­ge vond­sten
Een aan­tal vond­sten is niet in één van de boven­staan­de cate­go­rie­ën onder te bren­gen, aan­ge­zien de exac­te func­tie onbe­kend is. Een fraai voor­werp is een bron­zen plaat­je met een bewaar­de leng­te van 5,9 cmHet is aan de boven­zij­de pun­tig afge­werkt. In het plaats­je is een open­ge­werk­te goti­sche nis met aan­ge­bracht waar­in een hei­li­ge staat. Daar­on­der is nog net de aan­zet van een twee­de nis te zien. Waar­voor dit voor­werp heeft gediend is niet dui­de­lijk. Moge­lijk is het een deel van beslag op een kist of iets der­ge­lijks. Een ander bij­zon­der voor­werp, waar­van de exac­te func­tie niet dui­de­lijk is, is een klein bron­zen plaat­je, met daar­op een voor­stel­ling van de mar­te­ling van de hei­li­ge Catha­ri­na.

Koperen plaatje met afbeelding heilige Catharina

Kope­ren plaat­je met afbeel­ding hei­li­ge Catha­ri­na

Het kan als ver­sie­ring ergens in gemon­teerd zijn geweest maar het blijkt ook moge­lijk te zijn afdruk­ken te maken van het plaat­je. Op het plaat­je is aan de lin­ker kant een man afge­beeld die een zwaard in de aan­slag heeft om het hoofd van een vrou­wen­fi­guur aan rech­ter­kant af hak­ken. Aan de lin­ker­zij­de kij­ken nog enke­le per­so­nen toe. De vrou­wen­fi­guur rechts kan geï­den­ti­fi­ceerd wor­den als Catha­ri­na, gezien het rad dat rechts van haar staat afge­beeld 1. De scè­ne ver­haalt de mar­tel­dood van Catha­ri­na. Van­we­ge haar kri­tiek op de chris­ten­ver­vol­ging door Kei­zer Maxen­ti­us ver­oor­deel­de deze haar tot de mar­tel­dood. Ze werd gepij­nigd met een scherp rad, dat ech­ter in stuk­ken brak. Daar­na werd ze ont­hoofd. Helaas is het plaat­je ter hoog­te van het hoofd van de vrouw bescha­digd. Gezien de kle­ding van de afge­beel­de per­so­nen kan het plaat­je in de eer­ste helft van de 16de eeuw wor­den geda­teerd. Ver­ge­lijk­ba­re afbeel­din­gen van de mar­te­ling van Sint Catha­ri­na zijn zeld­zaam. Een gra­vu­re van Albrecht Dürer is een van de wei­ni­ge paral­lel­len.

His­to­rie

Tekening van historicus B. Stamkot met daarop de belangrijkste fenomenen in de omgeving van het opgravingsterrein op basis van historische bronnen

Teke­ning door B. Stam­kot met de belang­rijk­ste feno­me­nen in de omge­ving van het opgra­vings­ter­rein

In de 11de en 12de eeuw ont­stond op de oever­wal van de Mer­we­de een aan­tal neder­zet­tin­gen. Deze vorm­den de basis waar van­af het ach­ter­land ont­gon­nen werd. Gorin­chem was één van deze neder­zet­tin­gen bij de mon­ding van de Lin­ge. In de loop van de 13de en 14de eeuw ont­wik­kel­de zich hier een stad­je.

Heren van Arkel
De oud­ste ver­mel­ding van Gorin­chem dateert uit 1224 maar pas in 1382 is er spra­ke van de eer­ste stads­rech­ten (Stam­kot 1982). In deze peri­o­de was er ech­ter al een ste­de­lij­ke neder­zet­ting, waar­van de bewo­ners zich naast vis­se­rij bezig hiel­den met han­del. Ergens in de twee­de helft van de 13de eeuw werd de stad ver­sterkt met aar­den wal­len en grach­ten. In de twee­de helft van de 13de en in de 14de eeuw viel Gorin­chem onder de heren van Arkel. Leden van dit geslacht namen met name in de 14de eeuw een belang­rij­ke poli­tiek machts­po­si­tie in in Hol­land en Utrecht. De macht van de heren van Arkel bete­ken­de ook een bloei­pe­ri­o­de voor de stad. Deze situ­a­tie zou duren tot het begin van de 15de eeuw, toen de Arkels hun zeg­gen­schap over Gorin­chem ver­lo­ren. Reeds in de 14de eeuw onder­vond Gorin­chem ster­ke con­cur­ren­tie van Dord­recht en dit werd na het ver­dwij­nen van de macht van de Arkels steeds ster­ker. Tot in de 17de eeuw moest Gorin­chem, vaak tever­geefs met Dord­recht con­cur­re­ren.

In 1263 werd in de zuid­west­hoek van de stad de Sint Jans­kerk gewijd. Het gebied waar ze werd gebouwd maak­te ver­moe­de­lijk deel uit van groot ont­gin­nings­blok dat recht­streeks onder de lands­heer viel. In het zelf­de blok lag ook het stad­huis en een huis, dat in late­re bron­nen het Huis of Hof van Arkel werd genoemd. Hoe groot het Hof van Arkel is geweest is niet pre­cies bekend. Waar­schijn­lijk strek­te het zich uit van de Hoge Toren­straat in het zui­den tot of bij­na tot de Knip­steeg in het noor­den. Hoe we ons dit hof moe­ten voor­stel­len is even­min dui­de­lijk. De hoofd­be­bou­wing lag moge­lijk aan de Hoge Toren­straat. Het Hof van Arkel wordt in 1405 bewoond door de heer van Arkel. Nadat de Arkels in 1412 hun macht in de stad had­den ver­lo­ren is wel­licht ook het hof in ande­re han­den geko­men. In 1593 is er nog spra­ke van een huis Arkel of Ker­ve­lin­gen. Dit slaat dan op een com­plex dat gezocht moet wor­den in het zui­de­lijk deel van het bouw­blok Hoge Toren­straat-Krijt­straat-Knip­steeg.

Gro­te School
In het noor­de­lijk deel bevond zich de Gro­te School. In een ver­mel­ding uit 1435 wordt de Knip­steeg ‘Scoel­steg­he’ genoemd waar­uit opge­maakt kan wor­den dat er toen al een school was. Tot onge­veer 1600 is over de school vrij­wel niets bekend. Waar­schijn­lijk gaat het in deze peri­o­de nog niet om een Latijn­se School maar om een volks­school. Hier werd in de volks­taal les gege­ven en wer­den kin­de­ren ele­men­tai­re vaar­dig­he­den als lezen, schrij­ven en reke­nen. In 1600 wordt er voor het eerst mel­ding gemaakt van een rec­tor van de Latijn­se School (Bus­ch & Land­heer 1983, p. 4) . De volks­school was blijk­baar omge­vormd tot Latijn­se School en kwam daar­door hoger in aan­zien te staan. Aan het hoofd stond een rec­tor, die werd bij­ge­staan door onder­mees­ters. De rec­tor woon­de in of bij het school­ge­bouw en werd betaald door de stad. Er werd onder­wijs gege­ven in het Latijn gericht op een ver­volg­stu­die op de uni­ver­si­teit. De leer­lin­gen van zowel de Latijn­se School als de volks­school kon­den afkom­stig zijn uit de stad maar ook uit de omge­ving. In dat laat­ste geval waren ze vaak in de kost bij bur­gers van de stad of bij de rec­tor of één van de onder­mees­ters. Van de rec­tor is bekend dat hij meer­de­re leer­lin­gen in de kost had.

Schoolklas door Jan Steen ca. 1670 (Collectie National Galleries of Scotland in Edinburgh)

School­klas door Jan Steen (ca. 1670) col­lec­tie Nati­o­nal Gal­le­ries of Scot­land, Edin­burgh

Over de gebou­wen van de Latijn­se School in de 17de en 18de eeuw is niet veel bekend maar de schaar­se ver­mel­din­gen dui­den erop dat het gebouw toen al oud en ver­val­len was. De meest spre­ken­de beschrij­ving is die van voor­ma­lig rec­tor L.F. Kray­en­hof uit 1763. In een uit­ga­ve beklaagt hij zich onder ande­re om de bouw­val­li­ge staat van de school:

” ..dak en zol­ders zijn zeer­s­legt; de bal­ken hier en dae­rin de muren afge­rot en niet meer te ver­trou­wen, a/zoo al eene der zwaer­sten is gezakt geweest met des sup­pli­ants en fami­lies groot gevaer; de twee zijd­mu­eren kwa­lijk gean­kert en drei­gen te val­len; agter­ge­vel niet water­digt; de kel­der tot boven toe vol water, de vloer van het keu­ken­tje ver­si­ee­ten; het por­tael of de ingang van het huys dreigt te val­len, zoo dat men op des­zelfs zol­de­ring niet meer komen durft en zelfs de bue­ren niet buy­ten gevaer zijn; de regen­bak, maer met eene muer van de secreet­kel­der afge­schei­den, geeft onge­bruyk­baer water; de secreet­kel­der, die een groot deel van het huys onder­mijnt en hon­dert of meer wagens drek inheeft, ver­oor­zaakt bij wij­len onver­dra­ge­lij­ken reuk; de twee schoor­steenen, die in het huys zijn, de eene in het keu­ken­tje, de ande­re in het eet­zaal­tje, roo­ken zodae­nig, dat zol­ders en mueren dae­r­van schreeu­wen­de getuy­gen zijn, zoo dat de sup­pli­ant des win­ters veel­tijds met zij­ne fami­lie zig zon­der vuer moet behel­pen, zijn­de ook boven geene schoor­ste­nen dan eene onbe­kwae­me... De Loge­men­ten voor kost­dis­ci­pe­len zijn mede door­gaens zeer slegt, en alle zon­der schoor­ste­nen om bij tijd van ziek­te te kon­nen gebruykt wor­den...”.

Geschie­de­nis onder­zoch­te per­ce­len
Voor­af­gaand aan het onder­zoek is door R.F. van Dijk gestart met een archief­on­der­zoek naar de geschie­de­nis van de onder­zoch­te per­ce­len. Tot nu toe is uit de bron­nen een aan­tal voor het arche­o­lo­gisch onder­zoek inte­res­san­te pun­ten te des­til­le­ren.

In 1533 is er een con­flict tus­sen orga­nist Gre­go­ri­us Pan­neus, die op het zui­de­lij­ke per­ceel woont en de stad (eige­naar van de stads­school op het noor­de­lij­ke per­ceel). Uit de stuk­ken blijkt er spra­ke te zijn van een omhei­nings­muur rond de school. Tegen deze muur bevindt zich het keu­ken­tje van de school. De omhei­nings­muur is deels eigen­dom van Pan­neus.

In 1581 is er op het zui­de­lijk deel spra­ke van twee wonin­gen onder één kap. Waar­schijn­lijk kan hier­uit wor­den afge­leid dat (een deel van) het voor­ma­li­ge com­plex van de Arkels in meer wonin­gen is opge­deeld. In 1605 is er spra­ke van een groot huis met een klein huis­je ernaast. Het is niet hele­maal dui­de­lijk of het dezelf­de hui­zen betreft als in 1581. Het lijkt erop dat de ver­mel­ding uit 1581 slaat op het zui­de­lijk deel van het Van Arkel­com­plex.

In 1595 bewoont ene drs. Hen­ri­cus Vel­le­ni­us het noor­de­lij­ke deel van het van Arkel­com­plex, dat wil zeg­gen het gro­te huis met een klein huis­je ernaast. Dit grenst aan de noord­zij­de aan de Latijn­se School.

Na het over­lij­den van Vel­le­ni­us in 1605 wordt het com­plex in 1610 ver­kocht aan Ger­rit Aarts Salo­mon. Deze ver­koopt in 1611 het klei­ne huis­je, genaamd ‘De Afhang’ aan Pet­rus Cos­te­rus, con­rec­tor van de Latijn­se School. Bij de koop is inbe­gre­pen de keu­ken ach­ter de noor­de­lij­ke kamer van het gro­te huis en het erf daar­ach­ter. Dit deel wordt door mid­del van een hou­ten schut­ting van de rest van het erf afge­schei­den.

In 1616 wordt het gro­te huis (zon­der ‘De Afhang’), genaamd de Zalm, door Salo­mon ver­kocht aan Gijs­brecht Hen­driks van Wij­ck, die het in 1618 weder­om ver­koopt aan leger­ka­pi­tein jonk­heer Guil­li­am de Viry.

In 1627 ver­koopt de zoon van con­rec­tor Cos­te­rus ‘De Afhang’ aan de stad en de keu­ken ach­ter ‘De Zalm” aan de Viry. Het erf ach­ter de keu­ken komt dan weer bij het gro­te huis, net als vóór 1611. In de 18de eeuw heb­ben ver­schil­len­de bron­nen voor­na­me­lijk betrek­king op het gro­te voor­ma­li­ge Van Arkel­com­plex. Er blijkt dan spra­ke te zijn van onder meer een gro­te tuin en een koets­huis aan de Struis­vo­gel­straat.

Foto’s

« 1 van 11 »

Media

17-12-2003 Gor­cum­se Cou­rant
Pilaar ille­gaal
Het monu­ment voor het Hof van Arkel staat inmid­dels aan de Struis­vo­gel­straat, maar de fees­te­lij­ke ont­hul­ling werd uit­ge­steld vori­ge week.
Lees meer...

16-12-2003 De Stad Gorin­chem
Ont­hul­ling monu­ment Hof van Arkel in de bin­nen­stad uit­ge­steld.
De ont­hul­ling door wet­hou­der H. van San­ten van het gedenk­te­ken voor de Hof van Arkel, die op don­der­dag 11 decem­ber zou plaats­vin­den, is uit­ge­steld.
Lees meer...

12-12-2003 De Tele­graaf
Gorin­chem ver­geet­ach­tig
De fees­te­lij­ke ont­hul­ling van een monu­ment in de bin­nen­stad van Gorin­chem is voor onbe­paal­de tijd uigesteld, omdat de gemeen­te is ver­ge­ten een bouw­ver­gun­ning voor het gedenk­te­ken aan te vra­gen.
Lees meer...

12-12-2003 De Dord­te­naar
Her­den­kings­zuil Gor­cum­se Van Arkels ille­gaal bouw­werk
Gemeen­te ver­gat ver­gun­ning aan te vra­gen. Het monu­ment met daar­in de uit 1405 date­ren­de kolom­voet van het Hof van Van Arkel ter hoog­te van de Gor­cum­se V&D is ille­gaal gebouwd.
Lees meer...

10-12-2003 De Tele­graaf
Oude vondst wordt monu­ment
De gemeen­te Gorin­chem ont­hult mor­gen (don­der­dag) in het cen­trum van de stad een arche­o­lo­gi­sche vondst uit onge­veer 1405.
Lees meer...

10-12-2003 Utrechts Nieuws­blad Edi­tie Rivie­ren­land
Her­in­ne­ring aan Hof van Arkel
Gorin­chem is van­af mor­gen een monu­ment rij­ker. Wet­hou­der H. van San­ten ont­hult mor­gen om elf uur het monu­ment – een zuil van twee meter – ach­ter de V&D in de Struis­vo­gel­straat, ter hoog­te van de Kazer­ne­poort.
Lees meer...

10-12-2003 Metro
Gemeen­te Gorin­chem ont­hult vondst uit 1405
De gemeen­te Gorin­chem ont­hult mor­gen in het cen­trum van de stad een arche­o­lo­gi­sche vondst uit onge­veer 1405.
Lees meer...

10-12-2003 Gor­cum­se Cou­rant
Her­in­ne­ring aan Hof van Arkel
Ter her­in­ne­ring aan het Hof van Arkel, dat zo’n vijf eeu­wen gele­den gestaan moet heb­ben op de plek van het hui­di­ge V&D-warenhuis, wordt don­der­dag­mor­gen een spe­ci­aal gedenk­te­ken ont­huld.
Lees meer...

10-12-2003 Alge­meen Dag­blad
Mid­del­eeuw­se vondst als monu­ment ont­huld
De gemeen­te Gorin­chem ont­hult mor­gen in het cen­trum van de stad een arche­o­lo­gi­sche vondst uit onge­veer 1405.
Lees meer...

05-08-2003 De Stad Gorin­chem
Uniek gedenk­te­ken Hof van Arc­kel
Op ini­ti­a­tief van stads­ar­che­o­loog Pie­ter Floo­re en Her­man Nieuw­dorp (afde­ling ruim­te­lij­ke ont­wik­ke­ling van de gemeen­te) wordt in de stad een gedenk­te­ken geplaatst voor het Hof van Arc­kel
Lees meer...

30-07-2003 Gor­cum­se Cou­rant
Monu­ment Hof van Arc­kel
Tegen­over de V&D zal een gedenk­te­ken komen te staan voor het Hof van Arc­kel.
Lees meer...

22-01-2003 Gor­cum­se Cou­rant
Opgra­vin­gen stad hou­den veel Gor­cu­mers geboeid.
Gro­te opkomst bij dia­le­zing van stads­ar­che­o­loog
Lees meer...

17-09-2002 De Stad Gorin­chem
Druk­ke Monu­men­ten­dag en Doen- Ja! Markt
De Open Monu­men­ten­dag is afge­lo­pen zater­dag in Gorin­chem druk bezocht.
Lees meer...

14-09-2002 De Dord­te­naar
Span­nen­de vondst van moord­wa­pen, arche­o­lo­gen koes­te­ren bouw­lo­ca­tie V&D Gor­cum
De arche­o­lo­gen op de bouw­lo­ca­tie van V&D aan de Gor­cum­se Krijt­straat heb­ben deze week een veer­tien­de eeuws moord­wa­pen gevon­den.
Lees meer...

10-09-2002 De Stad Gorin­chem
Krijt­straat: op zoek naar hof van de Van Arkels
Arche­o­lo­gen heb­ben deze week op de plaats waar in de Krijt­straat een V&D-vesting komt spo­ren terug­ge­von­den van het 14e eeuw­se hof van de Van Arkels.
Lees meer...

11-09-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Gaaf pand ont­dekt naast Hof
Opgra­vin­gen naar het Hof van Arkel leve­ren ver­ras­sing op. De opgra­vin­gen aan de Krijt­straat begin­nen steeds meer een beeld op te leve­ren van de oude his­to­ri­sche bin­nen­stad.
Lees meer...

10-09-2002 De Stad Gorin­chem
Arche­o­lo­gisch onder­zoek Krijt­straat
Het arche­o­lo­gisch onder­zoek aan de Krijt­straat heeft al diver­se vond­sten opge­le­verd.
Lees meer...

07-09-2002 Dag­blad Rivie­ren­land
Vondst stads­res­ten in Gorin­chem
Bij opgra­vin­gen in Gorin­chem zijn de zeer oude res­ten van de stad gevon­den. Het gaat om delen van de fun­de­ring van een adel­lijk huis uit de 14e eeuw, dat toe­be­hoor­de aan Jan van Arkel.
Lees meer...

06-09-2002 Alge­meen Dag­blad
Fun­de­ring uit de 14de eeuw opge­gra­ven
Bij opgra­vin­gen in Gorin­chem zijn delen gevon­den van de fun­de­ring van een adel­lijk huis uit de 14de eeuw, dat toe­be­hoor­de aan Jan van Arkel.
Lees meer...

06-09-2002 De Dord­te­naar
Een stem uit het ver­le­den
Per­soon­lij­ke bood­schap negen­tien­de eeuw­se Gor­cu­mer gevon­den
Lees meer...

06-09-2002 Trouw
Oud­ste stads­res­ten in Gorin­chem opge­gra­ven
Bij opgra­vin­gen in Gorin­chem zijn delen gevon­den van de fun­de­ring van een adel­lijk huis uit de 14de eeuw, dat toe­be­hoor­de  aan Jan van Arkel.
Lees meer...

05-09-2002 Radio Rijn­mond
Oude stads­res­ten in Gorin­chem opge­gra­ven
Bij opgra­vin­gen in Gorin­chem zijn de zeer oude res­ten van de stad gevon­den. Het gaat om delen van de fun­de­ring van een adel­lijk huis uit de 14e eeuw, dat toe­be­hoor­de aan Jan van Arkel.
Beluis­ter...

05-09-2002 BN/De Stem
Oude stads­res­ten in Gorin­chem opge­gra­ven
Bij opgra­vin­gen in Gorin­chem zijn de zeer oude res­ten van de stad gevon­den. Het gaat om delen van de fun­de­ring van een adel­lijk huis uit de 14e eeuw, dat toe­be­hoor­de aan Jan van Arkel. Onder de fun­de­ring zijn nog oude­re res­ten aan­ge­trof­fen, name­lijk van hui­zen uit de 13e eeuw.
Lees meer...

05-09-2002 De Dord­te­naar
Res­tan­ten Hof Van Arkel aan­ge­trof­fen, his­to­ri­sche vondst in Gor­cum­se bin­nen­stad
Arche­o­lo­gen zijn in de gor­cum­se bin­nen­stad gestuit op de res­tan­ten van zeer ver­moe­de­lijk het Hof Van Arkel.
Lees meer...

28-08-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Toi­let opge­gra­ven
Veel oude kloos­ter­mop­pen, vijf schrijf­stif­tjes, attri­bu­ten die ver­wij­zen naar vroe­ge­re bede­vaart­toch­ten naar Heu­ke­lum, sche­del­tjes van een kip  en een klei­ne hond.
Lees meer...

22-08-2002 De Dord­te­naar
De grond is net een boek
De opgra­vin­gen op de bouw­lo­ca­tie van V&D in Gorin­chem zijn al ander­hal­ve week aan de gang. Sliedrech­ter Frans van Hou­we­lin­gen (61) graaft twee dagen per week mee.
Lees meer...

21-08-2002 De Dord­te­naar
In de eer­ste week al leu­ke vond­sten bij opgra­vin­gen in Gorin­chem
Ach gut, kijk een veer­tien­de eeuws kip­pe­tje. Het ene na het ande­re vijf­tien­de eeuw­se muur­tje duikt al op tij­dens de twee­de week van de afgra­vin­gen aan de Gor­cum­se Krijt­straat.
Lees meer...

20-08-2002 De Stad Gorin­chem
Eer­ste voor­wer­pen in Krijt­straat gevon­den
De arche­o­lo­gen die bezig zijn op het braak­lig­gen­de ter­rein aan de Krijt­straat heb­ben de eer­ste voor­wer­pen gevon­den.
Lees meer...

20-08-2002
Mys­te­rie van de Krijt­straat blijft nog even ver­bor­gen
De zon brandt fel deze mid­dag. Mar­tin Veen van de werk­groep arche­o­lo­gie van Gorin­chem draagt voor de zeker­heid een petje die zijn sche­del tegen de ver­blin­den­de stra­len moet bescher­men. > Lees meer...

17-08-2002 De Dord­te­naar
Arche­o­lo­gen vin­den 15e eeuw­se ‘bal­pen­nen”
Sae­pe sti­lum ver­tas’, deze woor­den zul­len regel­ma­tig te horen zijn geweest in de loka­len van de Latijn­se School aan de Scoel­steg­he in Gorin­chem.
Lees meer...

14-08-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Kijk­je in het ver­le­den
Nieuws­gie­rig mel­den de eer­ste kij­kers zich aan het hek aan de Krijt­straat, maar veel nieuws valt er nog niet te mel­den.
Lees meer...

13-08-2002 De Stad Gorin­chem
Arche­o­lo­gen aan de slag
Sinds eni­ge tijd bestaat er een bij­zon­de­re door­kijk van­af de Groen­markt naar het Kazer­ne­plein.
Lees meer...

07-08-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Hoge ver­wach­tin­gen van opgra­vin­gen aan Krijt­straat ‘Hof van Arkel’ ligt ver­stopt.
Het is een uniek door­kijk­je, van­af de Groen­markt zo op het Kazer­ne­plein.
Lees meer...

03-08-2002 De Dord­te­naar
Arche­o­lo­gi­sche ver­e­ni­gin­gen in de regio mogen mee gra­ven
Gorin­chem begint over een goe­de week met opgra­vin­gen op de plek waar eind 2003 V&D de deu­ren opent. De ver­wach­tin­gen zijn hoog­ge­span­nen. De arche­o­lo­gen hopen res­tan­ten van het ‘Hof van de Hee­ren van Arkel’ aan te tref­fen, het geslacht dat zijn stem­pel druk­te op de geschie­de­nis van de oos­te­lij­ke Alblas­ser­waard.
Lees meer...

24-07-2002 De Dord­te­naar
Floo­re hoopt in Krijt­straat op Hof van Arkel te sto­ten.
Gorin­chem staat aan de voor­avond van een span­nen­de opgra­ving in de bin­nen­stad.
Lees meer...

02-07-2002 De Stad Gorin­chem
Moge­lijk ver­ras­sing in Krijt­straat
Gro­te stof­wol­ken ste­gen vori­ge week op van­af het terein aan de Krijt­straat, maar nu de sloop­werk­zaam­he­den bij­na zijn vol­tooid gaan de har­ten van de arche­o­lo­gen snel­ler klop­pen.
Lees meer...

03-07-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Monu­men­taal
Het is even slik­ken voor veel stad­ge­no­ten. De ruim een eeuw oude school aan de Krijt­straat, de plek waar in de loop van jaren dui­zen­den Gor­cu­mers leer­den lezen en schrij­ven, is niet meer.
Lees meer...

28-06-2001 De Dord­te­naar
Bouw­lo­ca­tie V&D her­bergt moge­lijk hof Van Arkel
Arche­o­lo­gen heb­ben hoog­ge­span­nen ver­wach­tin­gen bij het voor­uit­zicht van opgra­vin­gen op de bouw­lo­ca­tie voor V&D in de Gor­cum­se bin­nen­stad.
Lees meer...

19-06-2002 Gor­cum­se Cou­rant
Unie­ke kans op onder­zoek loca­tie Krijt­straat
Arche­o­lo­gen blij met sloop. De mach­ti­ge voer­tui­gen van het slo­pers­be­drijf staan in de Struis­vo­gel­straat.
Lees meer...

Publi­ca­ties

G. van den Berg
De opgra­ving van de “Hof van Van Arkel”, Gorin­chem, Krijt­straat 2002; in Gron­dig Beke­ken: Tijd­schrift van de Afde­ling Lek- en Mer­we­destreek van de AWN; 18e jaar­gang no. 2; p. 2–15.

A. Broe­ken
Gor­cum­se bodem­schat­ten; arche­o­lo­gi­sche speur­tocht naar de geschie­de­nis van de Arkel­stad; Gor­cum­se Monu­men­ten­reeks; Gorin­chem; 2006; p. 46–61.
Flip­book | PDF (3MB)

R.J.M. van Gena­beek, met bij­dra­gen van J.T. Zei­ler, D.C. Brink­hui­zen en H. van Haas­ter
Gorin­chem Krijt­straat, Defi­ni­tief Arche­o­lo­gisch Onder­zoek; BAAC rap­port 02.060; ‘s-Her­to­gen­bosch; 2005.
Flip­book | PDF (47,44 MB)

H. van Haas­ter
Op zoek naar de voe­dings­ge­woon­ten van de fami­lie Van Arkel, een bota­nisch onder­zoek aan de inhoud van enke­le beer­put­ten en mest­kui­len uit de 14e-17e eeuw aan de Krijt­straat in Gorin­chem; Zaan­dam; 2003; BIAXi­aal 177.
Flip­book | PDF (2,18 MB)

E.A. van der Kuijl
Gorin­chem: Krijt­straat 6–10; Arche­o­lo­gi­sche Kro­niek Zuid-Hol­land 1999 in His­to­risch Tijd­schrift Hol­land; 32e jaar­gang; 2000 p. 370.
Flip­book | PDF (24, 2 MB)

E.A. van der Kuijl
Ver­ken­nend arche­o­lo­gisch onder­zoek Zus­ter­straat 9 en Krijt­straat; Arni­con Mili­eu­kun­dig en Geo­tech­nisch Advies­bu­reau; Nieu­wer­kerk aan den IJs­sel; 2000;
Flip­book | PDF (481 Kb)

J. van Oost­veen
Gorin­chem, pij­pen Krijt­straat; Tiel; 2011.
Flip­book | PDF (4,43 MB)

B. Stam­kot
Latijns onder­wijs te Gorin­chem; in ‘Oud-Gor­cum Varia’ jaar­gang 11 num­mer 30; Gorin­chem; 1994; p. 95–110.
Flip­book | PDF (11 MB)

A. Wil­lem­sen
Gorin­chem: a school around 1600 in: Back to the Schooly­ard, The Dai­ly Prac­ti­ce of Medie­val and Renais­san­ce Edu­ca­ti­on; Stu­dies in Euro­pean Urban His­to­ry 15; Turn­hout 2008; p. 97–99

J.T. Zei­ler & D.C. Brink­hui­zen
Res­ten van rij­ke maal­tij­den, arche­o­zo­ö­lo­gisch onder­zoek van bot­ma­te­ri­aal uit de Krijt­straat te Gorin­chem (14e-17e eeuw); Leeu­war­den; 2003; Arche­o­Bo­ne rap­port nr. 35.
Flip­book | PDF (1,75 MB)

Met­a­da­ta

 

Archisnummer(s):onder­zoeks­mel­ding: 24800
Topo­gra­fi­sche Kaart:38G
Coo­r­di­na­ten:126.380/426.840 (cen­trum)
Topo­niem:Krijt­straat
Plaats:Gorin­chem
Gemeen­te:Gorin­chem
Pro­vin­cie:Zuid-Hol­land
Type onder­zoek:Arche­o­lo­gi­sche opgra­ving
Uit­voer­der:Baac BV, Den Bosch
Pro­ject­lei­der:R. J. M. van Gena­beek
Opdracht­ge­ver:Gemeen­te Gorin­chem
Bevoegd gezag:Gemeen­te Gorin­chem
Aan­vang onder­zoek:12 augus­tus 2002
Vond­sten & docu­men­ta­tie:Arche­o­lo­gisch depot Gorin­chem
DANS:https://doi.org/10.17026/dans-zr9-cq67

 

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.