Kwe­kel­straat 16, syna­go­ge (2000)

His­to­rie

Synagoge Gorinchem Kwekelstraat 16, fotocollectie Regionaal Archief Gorinchem.

Syna­go­ge Gorin­chem Kwe­kel­straat 16, foto­col­lec­tie Regi­o­naal Archief Gorin­chem.

Opgra­ving naar eer­gis­te­ren”

Zo beti­tel­de een jour­na­list in febru­a­ri 2000 ons onder­zoek naar de res­ten van de voor­ma­li­ge syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat in Gorin­chem. Het was voor ons de eer­ste keer dat we bewust op zoek gin­gen naar een gebouw dat op dat moment nog geen vijf­tig jaar gele­den was afge­bro­ken. Bewust, want behal­ve het hand­je­vol foto’s dat u op deze web­si­te vindt en het bouw­be­stek, her­in­nert er in Gorin­chem nau­we­lijks nog iets aan het bestaan van dit jood­se kerk­ge­bouw. De syna­go­ge werd in 1958 in het kader van de stads­sa­ne­ring gesloopt. De Jood­se gemeen­schap was na de Twee­de Wereld­oor­log zoda­nig gede­ci­meerd dat het voor de enke­le nabe­staan­den niet meer haal­baar bleek het kerk­ge­bouw in stand te hou­den. Het vrij­ge­ko­men ter­rein werd de daar­op vol­gen­de 42 jaar bestemd als par­keer­plaats.

Win­kels

Het voor­ne­men van pro­ject­ont­wik­ke­laar ING-Vast­goed om het ter­rein te bebou­wen met win­kels was de aan­lei­ding om een nader onder­zoek in te stel­len. We hoop­ten aan de hand van moge­lijk nog aan­we­zi­ge fun­de­rings­res­ten de plat­te­grond van het kerk­ge­bouw te kun­nen her­lei­den. Ondanks dat een belang­rijk deel van de grond­spo­ren in 1958 door toe­doen van de slo­pers ver­dwe­nen was, heb­ben we toch vol­doen­de gege­vens kun­nen ver­za­me­len. Hoog­te­punt van het onder­zoek was de vondst van het ritu­e­le bad (mik­we), dat vrij­wel onge­schon­den nog aan­we­zig bleek. Na over­leg met alle betrok­ke­nen werd beslo­ten het mik­we op het ter­rein te behou­den en in de nieuw­bouw op te nemen. Het bad moest daar­voor wel enke­le meters ver­plaatst wor­den, omdat het anders de fun­de­ring van de nieuw­bouw zou krui­sen.

Eer­ste Joden in Gorin­chem

Hoe lang er Joden geves­tigd waren in Gorin­chem is niet pre­cies bekend. Dui­de­lijk is in ieder geval dat in 1686 een Jood zich liet beë­di­gen als poor­ter. In de loop van de 18e eeuw ves­tig­den zich spo­ra­disch nieu­we Jood­se bur­gers in de stad die allen de zoge­naam­de Joden­eed afleg­den. Door de raad van de Bataaf­se Repu­bliek werd deze eed en ach­ter­stel­ling afge­schaft en wer­den de Joden gelijk­ge­steld als Bataafs bur­ger. Het oud­ste bewijs van een bestaan van een kil­le in Gorin­chem is de inschrij­ving van Salo­mon, zoon van Levi Mozes Hart­og en Saartje Salo­mon in 1787 in het geboor­te­re­gis­ter van de Hoog­duit­sche of Isra­ë­li­ti­sche Gemeen­te bin­nen Gorin­chem. In 1788 ves­ti­gen zich 6 Jood­se bur­gers in de stad, even­veel als in de voor­gaan­de 102 jaar ! Deze plot­se­lin­ge toe­na­me was moge­lijk het gevolg van een ver­an­de­ren­de poli­tiek die door het stads­be­stuur gevoerd werd ten aan­zien van de joden en waar­van het geboor­te­re­gis­ter een eer­ste bewijs is.

Achterzijde synagoge Kwekelstraat Gorinchem, fotocollectie Regionaal Archief Gorinchem.

Ach­ter­zij­de syna­go­ge Kwe­kel­straat Gorin­chem, foto­col­lec­tie Regi­o­naal Archief Gorin­chem.

In 1795 volg­de het ver­zoek van de Jood­se inge­ze­te­nen om hun doden bin­nen of nabij Gorin­chem te begra­ven. Voor die tijd dien­den de over­le­de­nen nog dezelf­de dag naar de begraaf­plaats in Leer­dam gebracht te wor­den. Het ver­zoek van de jood­se gemeen­te was klaar­blij­ke­lijk inge­wil­ligd want tus­sen 1803 en 1811 wer­den er Joden begra­ven op de stads­wal. De pre­cie­ze loca­tie van deze begraaf­plaats is niet meer bekend maar moge­lijk komen bas­ti­on IV of  bas­ti­on V voor de plaats in aan­mer­king. Lang­zaam maar zeker weten de joden aan het ein­de van de 18e en het begin van de 19e eeuw hun plaats te ver­wer­ven als bur­gers van de stad Gorin­chem. In 1809 bezat de Hol­landsch Hoog­duitsch-Isra­ë­li­ti­sche Gemeen­te niet min­der dan 78 leden het­geen een aan­zien­lij­ke voor­uit­gang was ten opzich­te van 1788.

Na 1814 res­sor­teer­de Gorin­chem onder de hoofd­sy­na­go­ge van Rot­ter­dam. In het­zelf­de jaar wist men ook een nieu­we en rui­me­re begraaf­plaats bui­ten de wal­len aan de Arkels­edijk te ver­wer­ven. In Gorin­chem ont­brak ech­ter een vas­te ont­moe­tings­plaats. Een syna­go­ge bestond niet, hoe­wel men die op grond van de groot­te van de gemeen­te of kil­le al gerui­me tijd had kun­nen inrich­ten. Een jood­se gods­dienst­oe­fe­ning ver­eist een mini­mum van tien man­nen (de zoge­naam­de min­jan) en die omvang bezat de kil­le al bij­na 20 jaar.

Ingang Joods kerkhof aan de Arkelsedijk, foto Martin Veen

Ingang Joods kerk­hof aan de Arkels­edijk, foto Mar­tin Veen

Het is niet dui­de­lijk waar tot aan die tijd de ere­dienst bin­nen de stad werd uit­ge­voerd. Men slaag­de er uit­ein­de­lijk in om een ver­la­ten kerk op een ach­ter­erf aan de Haven­dijk te kopen en op 20 juni 1817 kon men de eer­ste syna­go­ge inwij­den. De kerk bleek een bouw­val en na 20 jaar besloot de onder­tus­sen aar­dig in omvang toe­ge­no­men kil­le om te zien naar een ande­re loca­tie om een nieu­we syna­go­ge te kun­nen bou­wen.

Met sub­si­dies van rijk en gemeen­te en een inza­me­ling onder de eigen leden luk­te het om in 1840 voor f. 6.938,40 twee per­ce­len aan de Kwe­kel­straat te kopen waar uit­ein­de­lijk in 1841 een geheel nieuw gebouw zou ver­rij­zen dat in 1842 (5602) door de Rot­ter­dam­se opper­rab­bijn Ema­nu­el ben Cha­jim Löwen­stam met groot cere­mo­ni­eel kon wor­den inge­wijd. Het was een waar­dig gebouw waar de 130 leden met recht trots op kon­den zijn. De oude woning die op het per­ceel ten oos­ten van de syna­go­ge stond knap­te men op en richt­te men in als Hebreeuw­se school. De afge­le­gen loca­tie op het ach­ter­erf aan de Haven­dijk was inge­ruild voor een plaats tus­sen de ande­re ker­ken in het hart van Gorin­chem die de geac­cep­teer­de posi­tie van de Jood­se Gor­cu­mers onder­streep­te.

In 1902 werd een nieuw pand aan de west­zij­de van de syna­go­ge gebouwd (tegen­woor­dig Kwe­kel­straat 24 – 26). Het bestond uit een bene­den- en boven­wo­ning, onder ande­re huis­ves­ting bie­dend aan de fami­lies Kal­ker, De Leeuw, Meij­er en Poons. Ook werd hier een nieuw bad­huis inge­richt. Hoe lang dit bad nog is gebruikt is niet bekend. Hoe­wel dit pand onder­tus­sen een aan­tal keren werd ver­bouwd, is het aan­ne­me­lijk dat het bad zich nog onder de opka­mer in de woning bevindt.

Voorgevel, fotocollectie Regionaal Archief Gorinchem.

Voor­ge­vel, foto­col­lec­tie Regi­o­naal Archief Gorin­chem.

De syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat was in gebruik tus­sen 1842 en ca. 1950. Na de 2e wereld­oor­log en de depor­ta­ties waren er niet vol­doen­de Joden terug­ge­keerd om de kil­le in stand te hou­den. In 1955 ver­kocht men het gebouw en het bij­be­ho­ren­de school­tje aan de gemeen­te. De gemeen­te sloop­te de afge­ta­kel­de syna­go­ge in maart 1958. In het kader van stads­sa­ne­ring en de bouw van het the­a­ter de Nieu­we Doe­len moest het gebouw wij­ken. De daar­op vol­gen­de 42 jaar deed het ter­rein dienst als par­keer­plaats. Van het gebouw is niet veel bewaard geble­ven. Er rest nog een wind­vaan met het jaar­tal 5601 (1842), twee her­in­ne­rings­ste­nen uit de gevel en drie gebrand­schil­der­de glas in lood ramen die in het depot van het Gor­cums Muse­um ver­blij­ven.

Bestek

Kerkbestuur tijdens het 75 jarig bestaan van de synagoge in 1917, fotocollectie RAG

Kerk­be­stuur tij­dens het 75 jarig bestaan van de syna­go­ge in 1917, foto­col­lec­tie RAG

4 Junij 1841 Aan­be­ste­ding onder hoog­e­re Goed­keu­ring

Heden den veer­tien­den Junij des jaars acht­tien hon­derd een en veer­tig, des mid­dags, in de her­berg van Rei­nier Savels­berg, op den Lan­gen­dijk, te Gorin­chem,
Ten ver­zoe­ke en bij­we­zen van de Hee­ren Enoch van der Sluis, Izaäk Hij­mans, en Nathan van Stra­ten, allen koop­lie­den, wonen­de te Gorin­chem, ten deze in hun­ne betrek­king, de eerst­ge­mel­de van ouder­ling, de twee­de­ge­mel­de van Man­hi­chop­zig­ter, en de laatst­ge­mel­de van pen­ning­mees­ter, te zamen uit­ma­ken­de het Kol­le­gie van Man­hi­gim der Ring Sij­na­go­ge van de Israe­li­ti­sche Gemeen­te te Gorin­chem, en alzoo voor en namens dezel­ve Gemeen­te.

Heb ik Cor­ne­lis Gerar­dus Boon­za­jer, open­baar nota­ris, resi­de­ren­de te Gorin­chem, gead­s­is­teerd met den heer Cor­ne­lis Meu­le­man, Grif­fier bij het kan­ton­ge­r­egt, en Machiel Val­ke, Deur­waar­der, bei­den wonen­de te Gorin­chem, als hier­toe ver­zoch­te getui­gen, in het open­baar, ter aan­be­ste­ding en aan­ne­ming aan­ge­bo­den het nage­mel­de werk, en zulks naar en vol­gens het daar­van door de Hee­ren Beste­ders opge­maakt bestek en voor­waar­den van beste­ding te Gorin­chem geteek­end den elf­den Junij acht­tien hon­derd een en veer­tig, Num­mer drie hon­derd acht en twin­tig, zeven en een kward blad, zon­der ren­voi­j­en, gere­gi­streerd te Gorin­chem den elf­den Junij acht­tien hon­derd een en veer­tig, deel een en twin­tig, folio der­tig rec­to, vak een, ont­van­gen voor regt met de acht en der­tig opcen­ten, eene gul­den tien en een hal­ve cents, door den ont­van­ger geteek­end Rom, aan deze minuut gehecht en zulks daar­op ver­meld, en wel­ke voor­waar­den wor­den gehou­den als in deze geheel te zijn inge­voegd en waar­toe bij deze wordt ver­we­zen.

Tot wel­ke bedoel­de aan­be­ste­ding over­gaan­de, zoo zijn tot het­zel­ve ein­de aan­ge­bo­den :
Het bou­wen een­er geheel nieu­we kerk, bene­vens eene bad­ka­mer en kon­sis­to­rie, alles te plaat­sen op een ter­rein, aan den Blij­den­hoek of Kwe­kel­straat, ach­ter de vijf maag­den, naast de voor­ma­li­ge of oude stads bur­ger­school te Gorin­chem, mits­ga­ders het doen van eeni­ge repa­ra­tien aan het daar­naast staan­de huis, met al de daar­toe benoodig­de bouw­stof­fen en leve­ran­ti­ën er onder begre­pen.
Het­zel­ve werk is, onder nade­re appro­ba­tie, zoo van Hee­ren Beste­ders, als van het Gou­ver­ne­ment dezer lan­den, aan­ge­no­men door Jan van Dooremaal­en, met­se­laar, wonen­de te Gorin­chem, voor en om de som van vier dui­zend drie hon­derd en negen­tig gul­dens.

En heeft, na geda­ne voor­le­zing, alhier geteek­end.
(w.g.) J. van Dooremaal­en

Aldus in het open­baar gedaan, aan­be­steed en gepas­seerd te Gorin­chem, ter plaat­se, dage, door, voor en in tegen­woor­dig­heid als in het hoofd dezes gemeld, en, na geda­ne voor­le­zing, heb­ben de aan­ne­mer hier­vo­ren onder zijn par­ceel, als­me­de de beste­ders, getui­gen en Nota­ris Boon­za­jer, aan het ein­de dezer minuut, geble­ven onder den­zel­ven Nota­ris geteek­end.

(w.g.)
E. van der Sluis
I. Hij­mans
N. van Stra­ten
M. Val­ke
C. Meu­le­man
C.G. Boon­za­jer

Bestek, waar­na het Kerk­be­stuur der Israe­li­ti­sche Gemeen­te te Gorin­chem, ten over­staan van eenen daar­toe bevoeg­den Amb­te­naar publiek zal aan­be­ste­den het bou­wen een­er geheel nieu­we kerk, bene­vens eene bad­ka­mer en Kon­sis­to­rie, alles te plaat­sen op een ter­rein aan den Blij­den­hoek of Kwe­kel­straat, ach­ter de Vijf Maag­den, naast de voor­ma­li­ge of oude Stads bur­ger­school te Gorin­chem, mits­ga­ders het doen van eeni­ge repa­ra­tien aan het daar­naast staan­de huis, met al de daar­toe benoodig­de bouw­stof­fen en leve­ran­tien er onder begre­pen en hier­na­der omschre­ven.

Arti­kel 1 Beschrij­ving van het werk
De maat in dit bestek voor­ko­men­de is de Neder­land­sche el, ver­deeld in pal­men, dui­men en stre­pen, het gewigt het Neder­land­sche pond.

Arti­kel 2
De leng­te van het kerk­ge­bouw is bin­nen­werks lang elf ellen en breed zes ellen. De bad­ka­mer bin­nen­werks drie ellen, en vijf­tig dui­men lang en breed drie el, vijf­tig dui­men. De Kon­sis­to­rie bin­nen­werks lang drie ellen, vijf­tig dui­men en breed drie ellen, vijf­tig dui­men. De ver­deel­in­gen zul­len geschie­den naar de plat­te­grond en opstand­steek­e­nin­gen en vol­gens de uit­sla­gen op de ware groot­te, wel­ke daar­van voor­han­den zijn.

Arti­kel 3
In de door­sne­de over de lijn a‑b zijn de zij­ge­vels op den bega­nen grond der kerk ter zwaar­te van een en een hal­ve steen, en in de door­sne­de over de lijn c‑d, zijn het vóór- en ach­ter­front mede op den bega­nen grond ter zwaar­te van een hal­ve mopsteen. De hoog­te der muur­wer­ken zijn uit de vloer der kerk geme­ten tot den boven­kant der muur­plaat zes ellen, vijf­tig dui­men.

Arti­kel 4
De bega­ne grond in de kerk, die der bad­ka­mer en kon­sis­to­rie, zul­len twin­tig dui­men hoog­er zijn, dan de kruin der thans aan­we­zi­ge Straat.

Arti­kel 5 Gra­ven der Fon­da­men­ten
De aan­ne­mer zal de noodi­ge ont­gra­ving voor de fon­da­men­ten moe­ten doen, en wel na de plat­te­grond­steek­e­ning, zeven pal­men die­per dan de kruin der straat, tot zood­a­ni­ge breed­te, dat de fon­da­men­ten daar­in onge­hin­derd kun­nen gelegd wor­den. Indien bevon­den wordt, dat de grond voor het daar­stel­len van het voor­schre­ven gebouw, niet vol­doen­de was, zal de aan­ne­mer op order van de Hee­ren Beste­ders of een daar­toe gesteld per­soon, aan de vier hoe­ken der gegra­ve­ne sleuf, zoo­veel mas­te palen in den grond heij­en met de benoodig­de den­nen kep­sen en pla­ten daar­op, als hem zal wor­den geor­don­neerd. Iede­re paal lang drie ellen, zwaar op den kop twin­tig dui­men dia­me­ter en aan den punt veer­tien ad vijf­tien dui­men, waar­voor als­dan aan den aan­ne­mer extra zal wor­den betaald vijf gul­den voor iede­re paal, de leve­ran­cier en het arbeids­loon daar­on­der begre­pen.

Arti­kel 6 Fon­da­men­ten
Alvo­rens met het met­sel­werk te begin­nen, zal de aan­ne­mer in de fon­da­ments­sleu­ven bren­gen eene laag steen­puin, ter genoeg­za­me breed­te, dik twaalf dui­men ; dezel­ve goed vast aan­stam­pen en met drie dui­men dik­te zand over­dek­ken.

De fon­da­men­ten voor de kerk aan te leg­gen ter zwaar­te van drie en een hal­ve mopsteenen ; de twee eer­ste lagen in zand, dezel­ve goed in te was­schen en de ove­ri­gen in kalk­mor­tel steen op te met­se­len, om de twee pal­men hoog­te aan iede­re zij­de een kle­zoor te ver­snij­den en zood­a­nig te bewer­ken, dat gemel­de muren op de hoog­te van twin­tig dui­men onder den kruin der straat nog twee steenen zwaar­te behou­den.

De regt­stands­mu­ren der kerk dan ver­der op te wer­ken ter zwaar­te van een en een hal­ve steen met bes­ten hard­graauw in ster­ken bas­terd tras, tot de hoog­te van vijf­tig dui­men bene­den den kruin der straat.

De fon­da­men­ten der bad­ka­mer en kon­sis­to­rie, waar­van de regt­stan­den moe­ten opgaan van één steen, aan te leg­gen ter zwaar­te van één en één hal­ve steen en ter hoog­te van zes lagen of der­tig dui­men.

De sepa­ra­tie muur, waar­van het regt­stand moet opgaan van een hal­ve steen, aan te leg­gen ter zwaar­te van één steen en ter hoog­te van vier lagen of twin­tig dui­men in kalk­mor­tel en even zooals van de fon­da­men­ten der kerk is gezegd.

Arti­kel 7 Met­sel­werk
Al de met­sel­wer­ken naar de teek­e­ning zui­ver water­pas aan te leg­gen met hee­le en drie kwart­steenen in het sterk­ste kruis­ver­band, van bin­nen en bui­ten met bedek­te voe­gen, vol­ko­men met spe­cie gevuld te wer­ken en tel­kens om elke ver­snij­ding van hoek tot hoek over te water­pas­sen, in te was­schen en zorg te dra­gen dat de steenen voor de ver­wer­king behoor­lijk nat gemaakt en bij de ver­wer­king wind droog zijn.

Arti­kel 8 Aan­vul­ling der Fon­da­men­ten
De aan­vul­ling der fon­da­men­ten zal niet eer­der geschie­den, dan na dat al de met­sel­wer­ken op de hoog­te van den kruin der straat zijn gebragt.

Toegangspartij synagoge Kwekelstraat Gorinchem

Toe­gangs­par­tij syna­go­ge Kwe­kel­straat Gorin­chem

Arti­kel 9 Opstand
Het vóór- en ach­ter­front der kerk op de gemet­sel­de fon­da­men­ten aan te leg­gen van een en een hal­ve steen met de benoodig­de klom­pen, dik een hal­ve steen, breed zes­tig dui­men tot op de hoog­te der bekoe­pe­ling en van daar met één steen opgaan tot onder de muur​plaat​.De twee zij­ge­vels der kerk op de gemet­sel­de fon­da­men­ten, aan te leg­gen van één en één hal­ve steen tot op de hoog­te der bekoe­pe­ling en van daar met één steen opgaan tot boven den nok.

Het voor­front zal met hard graauw en best rood van bin­nen, en het ach­ter­front bene­vens de twee zij­ge­vels met best boe­ren­graauw en best rood van bin­nen opge­met­seld wor­den, ter hoog­te van één el boven den bega­nen grond die­nen­de tot tras­raam, zal met ster­ken bas­terd tras en van daar tot onder de muur­plaat en boven den nok met kalk­mor­tel moe­ten gemet­seld wor­den.
De regt­stands­mu­ren der bad­ka­mer en kon­sis­to­rie op de gemet­sel­de fon­da­men­ten aan te leg­gen van één steen tot onder de muur­plaat bene­vens het sepa­ra­tie muur­tje, op het fon­da­ment aan te leg­gen van een hal­ve steen ; al deze muren van best­rood in kalk mor­tel op te met­se­len.

In de bad­ka­mer te met­se­len een for­nuis met den benoodig­den ijze­ren pot ; deze pot zal door Hee­ren Beste­ders wor­den gele­verd, met een schoor­steen twin­tig met twin­tig dui­men van IJs­sel­bo­ven­steen, in manie­re zooals aan­ge­we­zen zal wor­den, bene­vens een gemet­sel­de water­dig­te put, als­me­de een trap in het bad cir­ca zes tre­den diep, bin­nen­werks lang eene el, negen en zeven­tig dui­men en breed eene el drie dui­men met lui­ken en eiken­rand daar­op te maken zooals behoort en gelijk op de teek­e­ning aan­ge­ge­ven is, alles zooals den aard van dus­da­nig werk vor­dert, en al het water te lei­den tot in den water­gang vol­gens genoe­gen van de Hee­ren Beste­ders.

Voorts het dak der kerk te dek­ken met blaau­we bes­te Woer­den­sche pan­nen en te bevor­sten.
In de voor­schre­ven muren zui­ver te lood te stel­len en te wer­ken de navol­gen­de deur- en licht­ko­zij­nen.

De deur voor den ingang der kerk te maken als eene val­deur, met lood en koord te voor­zien zooals behoort, als­me­de de stoep te maken lang tien ellen, tach­tig dui­men, tus­schen zijn rol­laag van vlak­ke har­de klin­kers in de spe­cie met IJs­sel­on­der­steen, drie gemet­sel­de toog­ko­zij­nen, die­nen­de tot licht­ra­men, ieder met een Escau­sijn­sche dul­per te voor­zien, lang cir­ca één el, twee en veer­tig dui­men, dik der­tien met vijf en der­tig dui­men ; ‑in alle toog­ko­zij­nen in iede­re raam te maken eene ruit, die open en toe­ge­daan kan wor­den, met knip­pen en koord zooals behoort.

In het ach­ter­front drie gemet­sel­de toog­ko­zij­nen tot licht­ra­men, één deur­ko­zijn tot ingang der Bad­ka­mer en Kon­sis­to­rie.
In de twee zij­ge­vels twee toog­ko­zijn­tjes voor licht­ra­men boven de bekoe­pe­ling.
In de bad­ka­mer ééne deur en één licht­ko­zijn.
In de kon­sis­to­rie ééne deur en één licht­ko­zijn.

Arti­kel 10
Al de voor­schre­ve­ne muren, voor­al zui­ver vlak te wer­ken, en bij de opmet­se­ling van bin­nen dade­lijk met kalk vol te gooi­j­en, en te schu­ren zon­der veel spe­cie tot de vlak­king noodig te heb­ben of te moe­ten gebrui­ken ; hier­op en op de bou­wing en afpra­ming der steen­kalk zal bij­zon­der acht moe­ten gege­ven wor­den, ten ein­de het raap­werk voor uit­zet­ting, blad­de­ring, enz. te bewa­ren, en de ver­ee­ni­ging met de met­sel­kalk te bevor­de­ren.

Het voor­front met gesne­de­ne voe­gen af te voe­gen, en de zij­ge­vels, ach­ter­front, bad­ka­mer en kon­sis­to­rie mede op te voe­gen en met de dag­gen door­ge­haald, alles vol­gens den eisch van een dus­da­nig werk. De muren der bad­ka­mer en kon­sis­to­rie onder de rij vol te gooi­j­en, en de muren tot onder de zol­der­dee­len over te rapen en te pleis­te­ren. In de bad­ka­mer zal den aan­ne­mer eene vloer van bes­te blaau­we Rijn­sche tegels moe­ten leg­gen, bene­vens een wit tegel­tje van onder langs de muren, zooals zulk werk ver­eischt.

Arti­kel 11
De met­sel­spe­cien zul­len moe­ten zijn als volgt :
De slap­pen bas­terd tras, zes dee­len kalk, één deel tras en twee dee­len zand.
Kalk­mor­tel, zes dee­len kalk, vier dee­len zand.
De kalk steen­kalk
De tras Dord­sche keur
Het zand zui­ver scherp rivier­zand
De kalk zal moe­ten wor­den gemaakt in eene behoor­lij­ke over­dek­te plaats.

Arti­kel 12 Tim­mer­werk
Al de tim­mer­wer­ken zoo­veel moge­lijk met pin en gat zamen te stel­len, de lijs­ten vol­ko­men en zui­ver vlak naar den eisch van ieder werk te scha­ven, op te scha­ven en vol­gens de bes­te wij­ze van ver­ee­ni­ging zamen te voe­gen met verf aan te bren­gen en sterk te spij­ke­ren.

De vloer­bind­ten der kerk, vrou­wen­kerk en kon­sis­to­rie aan eene zij­de regt te strij­ken, de vloer­dee­len behoor­lijk te scha­ven en te kant­reg­ten.
De zol­der­bind­ten der bad­ka­mer en kon­sis­to­rie te scha­ven, de dee­len aan bei­de zij­den te scha­ven, kant­reg­ten, ploe­gen, leg­gen en aan te drij­ven.
De kap­ge­bind­ten, sprui­ten en gor­din­gen, dak­dee­len voor de bekleeding, enz. te scha­ven.
De deu­ren en licht­ko­zij­nen voor de kerk, bad­ka­mer en kon­sis­to­rie benoodigd, moe­ten naar de teek­e­ning wor­den zamen­ge­steld of zooals geor­don­neerd zal wor­den, bene­vens het deur­ko­zijn tot ingang der kerk van grei­nen riga’s hout, dik vijf­tien dui­men, vijf stre­pen met twin­tig dui­men, zes stre­pen, te stel­len op Escau­sijn­sche base­ment­no­ten, lang vijf en vijf­tig dui­men, met des­zelfs dul­per daar tus­schen, breed twee pal­men, zeven stre­pen met één palm, vijf dui­men, vijf stre­pen ; ‑daar­in te maken twee pane­len deu­ren van grei­nen noords hout, dik blij­vens vier dui­men ; de pane­len van wagen­schot dik drie dui­men, drie stre­pen, te han­gen aan drie bekwa­me bogt­knie­ren met dub­be­le gewrig­ten en te slui­ten met een bekwaam trek­slot met twee sleu­tels en schroe­ven te voor­zien ; als­me­de het raam boven de deur van grei­nen hout, de spij­len van wagen­schot en een snij­stuk­je in het glas­hout en van bui­ten te bewer­ken met pilas­ters van grei­nen hout dik vijf dui­men, breed twee pal­men, negen dui­men met zijn kap­luif daar­bo­ven te bewer­ken na de Corin­thi­sche orde in dek­ken met zwaar orgel­lood en met twee leeu­wen­kop­pen in de deu­ren.
Al het hout voor het bui­ten­werk benoodigd, zal van grei­ne hout moe­ten zijn Riga’s.
Het raam­hout van negen en der­tig streeps hout.
Het hout voor­al het bin­nen­werk moet zijn van den­nen hout en zwaar­te als volgt :
De kap­sprui­ten zwaar tien à zes­tien dui­men.
De gor­ding tien met zes­tien dui­men en de nok acht à tien dui­men.
De dak­dee­len zwaar drie dui­men à der­tig dui­men den­nen dee­len.
De toogen voor de bekoe­pe­ling uit slijp­dee­len, dub­beld tegen elkan­der geklampt.
De schro­ten zwaar twee dui­men, zes stre­pen à tien dui­men.
De draag­balk boven de kolom­men der vrou­wen­kerk zwaar der­tien à acht­tien dui­men.
De leg­ger­tjes der vrou­wen­kerk zwaar tien à vijf­tien dui­men.
De vloer op dezel­ve zwaar negen en der­tig stre­pen.
De vloer in de kerk uit eiken rib­ben, zwaar tien à tien dui­men, niet wij­der van een mid­den op mid­den als negen­tig dui­men, op teer­ling­jes gemet­seld en met negen en der­tig streeps den­nen dee­len beves­tigd twee lang.
De vloer in de kon­sis­to­rie uit eiken rib­ben, zwaar acht à tien dui­men en met negen en der­tig streeps dee­len beves­tigd.
De toren op de kerk vol­gens teek­e­ning daar te stel­len, alles over­een­kom­stig den aard van zood­a­nig werk, breed één el, veer­tig dui­men.
Het bin­nen­werk der kerk zooals ban­ken niet draai­ba­re les­se­naars te maken, de ban­ken langs den muur in manie­re zooals de teek­e­ning aan­wijst en alle zit­ban­ken in de kerk te han­gen en te slui­ten zooals behoort.
De pre­dik­stoel als­me­de de bewa­rings­kast der Moza­ï­sche wets­rol­len te bewer­ken na de Corin­thi­sche orde van den­nen hout, als­me­de twee les­se­naars te ver­vaar­di­gen van grei­nen hout in manie­re zooals aan­ge­we­zen zal wor­den, de deu­ren wagen­schot, de kolom­men van grei­nen hout, het hart daar­uit geboord, alles in manie­re zooals aan­ge­we­zen zal wor­den en in de plat­te grondteek­e­ning aan­ge­ge­ven en de pre­dik­stoel op eene meer sier­lij­ke wij­ze naar kerk­be­stuur­ders goed­vin­ding zal daar­ge­steld wor­den.
De archi­tra­ven om de deur­ko­zij­nen enz. de kolom­men en balie vol­gens teek­e­ning en naar den uit­slag te wer­ken.
Voor de vrou­wen­kerk een trap te maken vol­gens den uit­slag met eene aan­tre­de van zes­tien dui­men, de kwar­tier­boo­men van vijf en vijf en twin­tig dui­men, de tre­den negen en der­tig stre­pen met een gref van voren.
De stoot­bor­den zes en twin­tig stre­pen met de benoodig­de leu­nin­gen vol­gens den eisch daar te stel­len.
Nog : ach­ter op de plaats tegen het kerk­ge­bouw te maken een geheim gemak, vol­gens eisch daar te stel­len met zijn riool, pot en zin­ken treg­ter te voor­zien en van boven met een plat van zink van num­mer veer­tien digt te dek­ken, en het water te lei­den door een zin­ken pijp­je zoo als behoort.
Voorts nog te maken een por­taal met het benoodig­de regel­werk, enz. ter hoog­te van twee ellen, der­tig dui­men van den­nen­hout, dik twee dui­men, zes stre­pen, het regel­werk dik vijf met acht dui­men, met eene val­deur daar­in na genoe­gen.
In het voor­front vol­gens teek­e­ning en naar den uit­slag aan te bren­gen eene lijst vol­gens Dori­sche orde, in het ach­ter­front eene keul­sche goot met al de benoodig­de win­kel­haak­ij­zers te voor­zien.
Als­me­de tus­schen het huis en de kerk eenen door­gang te laten en den­zel­ve te bestra­ten met IJs­sel­on­der­steen.
Voorts te maken eene hei­ning muur lang cir­ca ééne el, hoog twee ellen, vijf­tig dui­men van best boe­ren­graauw, ter dik­te van één steen met zijn benoodigd fon­da­ment daar­on­der en met een ezels­rug rol­laag te dek­ken en dezel­ve te voe­gen en te dag­gen, daar­in te maken eene poort­deur van vuuren hout, dik drie dui­men met drie klam­pen en te han­gen met veer­duim­han­gen en te slui­ten onder en boven met een zwa­re gren­del en met een inla­tend slot zooals behoort, alles te bewer­ken zooals in arti­kel zes beschre­ven is, bene­vens de ban­ken op de vrou­wen­kerk te maken van den­nen hout, in manie­re zooals aan­ge­we­zen zal wor­den ; voor het regel­werk dik acht met acht dui­men, voor de zit­plan­ken dik vier dui­men, als­me­de de les­se­naars tegen de balie van den­nen hout, dik twee dui­men, zes stre­pen.

Arti­kel 13
Al de ver­eischt wor­den­de spij­kers, hout­schroe­ven, sluit­pla­ten, kope­ren bos­jes voor de schui­ven, pin­nen, enz. voor de uit­voe­ring van dit werk onmis­baar te leve­ren, en daar waar in dit bestek geene leng­te of zwaar­te der spij­kers is aan­ge­we­zen, wordt dezel­ve ver­on­der­steld en bij deze bepaald, het dub­beld van de dik­te der ver­bin­den­de voor­wer­pen te zijn.

Arti­kel 14
Al de tot de uit­voe­ring van dit werk benoodigd zijn­de for­me­len, mal­len, stij­gers, enz. te maken en te leve­ren, ten ein­de het werk gere­geld ten uit­voer te bren­gen.

Arti­kel 15 Hard­steen­werk
De drie bin­nen­deur­ko­zij­nen op hard­steenen noot­jes te stel­len met zij­ne dul­pers daar­tus­schen, bene­vens op de vier hoe­ken, alwaar de vleg­tin­gen begin­nen, bene­vens boven het dak aan bei­de zij­den, en op de vier pilas­ters van ach­te­ren mede hard­steenen dek­stuk­jes te plaat­sen. In den ingang der kerk en den uit­gang der­zel­ve naar de bad­ka­mer, te leg­gen twee hard­steenen dor­pels, hoog vijf en twin­tig dui­men.

Arti­kel 16
Al de hard­steenen wer­ken vol­gens teek­e­ning en daar­van te maken mal­len, zui­ver vlak te wer­ken met dig­te voe­gen te stel­len en lood tus­schen de op elkan­der komen­de steenen te leg­gen, de ijzer­wer­ken met bekwa­me doken en de steenen te ver­bin­den en met lood vast te gie­ten, zorg­dra­gen­de dat de dook­ga­ten rond­om vijf stre­pen rui­mer zijn dan de dik­te der doo­ken, en al de hard­steenen naar den eisch van het werk te frij­nen en op te schu­ren waar zulks ver­eischt wordt.

Arti­kel 17 IJzer­wer­ken
De ankers die tot ver­bin­ding door de kerk komen, zwaar drie à vier dui­men en de scheu­ten moe­ten mede van drie à vier dui­men ijzer gemaakt wor­den, bene­vens de drie hang­ij­zers voor de kroo­nen. Al het ver­der benoodig­de ijzer­werk hoe ook genaamd, moet alle van het bes­te soort en genoeg­za­me zwaar­te zijn.

Arti­kel 18 Lood- en Zink­wer­ken
Al het lood en zink te leve­ren, leg­gen en sol­de­ren, zooals de mees­te deugd van het werk vor­dert en hem aan­ne­mer zal wor­den geor­don­neerd.
Het lood moet der­tig neder­land­sche pon­den in de vier­kan­te el zwaar zijn, het zink van num­mer veer­tien ; de ver­ga­der­bak­ken en aflaat­pij­pen van zink te maken, de pij­pen wijd zes dui­men. Het zink met zink­spij­kers te bespij­ke­ren, en daar waar het­zel­ve met het ijzer in aan­ra­king zou­de komen, het ijzer met orgel­lood te beklee­den.

Arti­kel 19 Verf­wer­ken
Al de hout­wer­ken, waar­te­gen gemet­seld of die tegen hard­steenen gesteld zijn, een­maal te ver­wen.
Het ijzer­werk eerst te meni­ën en daar­na twee maal te ver­wen bene­vens de bad­ka­mer en kon­sis­to­rie.
Al de kozij­nen, ramen, deu­ren, lijs­ten en bui­ten­hout­wer­ken te stop­pen, oli­ën, gron­den en twee maal over te ver­wen.
De hout­wer­ken bin­nen het gebouw te stop­pen, lij­men, de pori­ën vol en gelijk te schu­ren, te oli­ën, te gron­den en twee maal over te ver­wen naar onder­lin­ge ver­kie­zing, bene­vens het gehee­le staan­de werk van de bewa­rings­kast der Moza­ï­sche wets­rol­len met meer­der sie­raad van verf­werk aan te bren­gen, als­me­de naar onder­lin­ge ver­kie­zing der aan­be­ste­ders te bewer­ken. Voorts de benoodig­de verf voor het inpas­sen en in elkan­de­ren voe­gen der hout­wer­ken en het aan­bren­gen der lijs­ten te leve­ren.

Arti­kel 20
Wij­ders, zooals bij de tim­mer­wer­ken bepaald is, de inge­dre­ven spij­ker­kop­pen, de gaten met
olie­stop­verf te stop­pen en te ver­wen, als­dan het lood en zink te leg­gen.

Arti­kel 21 Gla­zen­ma­kers­werk
Alle ramen, nadat dezel­ve geö­lied, gegrond en inge­past zijn, naar den eisch te dig­ten met best half wit Fransch glas, zon­der bla­zen of eeni­ge gebre­ken en met menie stop­verf aan­stop­pen, naar den aard in te zet­ten, te pin­nen en te zor­gen dat er geene geberste gla­zen gebe­zigd wor­den.

Arti­kel 22 Stu­ka­door­wer­ken
De bekoe­pe­ling en lijst­be­kleedin­gen met best droog maas riet van de eer­ste kwa­li­teit, behoor­lijk inge­kort met gegloeid koper­draad en spij­kers aan te bren­gen en acht geven­de dat de naden wor­den ver­mijd.
Het koper­draad van bekwa­me dik­te, met spij­kers op eenen afstand van vijf en zes­tig stre­pen, in reij­en van der­tien dui­men van elkan­de­ren aan te bren­gen en te spij­ke­ren ; de ruwe grond, bestaan­de uit vier dee­len kalk, twee dee­len zand, een deel pleis­ter en met een lang raap­bord over te strij­ken ; de grond behoor­lijk opge­droogd zijn­de met dezel­ve, maar gezif­te spe­cie over te rapen en daar­na over te pleis­te­ren met Vries­sche stuif­kalk en fijn gema­len pleis­ter, bene­vens de vier zij­den der kerk in lijst te wer­ken, even zooals van de bekoe­pe­ling is gezegd.

Arti­kel 23 Repa­ra­tie van het huis
Al de gebre­ken aan de twee schuif­ko­zij­nen in den voor­ge­vel van het huis in Wijk D. Num­mer 121, bevon­den wor­den­de moe­ten maken, bene­vens voor ieder twee nieu­we ven­sters te ver­vaar­di­gen, alles in manie­re zooals het oude bevon­den wordt en het deur­ko­zijn te repa­re­ren zooals behoort.
Als­me­de de vloer in de gang mits­ga­ders de bin­nen­ka­mer te repa­re­ren zooals aan­ge­we­zen zal wor­den.
In de zij­ka­mer het noodi­ge te doen en op nieuw beplak­ken met gemeen papier na ver­kie­zing.
In de keu­ken den zol­der behoor­lijk in zijn vori­ge orde te bren­gen gelijk ook de vloer, als­me­de het deur­ko­zijn van den kel­der en dat van de plaats, bei­den in zijn vori­ge orde te maken, bene­vens in den kel­der de steenen vloer en zol­der en daar­in te maken twee rig­gels en uit het gehee­le dak daar­bo­ven de gebarste pan­nen uit te nemen en digt dek­ken.
Ver­vol­gens de gehee­le bin­nen­plaats moe­ten ver­stra­ten met de uit­ge­ko­me­ne straat­steenen, met eene goot langs den muur en de te kort komen­de steenen daar­bij moe­ten leve­ren, bene­vens onder het dak te maken eene grei­nen goot, dik tien met vijf­tien dui­men met een zin­ken pijp en treg­ter te voor­zien, als­me­de eene aflei­ding goot te maken van grei­nen plan­ken, in manie­re zooals aan­ge­we­zen zal wor­den.
Wij­ders den gehee­len ach­ter­ge­vel van het voor­noem­de huis met des­zelfs geheim gemak, ramen, deu­ren, in manie­re te maken van grei­nen hout, alles zooals het oude bevon­den wordt, als­me­de onder het gehee­le dak te maken eene grei­nen goot, dik tien dui­men, vier stre­pen met vijf­tien dui­men, zes stre­pen met des­zelfs uit­lo­zings­pijp van zink zooals behoort.
Mits­ga­ders den gehee­len water­gang weder in orde te maken, al de opstands­mu­ren moe­ten afbre­ken, zoover die slecht bevon­den zul­len wor­den en weder opwer­ken met de oude afge­ko­me­ne hee­le steenen en de te kort komen­de zul­len door den aan­ne­mer moe­ten gele­verd wor­den, als­me­de de gehee­le schoe­ij­ing in zijn vori­ge orde te maken met eiken scheeps­hout, alles van dik­te zooals het oude bevon­den zal wor­den en van boven digt dek­ken zooals behoort.
Als­me­de op de boven­voor­ka­mer de vloer moe­ten betin­ge­len daar zulks noodig is ; als­dan in het mid­den te maken een schei­be­schot, glad geschaafd van drooge vlot­dee­len met eene deur daar­in te han­gen en te slui­ten met ring en klink ; mits­ga­ders daar te maken eene bed­ste­de, alles geschaafd van den­nen­hout, voor de pilas­ters slijp­dee­len, ver­ders alles van vlot­dee­len met deur­tjes onder de zet­ting van den­nen­hout, dik twee dui­men, te han­gen zooals behoort, als­me­de al de gebre­ken aldaar aan de twee schuif­ko­zij­nen, de stij­len en den dul­per moe­ten maken, bene­vens de ramen in orde te maken zooals behoort.
Ver­vol­gens zal den aan­ne­mer op de vlie­ring in den ach­ter­ge­vel het kozijn­tje moe­ten repa­re­ren, bene­vens een raam daar­in te maken van grei­nen hout en te stop­pen zooals behoort, als­me­de in de vlie­ring te ver­wer­ken vier ellen vlot­dee­len, als­dan het noodi­ge te betin­ge­len na genoe­gen.
Als­me­de den brand­ge­vel in zijn geheel moe­ten digt met­se­len in de spe­cie, dik één steen tot onder den naald en aan­ra­pen en twee malen wit­ten, als­me­de uit het gehee­le dak al de wrak­ke pan­nen te wer­ken en al de vor­sten en zoo­men digtsmee­ren ; al de pan­nen van bin­nen digtsmee­ren met spe­cie met haar gemengd zooals behoort.

Arti­kel 24 Kwa­li­teit en keu­ring der mate­ri­a­len
Al de mate­ri­a­len en gereed­schap­pen voor dit werk benoodigd, zal de aan­ne­mer voor zij­ne reke­ning moe­ten aan­schaf­fen en ver­zor­gen en moe­ten zijn van de bes­te in hun­ne soort.
Geene mate­ri­a­len, hoe ook genaamd, mogen ver­werkt wor­den, dan nadat dezel­ve alvo­rens door de daar­toe gestel­de direc­tie zul­len zijn goed­ge­keurd.
De afge­keur­de zul­len dade­lijk van het werk moe­ten ver­wij­derd en door vol­doen­de ver­van­gen wor­den.
Indien de aan­ne­mer ter kwa­der trouw han­del­de, om afge­keur­de of onge­keur­de mate­ri­a­len te ver­wer­ken, zal hij tel­ken rei­ze ver­beu­ren eene boe­te van vijf en twin­tig gul­den, die van zij­ne aan­ne­ming­som zal wor­den afge­trok­ken.

Arti­kel 25 Ver­ge­ting of duis­ter­he­den
Indien onder de bewer­king eeni­ge duis­ter­he­den in dit bestek mog­ten voor­ko­men, blijft de uit­leg­ging daar­van aan de Hee­ren beste­ders, of een daar­toe gestel­de opzie­ner naar wel­ker uit­spraak de aan­ne­mer zich zal moe­ten gedra­gen.
De stads­stra­ten voor zoo­veel die door het gra­ven der fon­da­men­ten of het maken der stel­lin­gen defect wor­den, zal de aan­ne­mer na genoe­gen van Hee­ren Bur­ge­mees­ter en Wet­hou­de­ren moe­ten her­stel­len.

Arti­kel 26 Begin en vol­tooying van het werk
De aan­ne­mer zal na beko­men toe­zeg­ging van het werk, dade­lijk een aan­vang moe­ten maken en te zor­gen, dat het gebouw op den vijf­tien­den Janu­a­rij aan­staan­de in orde opge­le­verd is, het­zel­ve niet klaar bevon­den wor­den­de, zal den aan­ne­mer van zij­ne bedon­gen aan­ne­mings­gel­den wor­den gekort voor iede­ren dag, die hij lan­ger werkt drie gul­den, ten voor­deele van de Hee­ren beste­ders.

Arti­kel 27 Beta­ling
De beta­ling zal geschie­den in vier ter­mij­nen.
De eer­ste als de fon­da­men­ten met een el daar­op gewerkt zijn.
De twee­de als het plaats­hoog­te met de bekoe­pe­ling zal klaar zijn.
De der­de als het onder dak en het bin­nen­werk klaar is, en
De vier­de als het werk op den vijf­tien­den Febru­a­rij acht­tien hon­derd twee en veer­tig zon­der hoofd­ge­bre­ken zal bevon­den wor­den.

Arti­kel 28 Onkos­ten
De zegel- en regi­stra­tie reg­ten op deze aan­be­ste­ding val­len­de ; het sala­ris van den amb­te­naar over dezel­ve staan­de, het plaat­sen van adver­ten­tien in de cou­ran­ten en het ver­der bekend maken der­zel­ve bene­vens de kamer­huur komen geheel ten las­te van den aan­ne­mer

Gorin­chem den IIen Junij 1800 één en veer­tig
Het Kerk­be­stuur der Israe­li­ti­sche Gemeen­te voor­noemd
(w.g.)

E. van der Sluis
I. Hij­mans
N. van Stra­ten

Deze gehecht aan de minuut pro­ces ver­baal van aan­be­ste­ding voor den onder­geteek­en­den nota­ris en getui­gen te Gorin­chem gepas­seerd den 14den Junij 1841, Num­mer 126.
(w.g.)

M. Val­ke
C. Meu­le­man
C.G. Boon­za­jer
I. Hij­mans
N. van Stra­ten
E. van der Sluis
J. van Dooremaal­en

Inte­ri­eur

Interieur synagoge met gezicht op de Ark, fotocollectie RAG.

Inte­ri­eur syna­go­ge met gezicht op de Ark, foto­col­lec­tie RAG.

In de jood­se reli­gie vormt de syna­go­ge een cen­tra­le plaats van samen­komst voor gebed en stu­die. Van­daar dat het gebouw ook wel ‘sjoel’ (school) wordt genoemd. De gehe­le dienst in de syna­go­ge is ver­vat in een gebe­den­boek of Sidoer. De tijd­stip­pen en de wij­ze waar­op uit de Tora (de vijf boe­ken van Mozes) wordt gele­zen, het Sje­ma (het eer­ste hoofd­ge­deel­te uit de litur­gie) wordt gezegd en het gebed of Tefi­la wordt gere­ci­teerd, zijn daar­in aan­ge­ge­ven.

De inrich­ting van de syna­go­ge dient het belang van de cen­traal staan­de Tora te onder­stre­pen. Ken­mer­kend zijn daar­om : de aan­we­zig­heid van een kast of Ark voor de Tora-rol­len, een ver­ho­ging of bie­ma in het mid­den en een afge­schei­den ruim­te voor vrou­wen met uit­zicht op kast en bie­ma.

De Ark bevindt zich aan de oost­zij­de van de gebeds­ruim­te in de rich­ting van Jeru­za­lem. De kast wordt geflan­keerd door zui­len en is vaak voor­zien van cita­ten. Op de Ark het eeu­wig bran­dend licht (ner tamied) en ervoor het paro­chet (voor­hang), uit kost­baar tex­tiel ver­vaar­digd. Rechts staat meest­al de negen­ar­mi­ge cha­noe­ka-kan­de­laar. Voor de Ark staat een leze­naar of amoed, van­waar de voor­gan­ger een groot deel van de litur­gie reci­teert.

Reconstructie plattegrond synagoge Gorinchem door Bert Stamkot, Cartografisch Bureau MAP Amsterdam

Recon­struc­tie plat­te­grond syna­go­ge door Bert Stam­kot, Car­to­gra­fisch Bureau MAP Amster­dam

De Tora-rol wordt met res­pect behan­deld. Men gaat staan, wan­neer zij naar de bie­ma wordt gedra­gen, waar de rab­bijn een hoofd­stuk gaat voor­le­zen. De stok­ken waar­aan de rol is beves­tigd wor­den wel levens­bo­men genoemd en zijn ver­sierd met zil­ve­ren torens met rin­ke­len­de bel­le­tjes of met een Tora-kroon (keter Tora). Opge­rold wordt de Tora bekleed met een (vaak) kost­ba­re man­tel, waar­voor weer een zil­ve­ren schild of tas en een yad (aan­wijs­stok­je) gehan­gen wordt. De ban­ken in de syna­go­ge staan gericht naar de bie­ma. De ver­ho­ging is omrand door een balus­tra­de. In het mid­den een tafel belegd met een fraai bewerkt kleed, in de kleu­ren van de des­be­tref­fen­de feest­dag. Onder de tafel wer­den cere­mo­ni­ë­le objec­ten voor de diver­se feest­da­gen bewaard.

Vernield interieur synagoge januari 1941, fotocollectie Regionaal Archief Gorinchem

Ver­nield inte­ri­eur janu­a­ri 1941, foto­col­lec­tie Regi­o­naal Archief Gorin­chem

Na de slui­ting van de syna­go­ge werd de inven­ta­ris ver­kocht en raak­te ver­spreid. Zo nam de Isra­ë­li­ti­sche gemeen­te in Rot­ter­dam veel van de ritu­e­le voor­wer­pen over, waar­on­der een zil­ve­ren Tora­k­roon, 5 Siprê Tora, 3 Toraman­tels, een paar klei­ne zil­ve­ren sier­to­rens, een stan­daard voor een Toraman­tel, een paar school­boe­ken, 3 stel kle­den voor het Almem­mor en Aron Hako­desj en een klei­ne zil­ve­ren yad. Een van de ande­re Tora-man­tels vond een nieu­we bestem­ming in het Joods His­to­risch Muse­um in Amster­dam. De Tora-kroon werd ver­kocht even­als de gro­te 18e eeuw­se kroon­luch­ters.

Onder­zoek

Aanleg eerste vlak in de werkput

Aan­leg eer­ste vlak in de werk­put

Doel­stel­ling onder­zoek

De voor­naams­te doe­len voor het arche­o­lo­gisch onder­zoek bin­nen Gorin­chem bestaan ener­zijds uit het vast­leg­gen van arche­o­lo­gi­sche spo­ren die een bij­dra­ge zou­den kun­nen leve­ren aan de arche­o­lo­gi­sche topo­gra­fie van Gorin­chem. Een­vou­dig gesteld komt dat neer op de vol­gen­de vra­gen : waar bevond zich bebou­wing ? , Uit wel­ke peri­o­de dateert deze ? Wat was de aard van de bebou­wing : wonen, wer­ken etc.? Hoe was de stad inge­deeld ?

Ander­zijds dient aan­dacht geschon­ken te wor­den aan de res­ten van de mate­ri­ë­le cul­tuur, de vond­stom­stan­dig­he­den, de dia­chro­ne ont­wik­ke­ling zowel kwa­li­ta­tief als kwan­ti­ta­tief, de res­ten van voed­sel­pa­tro­nen, gebruik van hulp­bron­nen etc. Ver­taald in vra­gen komt dat bij­voor­beeld neer op : Wel­ke gebruiks­voor­wer­pen wor­den gevon­den op de vind­plaats ? Welk aar­de­werk, glas, metaal, hout etc. gebruik­te men en waar­voor ? Wel­ke hoe­veel­he­den gebruik­te men ? Is dat door de tij­den heen aan ver­an­de­ring onder­he­vig ? Is het moge­lijk om aan de hand van de vond­sten uit­spra­ken te doen over de wel­stand of maat­schap­pe­lij­ke posi­tie van de bewo­ners, gebrui­kers ? Is het moge­lijk om uit­spra­ken te doen over de voor­keur van de vroe­ge­re bewo­ners ?

Het onder­zoek van de vind­plaats aan de Kwe­kel­straat was ech­ter wat betreft tijd, inspan­ning en finan­ci­ën beperkt. De vraag­stel­ling was daar­aan nood­ge­dwon­gen aan­ge­past. Voor de syna­go­ge zijn van­we­ge de beperk­te aard van het onder­zoek de vol­gen­de pun­ten van belang : Even­tu­e­le res­tan­ten van de syna­go­ge dien­den gedo­cu­men­teerd te wor­den voor­dat zij door de komen­de bouw­werk­zaam­he­den ver­lo­ren zou­den gaan ; Het regi­stre­ren van vroe­ge­re res­ten van bewo­ning op het perceel.Het ver­za­me­len en ber­gen van mate­ri­ë­le res­ten (vond­sten) die gere­la­teerd kun­nen wor­den aan het gebruik van de syna­go­ge en de bij­ge­bou­wen en de oude­re res­ten ter plek­ke.

19de eeuwse resten van synagoge, schoolgebouw, mikwe en watergang (grijs), archeologisch onderzoek naar voormalige synagoge aan de Kwekelstraat te Gorinchem in 2000.

19de eeuw­se res­ten van syna­go­ge, school­ge­bouw, mik­we en water­gang (grijs)

Metho­de van onder­zoek

De loca­tie van de syna­go­ge was uit over­le­ve­ring en his­to­risch onder­zoek goed bekend. Aan het onder­zoek van het per­ceel waren ech­ter enke­le restric­ties ver­bon­den die het arche­o­lo­gisch onder­zoek bemoei­lijk­te : van­we­ge de lich­te ver­ont­rei­ni­ging van de bodem dien­de de uit­ge­gra­ven grond op het per­ceel geschei­den van de scho­ne boven­grond bewaard te blij­ven en na de opgra­ving terug­ge­stort te wor­den. Dit beperk­te de groot­te van de aan te leg­gen opgra­vings­put­ten en daar­door de over­zich­te­lijk­heid. Tevens ver­zocht de pro­ject­ont­wik­ke­laar om niet die­per dan 1,8 m onder straat­ni­veau te ont­gra­ven van­we­ge te ver­wach­ten pro­ble­men met de zet­ting van de terug­ge­stor­te grond die de bouw­werk­zaam­he­den zou­den kun­nen belem­me­ren. Er zou ook ver­zak­king van de belen­den­de per­ce­len kun­nen plaats­vin­den. De grond­werk­zaam­he­den voor de nieuw te bou­wen pan­den gin­gen niet die­per dan 1 meter onder het straat­ni­veau (ca. 0 – 0.5 m + NAP). Aan zowel de oost- als de west­kant van de kavel langs de zij­mu­ren van de aan­gren­zen­de hui­zen bleef een strook van ca. 2 meter onaan­ge­roerd, van­we­ge het gevaar voor ver­zak­king.

Laags­ge­wijs is met een graaf­ma­chi­ne de oos­te­lij­ke helft van het ter­rein bloot­ge­legd tot op een diep­te van ca. 1,8 meter onder het maai­veld. Dit was vol­doen­de om de arche­o­lo­gi­sche spo­ren van de 20e tot de 16e eeuw te onder­zoe­ken. Met de hand (schep) zijn spo­ren waar zich vond­sten in bevon­den door­ge­werkt. Met behulp van metaal­de­tec­tors is alle uit­ge­gra­ven grond met gro­te regel­maat door­zocht. Vrij­wel alle mun­ten wer­den zo gevon­den. Dui­de­lijk geslo­ten vondst­con­cen­tra­ties zoals de vul­ling van de water­gang en de ton­put­ten zijn geheel nat gezeefd op een zeef met maas­wijd­te 2 mm waar­door het groot­ste deel van de vond­sten ver­za­meld kon wor­den. Uit deze spo­ren zijn ook enke­le eco­lo­gi­sche mon­sters met een inhoud van 2 liter ver­za­meld.

Nadat deze helft geheel was onder­zocht is de wes­te­lij­ke helft van het ter­rein op dezelf­de wij­ze opge­gra­ven. Op drie plaat­sen zijn klei­ne­re die­pe put­ten met een afme­ting van 2,5 x 1 m gemaakt om inzicht te krij­gen in de onder­grond tot op een diep­te van ÷1.0 m NAP (ca. 2,5 meter onder straat­ni­veau). Oude­re spo­ren uit de 15e eeuw en vroe­ger ble­ken op dit niveau, en dus onder het gehe­le per­ceel, nog vol­op aan­we­zig te zijn.

Langs de oost­kant van de kavel is een pro­fiel gete­kend dat op 2 meter even­wij­dig aan de muur van Kwe­kel­straat 12 – 14. Het pro­fiel heeft een hoog­te van 1,80 meter. De onder­zij­de reik­te tot ÷0.30 m NAP. Door tijd­ge­brek is beslo­ten om maar een deel van het oost-west pro­fiel aan de noord­zij­de van de werk­put te teke­nen. Het ver­loop van de spo­ren was hier wei­nig vari­a­bel van­daar dat men dit gedeel­te als repre­sen­ta­tief voor het gehe­le per­ceel kan beschou­wen.

Achterzijde synagoge, tekening door H.M. den Uyl 1957

Ach­ter­zij­de syna­go­ge, teke­ning door H.M. den Uyl 1957

Gron­dig gesloopt

Tij­dens de opgra­ving ble­ken de muren van de syna­go­ge vol­le­dig door de sloop te zijn ver­woest. De fun­de­ring van de syna­go­ge bestond uit twee stro­ken puin met kalk­mor­tel, gestort in sleu­ven die in de klei waren inge­gra­ven. In deze sleu­ven ston­den zes recht­hoe­ki­ge poe­ren, gemet­seld op gre­nen kes­pen die ieder rust­ten op vier hei­pa­len. Vier van deze poe­ren wer­den in de werk­put bloot­ge­legd, de twee res­te­ren­de poe­ren bevin­den zich waar­schijn­lijk nog tegen de rooi­lijn van het per­ceel ten wes­ten van de werk­put. Samen met het ritu­e­le bad, het mik­we, waren deze fun­de­rin­gen de eni­ge res­ten van de syna­go­ge die zich nog in de bodem bevon­den.

In het gemeen­te­ar­chief van Gorin­chem zijn drie foto’s bewaard geble­ven waar­op het inte­ri­eur zicht­baar is, gefo­to­gra­feerd in de rich­ting van de ark. Van de noord­zij­de van de sjoel, waar zich de con­sis­to­rie, de mik­we en de vrou­wen­ga­le­rij bevon­den, zijn geen afbeel­din­gen bekend. Gedu­ren­de de opgra­ving ont­stond ech­ter meer dui­de­lijk­heid over hoe deze onder­de­len van de syna­go­ge er uit moe­ten heb­ben gezien.

Het mik­we en con­sis­to­rie wer­den bij de bouw geves­tigd in een bij­ge­bouw ach­ter de syna­go­ge. Dit gebouw­tje is goed zicht­baar op een teke­ning van H.M. den Uyl, date­rend van kort voor de sloop. Op deze teke­ning van Den Uyl is het schui­ne pan­nen­dak zicht­baar, even­als de twee klei­ne ramen, die van­uit het aan­gren­zen­de per­ceel op het dak van het bij­ge­bouw uit­zicht boden. Lit­te­kens van deze gesloop­te aan­bouw, en van de syna­go­ge waren nog dui­de­lijk zicht­baar op de muren van het aan­gren­zen­de per­ceel (Kwe­kel­straat 24 – 26).

Zijgevel Kwekelstraat 22-24, I: stijl van het hek, II: voorgevel, III: achtergevel, IV: achtergevel/schuine dak bijgebouw, V: latere doorgang van badhuis naar vrouwengalerij, VI: vroegere doorgang van badhuis naar vrouwengalerij.

Zij­ge­vel Kwe­kel­straat 22 – 24, I : stijl van het hek, II : voor­ge­vel, III : ach­ter­ge­vel, IV : achtergevel/schuine dak bij­ge­bouw, V : late­re door­gang van bad­huis naar vrou­wen­ga­le­rij, VI : vroe­ge­re door­gang van bad­huis naar vrou­wen­ga­le­rij.

Op de sche­ma­ti­sche teke­ning van de zij­ge­vel van dit pand is zicht­baar hoe een opgang van­uit het bij­ge­bouw naar de vrou­wen­ga­le­rij leid­de ; een schuin oplo­pen­de baan van pleis­ter­kalk en beves­ti­gings­bou­ten van de trap­leu­ning tonen aan waar deze trap zich bevond. De muren van de voor- en ach­ter­zij­de van de syna­go­ge en de ach­ter­zij­de van het bij­ge­bouw waren ook dui­de­lijk zicht­baar als lit­te­kens op de gevel, even­als het schui­ne dak van het gebouw­tje en de rech­te uit­bouw die het trap­pen­huis met de vrou­wen­ga­le­rij over­dek­te. De twee ven­sters boven het trap­pen­huis, die op de teke­ning van Den Uyl te zien zijn, bevin­den zich nog steeds in de zij­ge­vel.

Voormalige synagoge aan de Kwekelstraat eind 19de eeuw, fotocollectie RAG

Voor­ma­li­ge syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat eind 19de eeuw, foto­col­lec­tie RAG

Op de foto uit het ein­de van de 19e eeuw is te zien dat op de plaats van het hui­di­ge per­ceel Kwe­kel­straat 24 – 26 alleen een muur langs de straat stond. In 1902 werd op deze plaats een pand gebouwd, tegen de zij­ge­vel van de syna­go­ge, waar­in ook een nieuw bad­huis werd inge­richt. Ken­ne­lijk bestond er behoef­te aan een gro­te­re en meer com­for­ta­be­le accom­mo­da­tie van de bad­ruim­te. Het trap­pen­huis van­uit het vroe­ge­re mik­we zal zijn oor­spron­ke­lij­ke func­tie als toe­gang tot de vrou­wen­ga­le­rij ver­lo­ren heb­ben ofschoon de aan­bouw nooit is afge­bro­ken tot de defi­ni­tie­ve sloop van de syna­go­ge, getui­ge de teke­ning van Den Uyl, die enke­le maan­den vóór de sloop werd gemaakt. Het bal­kon dat links op de rand van de foto te zien is, is waar­schijn­lijk de toe­gang tot de vrou­wen­ga­le­rij geweest van­uit de nieu­we bad­ruim­te. Uit deze bevin­din­gen kan gecon­clu­deerd wor­den dat de bui­ten­kant van deze gevel oor­spron­ke­lijk de bin­nen­kant van een muur van de syna­go­ge is. Na de afbraak van de syna­go­ge is deze muur als zij­ge­vel van dit pand blij­ven staan, en vormt zo het eni­ge fysie­ke over­blijf­sel van de syna­go­ge ter plaat­se. Tegen­woor­dig is de muur bepleis­terd, waar­mee ook het laatst zicht­ba­re res­tant van het kerk­ge­bouw voor het oog ver­dween.

Gods­dien­sti­ge en maat­schap­pe­lij­ke school

Ten oos­ten van de water­gang, tus­sen de syna­go­ge en het hui­di­ge huis­num­mer 14, bevond zich een pand dat door de Isra­ë­li­ti­sche gemeen­te als ‘gods­dien­sti­ge en maat­schap­pe­lij­ke school’ werd gebruikt. Dit gebouw bestond al toen de kof­fie­huis hou­der Lin­de­man twee per­ce­len kocht namens de Isra­ë­li­ti­sche gemeen­te in 1836. Voor­dien was op het per­ceel ten oos­ten van de stads­wa­ter­gang al een school geves­tigd hoe­wel dit deel in 1841 door de kil­le weer ver­kocht werd. Alleen het woon­huis van Jacob de Groot bleef in bezit van de Isra­ë­li­ti­sche gemeen­te.

Schoolklas 1917, foto particuliere collectie

School­klas 1917, foto par­ti­cu­lie­re col­lec­tie

Dit huis knap­te men tege­lijk met de bouw van de syna­go­ge op. Het is niet dui­de­lijk of het toen de nieu­we gevel heeft gekre­gen die op de 19e eeuw­se foto van de syna­go­ge te zien is. De wes­te­lij­ke zij­muur is gedeel­te­lijk op de water­gang gebouwd en naast een oude­re fun­de­ring. De jood­se school was waar­schijn­lijk iets gro­ter dan het 16e-17e eeuw­se huis dat er eer­der stond maar het valt niet uit te slui­ten dat het huis voor een deel nog 16e-17e eeuw­se ele­men­ten bezat. De leng­te bedroeg ruim 10 meter en de breed­te was iets meer dan 7 meter als men er van uit­gaat dat het huis aan­sloot op Kwe­kel­straat 14. De fun­de­ring van de voor­ge­vel was nog aan­we­zig onder het pla­vei­sel aan de Kwe­kel­straat. Het ach­ter­huis was onge­veer 3 meter lang. In dit ach­ter­huis lagen vele fun­de­rings­res­ten door en over elkaar waar geen func­tie aan toe te schrij­ven viel. De ach­ter­zij­de van het huis liep iets in breed­te af omdat de wes­te­lij­ke muur voor een deel de onder het ach­ter­huis ver­dwij­nen­de water­gang volg­de. De schei­ding tus­sen voor- en ach­ter­huis houdt de ach­ter­ge­vel aan de voor­gan­ger van de school.

Onder het voor­huis bevond zich in het mid­den een gro­te gemet­sel­de 19e eeuw­se water­put waar aan de boven­zij­de twee loden pij­pen uit­kwa­men die diep in de put sta­ken en aan de ande­re kant door een kel­der­muur naar het oos­ten ver­dwe­nen. Het kel­der­tje was een res­tant uit de 18e eeuw en na de aan­leg van de put dicht­ge­gooid. Een der­de loden lei­ding liep op een iets die­per niveau naar het ach­ter­huis en in de water­gang. Deze pijp dien­de als een over­loop. De put bleek na te zijn opge­gra­ven nog steeds te func­ti­o­ne­ren. Het water wel­de nog altijd snel op. De put was mini­maal 4,5 meter diep (tot onder ÷3,50m NAP). Waar­schijn­lijk heeft deze put ook gefunc­ti­o­neerd om het mik­we te vul­len.

Funderingsresten met links de opengebroken waterput en rechts de watergang.

Fun­de­rings­res­ten met links de open­ge­bro­ken water­put en rechts de water­gang.

Gees­te­lij­ke rein­heid

In de jood­se tra­di­tie is het gewoon­te om gebruik te maken van een mik­we, het bad waar­in bij bepaal­de omstan­dig­he­den een ritu­e­le onder­dom­pe­ling plaats­vindt. Dit gebeurt bij vrou­wen voor­dat zij in het huwe­lijk tre­den en na hun men­stru­a­tie­pe­ri­o­de. Strikt ortho­doxe man­nen maken op vrij­dag gebruik van het mik­we om ‘rein’ de sjab­bat in te gaan en voor hun huwe­lijk om ‘rein’ aan deze nieu­we levens­fa­se te begin­nen. Tevens vindt onder­dom­pe­ling plaats van iemand die tot het Joden­dom over­gaat, als afslui­ting van een vaak jaren­lan­ge peri­o­de van voor­be­rei­ding. In al deze geval­len gaat het om het ver­krij­gen van een vorm van gees­te­lij­ke rein­heid. Een mik­we moet ten­min­ste 40 se’a (cir­ca 500 liter) ‘stro­mend’ water bevat­ten, dat recht­streeks uit een bron, een rivier, of zee afkom­stig is. Is deze hoe­veel­heid bereikt, dan is aan­vul­ling met kraan­wa­ter moge­lijk.

Mikwe van de voormalige synagoge aan de Kwekelstraat te Gorinchem

Mik­we van de voor­ma­li­ge syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat te Gorin­chem

Aan de ach­ter­kant van de syna­go­ge werd op een diep­te van 0.75 cm + NAP een gemet­sel­de mik­we aan­ge­trof­fen van twee bij ander­hal­ve meter. Het diep­ste deel van het bak­ste­nen bad was toe­gan­ke­lijk met gemet­sel­de tre­den en was bekleed met rode, gebak­ken pla­vui­zen. Het bad rust­te op gre­nen kes­pen die op palen waren gefun­deerd, ver­ge­lijk­baar met de vier zicht­ba­re fun­de­rin­gen van de syna­go­ge. Er was geen afvoer aan­we­zig, maar in de oos­te­lij­ke hoek bevond zich een over­loop en een gemet­sel­de goot van bak­steen en pla­vui­zen, die uit­mond­de in de water­gang. De boven­zij­de van het bouw­sel is ver­moe­de­lijk bij de afbraak ver­nield, waar­door een aan­tal tre­den ver­dwe­nen zijn.

Na vol­tooi­ing van de opgra­ving is op ver­zoek van de Gemeen­te Gorin­chem het mik­we met behulp van een kraan­wa­gen 5 meter in zui­de­lij­ke rich­ting ver­plaatst. Hier­door kon het mik­we bewaard blij­ven onder de vloe­ren van de nieuw­bouw omdat het op deze plaats geen belem­me­ring zou vor­men voor de hei­werk­zaam­he­den.

Oudste sporen voor 1841 onder de synagoge

Oud­ste spo­ren voor 1841 onder de syna­go­ge

Onder de jood­se school (ein­de 16e eeuw-1836)

De kil­le kocht in 1836 van de “stads­on­der­wij­zer der jeugd” Jacob de Groot een “kapi­taal, hecht en sterk woon­huis en erve” dat later gedeel­te­lijk inge­richt zou wor­den als de Isra­ë­li­ti­sche school. In 1841 ver­kocht de Neder­landsch Isra­ë­li­ti­sche Gemeen­te Gorin­chem (NIGG) weer een deel dat ooit in gebruik was als bur­ger­school. Dit pand moet wel het nog bestaan­de pand Kwe­kel­straat 12 – 14 zijn geweest.

De oud­ste grond­spo­ren op de kavel van de syna­go­ge en de school die date­ren voor de bouw in 1841 vindt men al op een hoog niveau. Bin­nen de loca­tie van de Isra­ë­li­ti­sche school bevin­den zich op een niveau van ca. 1.10 m +NAP de res­ten van een oud vloer­ni­veau dat waar­schijn­lijk op of iets onder straat­ni­veau lag. De pla­vui­zen­vloer lag op een laag kalk met daar­bo­ven wat zand. Het for­maat van de pla­vui­zen was 22×22×1,5 cm, ze waren onge­gla­zuurd en het ver­band was onre­gel­ma­tig. Voor de vloer was gebruik gemaakt van hal­ve en kwart pla­vui­zen. Aan de vorm van de kalk­laag viel af te lezen dat de vloer voor het groot­ste deel ver­wij­derd was voor de aan­leg van de gro­te water­put in 1841.

Hoogst­waar­schijn­lijk is deze vloer in ver­band te bren­gen met muur­res­ten die uit de 18e eeuw of eer­der date­ren en die de res­tan­ten zijn van de voor­gan­ger van de school. De zij­muur van deze voor­gan­ger kan gebouwd zijn op de onre­gel­ma­tig gecon­stru­eer­de fun­de­rings­muur die tegen de oost­zij­de van de water­gang stond. Deze muur bestond uit een onre­gel­ma­tig ver­band van gro­te rode bak­ste­nen met een for­maat van 30x15x7cm. De ste­nen waren dui­de­lijk her­ge­bruikt. Aan de hand van het for­maat moe­ten de ste­nen 15e ‑vroeg 16e eeuws zijn geweest. Ook elders in de stad vindt men der­ge­lijk her­ge­bruik van ouder bouw­ma­te­ri­aal. Tij­dens de opgra­ving van huis Paf­fen­ro­de in 1997 ble­ken de fun­de­rin­gen van het huis dat aan het eind van de 16e eeuw was gebouwd van het­zelf­de for­maat gro­te bak­ste­nen. Mis­schien zijn deze ste­nen afkom­stig van de gesloop­te laat mid­del­eeuw­se stads­muur of het Bour­gon­di­sche kas­teel de Blau­we Toren. In ieder geval moet door de aan­leg van de ves­ting­wer­ken en de ingrij­pen­de bouw­werk­zaam­he­den in Gorin­chem van­af 1580 zeer veel bouw­ma­te­ri­aal zijn vrij­ge­ko­men dat men dank­baar kon aan­wen­den voor nieuw­bouw en reno­va­tie.

De res­tan­ten van een fun­de­ring die NW-ZO liep vorm­de de ach­ter­zij­de van dit gebouw. Moge­lijk mar­keer­den de onder­bre­kin­gen in de muur de plaats waar de hou­ten gevel­stij­len geplaatst waren van een huis met een deels hou­ten ach­ter­ge­vel. Als we uit­gaan van de sym­me­trie in het gebouw dan waren de afme­tin­gen van dit huis ca. 5,5 m breed en 6,5 m lang. De gevel aan de straat­kant moet zo onge­veer een meter bre­der zijn geweest dan de ach­ter­ge­vel. In het huis waren twee klei­ne kel­ders aan­we­zig. Of zij tege­lijk in gebruik waren valt niet te zeg­gen. Het lijkt erop dat ze bei­de uit de 18e eeuw date­ren. Het kel­der­tje aan de oost­zij­de van het huis is dicht­ge­gooid in de 19e eeuw na de aan­leg van de water­kel­der en de loden lei­din­gen. Onder­in de kel­der zat een hou­ten vaat­je inge­gra­ven met o.a. vroeg 18e eeuw­se Gor­cum­se pij­pen. De bodem van het vaat­je bevond zich op ÷0,20 m NAP. De ande­re kel­der was vondstloos. De bodem bestond uit naald­hou­ten plan­ken. Het for­maat van de bak­ste­nen (22×10×4 cm) doet ver­moe­den dat de kel­der in de 18e eeuw was inge­bouwd. De bodem van deze kel­der lag op ÷0,42 m NAP. De fun­de­ring van het huis aan de straat­kant kan nog aan­we­zig zijn. Waar­schijn­lijk lag de rooi­lijn van de bebou­wing in de 16e-17e eeuw iets meer naar het zui­den. Het huis dateer­de dus uit het eind van de 16e eeuw. De vroeg­ste ver­mel­ding van een eige­naar een huis op deze plaats is Tho­nis Fransz. van 1591 tot voor 1604. Mis­schien was hij tevens de bou­wer van dit pand. Er is zowel arche­o­lo­gisch als uit het archief geen aan­wij­zing voor sloop of ver­nieu­wing van het huis gedu­ren­de de peri­o­de 1591 – 1836. De gevel van de jood­se school lijkt op de foto’s 19e eeuws. Ook de gevon­den fun­de­rings­muur onder de rand van de hui­di­ge bestra­ting aan de Kwe­kel­straat wijst op een der­ge­lij­ke date­ring. Dit lijkt in tegen­spraak met de his­to­ri­sche gege­vens maar het was ove­ri­gens niet onge­brui­ke­lijk dat alleen de voor­ge­vel en de zij­ge­vel ver­nieuwd wer­den. De rest van het huis zou 16e – 17e eeuws kun­nen zijn geweest met eni­ge 19e eeuw­se modi­fi­ca­ties aan de voor- en ach­ter­zij­de. Mocht het huis toch nieuw opge­trok­ken zijn dat moet dit voor de aan­koop van het NIGG in 1836 zijn gebeurd. In dat geval gebruik­te men de oude fun­de­rin­gen omdat die klaar­blij­ke­lijk nog vol­de­den. De fond­sen die men beschik­baar had voor de nieu­we syna­go­ge voor­za­gen alleen in een her­stel van de naast­ge­le­gen woning.

Het is niet uit te slui­ten dat toen ook de gevel ver­nieuwd is. Het ach­ter­huis ten noor­den van spoor 116 is ook een jon­ger bouw­sel. Er zijn geen spo­ren gevon­den van muren ouder dan de 18e eeuw op dit ach­ter­erf.

In de ver­pon­dings­ko­hie­ren van voor 1653 ver­meldt men twee huis­jes die tus­sen dit per­ceel en de vol­gen­de staan. Uit de archi­va­lia wordt niet dui­de­lijk of deze huis­jes uit­ein­de­lijk bij het per­ceel zijn gevoegd dat door de NIGG werd aan­ge­kocht. De opgra­vings­ge­ge­vens wij­zen ondub­bel­zin­nig op een enke­le huis­plaats op de plaats waar ooit het woon­huis van Jacob de Groot stond en later de jood­sche school was geves­tigd.

De oud­ste res­ten onder de school kwa­men uit de grij­ze klei­la­gen die op enke­le plek­ken tot op 0,80m NAP bewaard waren geble­ven. Hier­in bevon­den zich scher­ven Sieg­burg steen­goed (o.a. Jaco­ba­kan­ne­tjes) en rood en grijs aar­de­werk uit de 14e, maar voor­al 15e eeuw.

Onder de syna­go­ge (14e/15e eeuw-1841)

Ten tij­de van de aan­koop van de kavel door de NIGG in 1836 was het ter­rein waar later de syna­go­ge zou ver­rij­zen onbe­bouwd en was door de eige­naar Jacob de Groot inge­richt als tuin. Bij de koop in 1818 stond op dit per­ceel nog een schuur (van­ouds koets­huis) die door de vori­ge eige­naar, voer­man Johan­nes de Bruijn Ger­ritsz., waar­schijn­lijk als zoda­nig nog wel gebruikt zal zijn. De Groot sloop­te de schuur al kort na de aan­koop van het ter­rein en bouw­de een schut­ting op de plaats van de ingang van de schuur. In 1798 was er nog spra­ke van een koets­huis, stal­ling en erve met een loods en var­ken­schot­ten. Het ter­rein was omheind en er lag vol­gens de trans­port­ak­te een mest­hoop. De stal­ling, de loods, mest­hoop en de var­ken­schot­ten zijn in de daar­op vol­gen­de twin­tig jaren ver­dwe­nen want er werd bij de aan­koop van per­ceel en opstal­len door De Groot geen mel­ding meer van gemaakt.

Tot aan 1788 moet er op dit stuk een woon­huis gestaan heb­ben. Of dit huis later in gebruik werd geno­men als koets­huis valt niet op te maken uit de archief­stuk­ken. In 1690 stond er nog naast het huis een ander klein huis­je. De oud­ste archief­ge­ge­vens over bebou­wing op deze kavel zijn uit 1637 als een erf­ge­naam van Claes Cor­ne­liss en Lijs­beth Dir­cks­dr. het huis, erf met bouw­huis, “ber­ge en toe­be­ho­ren” van de ande­re erf­ge­na­men over­nam. De spo­ren van bebou­wing onder de late­re syna­go­ge zijn afkom­stig uit een geschei­den peri­o­de : drie kui­len, een deel van een vloer en een res­tant van een kel­der of put, date­ren uit de 18e eeuw of vroe­ger. De recht­hoe­ki­ge kuil was opge­vuld met bak­steen­puin waar­tus­sen frag­men­ten lagen van gro­te rood­bruin gegla­zuur­de steen­goed kel­der­va­ten met gro­te hori­zon­taal geplaatste wor­sto­ren die uit de twee­de helft van de 18e eeuw date­ren.

Samen met de muur­res­ten en de delen van de vloer zou dit een res­tant van een kel­der van een woon­huis kun­nen zijn geweest. Ook spoor 83 lijkt een­zelf­de date­ring te heb­ben. De ver­mel­ding in het nota­ri­eel archief van een huis dat hier tot 1788 of iets later bewoond moet zijn geweest valt te rij­men met deze bevin­din­gen. De fun­de­rin­gen van de hui­zen zijn voor de bouw van de syna­go­ge al gron­dig ver­wij­derd. Als dit per­ceel ver­ge­le­ken wordt met het naast­ge­le­gen per­ceel van de jood­se school dan valt op dat de fun­de­ringsleu­ven van de syna­go­ge tot ver onder het niveau inge­gra­ven zijn waar men laat 16e en 17e eeuw­se spo­ren kan ver­wach­ten. Alleen de diep­st inge­gra­ven spo­ren van kel­ders ble­ven bewaard.

Waterput

Water­put

De water­put bestond uit een kraag van 2 lagen taps toe­lo­pen­de gele bak­ste­nen (form : ong. 17×8×4 cm, 17e eeuw?) met daar­on­der drie ingra­ven hou­ten vaten van ca. 80 cm hoog die in elkaar geplaatst waren. Alle eiken­hou­ten dui­gen waren nog aan­we­zig. De boven­kant van de ste­nen kraag lag op 0,58 m, de bodem van de put op ÷1,40 m NAP. De ste­nen kraag moet veel hoger zijn geweest , er is mini­maal een meter met­sel­werk ver­dwe­nen. De put was opge­vuld met een vul­ling van sterk humeu­ze klei en zand. Uit de spaar­za­me vond­sten viel op te maken dat de put rond 1750 nog in gebruik moet zijn geweest. De put is al eer­der in onbruik geraakt maar is afge­bro­ken met de aan­leg van de fun­de­ring van de syna­go­ge. Op drie plek­ken (A, B en C) is wat die­per gegra­ven om de onder­gond te kun­nen bekij­ken. Diep­te bij A : ÷1,80 m NAP (onder­kant van de oost­zij­de van de water­gang sp. 80), diep­te B : ÷0,70 m NAP, diep­te C : ÷1,20 m NAP. In alle drie de kijk­ga­ten ble­ken tot op het diep­ste niveau ingra­vin­gen van die­pe spo­ren, moge­lijk mest­kui­len, aan­we­zig met 15e eeuws aar­de­werk (grijs aar­de­werk en onge­gla­zuurd Sieg­burg steen­goed). In test­put A bevon­den zich de 16e eeuw­se spo­ren van de water­gang. In test­put C wer­den de dag­zo­men zicht­baar van twee opho­ging­sla­gen met bruin­grij­ze klei met 15e eeuws aar­de­werk, sin­tels en puin. Er waren in de test­put­ten geen spo­ren van bebou­wing uit de peri­o­de voor de 18e eeuw.

Geopende watergang

Geo­pen­de water­gang

Water­gang

Ten oos­ten van de oos­te­lij­ke begren­zing van de fun­de­rin­gen van de syna­go­ge werd de boven­zij­de van een met taps toe­lo­pen­de bak­steen gemet­seld ton­ge­welf aan­ge­trof­fen dat zich uit­strek­te van­af de straat­kant in noord­oos­te­lij­ke rich­ting, paral­lel aan de zij­ge­vel van de syna­go­ge, afbui­gend in oos­te­lij­ke rich­ting onder het ach­ter­huis van huis­num­mer 14/12. Het soort bak­steen, de for­ma­ten ervan, en de spe­cie van het boven­ste niveau van deze water­gang was ver­ge­lijk­baar met het met­sel­werk van poe­ren van de syna­go­ge en het mik­we, en vormt hier­mee waar­schijn­lijk één bouw­fa­se. Dit gewelf steun­de aan weers­zij­den op twee muren, waar­tus­sen zich een onge­veer 60 cm dik­ke laag beer met 19e en 20e eeuws vondst­ma­te­ri­aal bevond, hoofd­za­ke­lijk glas en aar­de­werk, maar ook rub­ber, melk­dop­pen en een huls van een geweer­pa­troon van Duit­se make­lij, date­rend uit 1938, van een kali­ber dat in de Twee­de Wereld­oor­log nog gang­baar was. Hier­uit bleek dat dit riool ten tij­de van het bestaan van de syna­go­ge in gebruik moet zijn geweest. Dit bleek ook uit het ver­loop van de afvoer van het mik­we die uit­mond­de in dit riool. Op een die­per niveau waren oude­re bouw­fa­ses in de twee muren van de water­gang te onder­schei­den. Onder het 19e eeuw­se met­sel­werk bevon­den zich enke­le niveaus die gemet­seld waren met de aan­mer­ke­lijk klei­ne­re 17e eeuw­se ijs­sel­bak­ste­nen.

Meer­de­re bouw­la­gen

Op de laag­ste niveaus wer­den mid­del­gro­te rood­bak­ken bak­ste­nen aan­ge­trof­fen, vaak met spo­ren van her­ge­bruik. Dit her­ge­bruik was gedu­ren­de de 15e en 16e eeuw in Gorin­chem gebrui­ke­lijk, het­geen later nog ter spra­ke zal komen. Veel van de oud­ste spo­ren in de werk­put bevat­ten deze bak­ste­nen. Van­we­ge het fre­quen­te her­ge­bruik van bak­ste­nen vor­men deze bevin­din­gen geen uit­ge­spro­ken date­rin­gen, maar getuigt de sta­ti­gra­fi­sche opbouw van de soor­ten bak­steen wel op bouw­fa­ses die zich over meer­de­re eeu­wen heb­ben uit­ge­strekt.

In de oos­te­lij­ke hoek werd de werk­put tot op 2.00 m –NAP ver­diept en bleek de zui­de­lij­ke muur van de water­gang tot 1.80 m –NAP gemet­seld te zijn, waar de noor­de­lij­ke muur op 0.20 m –NAP over­ging in een beschoei­ing van palen en plan­ken. Ver­moe­de­lijk is de zui­de­lij­ke (en oos­te­lij­ke) zij­de van de water­gang als eer­ste van een bak­ste­nen wal voor­zien, waar­op ook de fun­de­rin­gen van de bebou­wing op dit per­ceel wer­den geplaatst (zie ver­der in deze tekst). Langs de noor­de­lij­ke zij­de van deze beschoei­ing leken veni­ge afzet­tin­gen langs dag­zo­men van de klei­i­ge onder­grond te wij­zen op de aan­we­zig­heid van een sloot of water­loop, als voor­gan­ger van de ste­nen water­gang. De oud­ste dateer­ba­re vond­sten uit de onder­ste vul­ling van de water­gang dateer­den uit het ein­de van de 16e eeuw. Het is waar­schijn­lijk dat in deze peri­o­de de water­loop is geka­na­li­seerd, het­geen ook over­een­stemt met de his­to­ri­sche bron­nen, waar­in sinds het begin van de 17e eeuw de “stads­wa­ter­gang” als per­ceel­schei­ding wordt ver­meld. Het ont­bre­ken van vondst­ma­te­ri­aal uit de 17e en 18e eeuw duidt er op dat de water­gang werd leeg­ge­schept, om dicht­slib­ben te voor­ko­men.

Foto’s

Media

Archeologen vinden negentiende-eeuws serviesgoed, restant synagoge zichtbaar

Arche­o­lo­gen vin­den negen­tien­de-eeuws ser­vies­goed, res­tant syna­go­ge zicht­baar

GORINCHEM – De Kwe­kel­straat in Gorin­chem is al ruim een week een speel­tuin voor Pie­ter Floo­re en Mar­tin Veen van de gemeen­te­lij­ke werk­groep arche­o­lo­gie. Met de hulp van enke­le vrij­wil­li­gers zijn zij dage­lijks…
Gorcum speurt naar oude resten synagoge

Gor­cum speurt naar oude res­ten syna­go­ge

GORINCHEM – De gemeen­te Gorin­chem laat vol­gen­de maand een arche­o­lo­gisch onder­zoek ver­rich­ten in de Kwe­kel­straat in de hoop iets tast­baars van het Jood­se ver­le­den te vin­den. Onder het par­keer­ter­rein­tje…
Gorinchem stopt ritueel bad onder de grond, een mikwe tussen de heipalen

Gorin­chem stopt ritu­eel bad onder de grond, een mik­we tus­sen de hei­pa­len

GORINCHEM – Onder een beton­nen vloer en tus­sen de heil­pa­len bewaart Gorin­chem een bij­zon­der res­tant van de Jood­se gemeen­schap. die voor­al tij­dens de vori­ge eeuw in de stad een opbloei ken­de : een mik­weh,…
Joods ritueel bad blijft behouden

Joods ritu­eel bad blijft behou­den

GORINCHEM – Het onlangs opge­gra­ven jood­se ritu­e­le bad aan de Kwe­kel­straat blijft behou­den voor de stad Gorin­chem. De gemeen­te, en pro­ject­ont­wik­ke­laar ING Vast­goed zul­len de kos­ten voor de ver­plaat­sing…
Joods ritueel bad gevonden

Joods ritu­eel bad gevon­den

GORINCHEM – De afge­lo­pen week heeft de gemeen­te­lij­ke Werk­groep Arche­o­lo­gie met suc­ces een onder­zoek uit­ge­voerd in de Kwe­kel­straat in Gorin­chem. De aan­ge­trof­fen res­ten behoor­den tot de voor­ma­li­ge syna­go­ge…
Opgraving naar eergister in Gorinchem

Opgra­ving naar eer­gis­ter in Gorin­chem

GORINCHEM – Aan de zij­muur van het pand ernaast is nog te zien waar de trap van de syna­go­ge heeft geze­ten. De wand ziet er uit of het gesloop­te pand een jaar gele­den nog stond. Het vormt het décor voor…
Resten synagoge komen boven

Res­ten syna­go­ge komen boven

GORINCHEM – Wie de afge­lo­pen weken de Kwe­kel­straat in de bin­nen­stad pas­seer­de, kon daar vrij­wil­li­gers van de Gor­cum­se werk­groep Arche­o­lo­gie aan het werk zien. Onder lei­ding van arche­o­loog P. Floo­re werd…
Ritueel bad in Gorcum ontdekt

Ritu­eel bad in Gor­cum ont­dekt

GORINCHEM – In Gor­cum is onder de fun­da­men­ten van de oude syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat 14 een mik­we opge­do­ken. Dat gebeur­de tij­dens arche­o­lo­gisch onder­zoek naar de in 1958 gesloop­te syna­go­ge. “Het is een…
Speurneuzen in de Kwekelstraat hebben weer beet, werkgroep ontdekt mikwe.

Speur­neu­zen in de Kwe­kel­straat heb­ben weer beet, werk­groep ont­dekt mik­we.

GORINCHEM – De gemeen­te­lij­ke werk­groep arche­o­lo­gie heeft de afge­lo­pen twee weken op een par­keer­plaats in de Kwe­kel­straat gespeurd naar res­tan­ten van de in 1958 gesloop­te syna­go­ge. Naast negen­tien­de eeuws…
Wat voor een leek niet veel meer is dan een leuk putje met een trapje, is voor archeologen een wereldontdekking: een heuse mikwe in hartje Gorinchem

Wat voor een leek niet veel meer is dan een leuk put­je met een trap­je, is voor arche­o­lo­gen een wereld­ont­dek­king : een heu­se mik­we in hart­je Gorin­chem

GORINCHEM – Vlak voor­dat het bodem­on­der­zoek werd beëin­digd, heeft de gemeen­te­lij­ke Werk­groep Arche­o­lo­gie op de loca­tie van de vroe­ge­re syna­go­ge aan de Kwe­kel­straat in Gorin­chem een joods ritu­eel bad …
Werkgroep Archeologie wordt verrast door vondst in Kwekelstraat, ritueel bad gevonden in binnenstad.

Werk­groep Arche­o­lo­gie wordt ver­rast door vondst in Kwe­kel­straat, ritu­eel bad gevon­den in bin­nen­stad.

GORINCHEM – De gemeen­te­lij­ke Werk­groep Arche­o­lo­gie heeft vori­ge week een joods ritu­eel had opge­gra­ven in de bin­nen­stad van Gorin­chem “We wer­den aan­ge­naam ver­rast door de vondst”, beken­de mede­wer­ker Mar­tin…

Lite­ra­tuur

Broeken, A., (2006) Gorcumse bodemschatten. Archeologische speurtocht naar de geschiedenis van de Arkelstad, Gorcumse Monumentenreeks 12, Gorinchem, p. 40-45. Broeken, A., (2006)
Gorcumse bodemschatten. Archeologische speurtocht naar de geschiedenis van de Arkelstad, Gorcumse Monumentenreeks 12, Gorinchem, p. 40-45.
Flipbook | PDF (3MB)
Dautzenberg, M.J.J., (2002) De opgraving van de synagoge te Gorinchem, Hollandia reeks 5, Zaandijk. Dautzenberg, M.J.J., (2002)
De opgraving van de synagoge te Gorinchem, Hollandia reeks 5, Zaandijk.
Flipbook | PDF (7,35 Mb)
Evers, L., (1999) Jodendom voor beginners, Amsterdam. Evers, L., (1999)
Jodendom voor beginners, Amsterdam.
Michman, J., H. Beem & D. Michman Pinkas. Geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland, Amsterdam/Antwerpen. Michman, J., H. Beem & D. Michman
Pinkas. Geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland, Amsterdam/Antwerpen.
Oostveen, J. van, (2010) Tabakspijpen van de opgraving Kwekelstraat te Gorinchem, Tiel. Oostveen, J. van, (2010)
Tabakspijpen van de opgraving Kwekelstraat te Gorinchem, Tiel.
Flipbook | PDF (3,72 Mb)
Stamkot, B., (1989) Joods Gorcum 1349-1964. Een gedenkboek, Merewade-reeks 11, Gorinchem. Stamkot, B., (1989)
Joods Gorcum 1349-1964. Een gedenkboek, Merewade-reeks 11, Gorinchem.

Met­a­da­ta

 

Archisnummer(s):onderzoeksmelding: 2142
onderzoek: 13850
Topografische Kaart:38G
Coordinaten:126.500/427.050 (centrum)
Toponiem:Kwekelstraat
Plaats:Gorinchem
Gemeente:Gorinchem
Provincie:Zuid-Holland
Type onderzoek:archeologisch onderzoek middels waarneming
Uitvoerder:Hollandia cultuurhistorisch onderzoek en archeologie, Zaandijk
Projectleider:Drs. P.M. Floore
Opdrachtgever:Gemeente Gorinchem
Bevoegd gezag:Gemeente Gorinchem
Aanvang onderzoek:14 februari 2002
Vondsten & documentatie:Archeologisch depot Gorinchem
DANS:https://doi.org/10.17026/dans-z5x-jxy5

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.