Res­ten syna­go­ge komen boven

GORINCHEM – Wie de afge­lo­pen weken de Kwe­kel­straat in de bin­nen­stad pas­seer­de, kon daar vrij­wil­li­gers van de Gor­cum­se werk­groep Arche­o­lo­gie aan het werk zien. Onder lei­ding van arche­o­loog P. Floo­re werd gegra­ven naar over­blijf­se­len van de jood­se syna­go­ge, die daar tot 1958 heeft gestaan.

In dat jaar werd het gebouw in het kader van de stads­sa­ne­ring gesloopt. Als bede­huis werd het toen al enke­le jaren niet meer gebruikt, omdat er na de Twee­de Wereld­oor­log in Gorin­chem nog maar wei­nig joden over waren.

Aanleg eerste vlak in de werkput, archeologisch onderzoek voormalige synagoge in de Kwekelstraat te Gorinchem 2000

Opgra­ving syna­go­ge Kwe­kel­straat

Het ter­rein waar de syna­go­ge stond, heeft lan­ge tijd dienst gedaan als par­keer­ge­le­gen­heid, maar gaat bin­nen­kort bebouwd wor­den. Zodoen­de was het moment aan­ge­bro­ken om nog eens in de bodem te gaan zoe­ken naar tast­ba­re her­in­ne­rin­gen aan het jood­se leven in Gorin­chem. Daar­van is maar wei­nig bewaard geble­ven.

De syna­go­ge werd in 1841 gebouwd met finan­ci­ë­le steun van gemeen­te, pro­vin­cie en Rijk. In 1842 kon zij wor­den inge­wijd. Het gebouw tel­de 90 zit­plaat­sen en was sober van opzet en uit­voe­ring. De leden van de Neder­lands Isra­ë­li­ti­sche Gemeen­te in Gorin­chem kon­den zich geen bui­ten­spo­ri­ge uit­ga­ven ver­oor­lo­ven.

Zij had­den het per­ceel waar de syna­go­ge werd gebouwd in 1836 gekocht van de nabe­staan­den van Jacob de Groot, die in leven ‘stads­on­der­wij­zer der jeugd’ was. Het per­ceel bestond toen nog uit een huis met een gro­te tuin. In die tuin werd de syna­go­ge gebouwd, tegen de zij­muur van het naast­ge­le­gen huis. Op de muur van dit nu nog bestaan­de huis zijn de res­ten aan­ge­trof­fen van de dak­rand van de syna­go­ge. Ook de ver­die­ping in het gebouw, waar de vrou­wen­ga­le­rij geves­tigd was, is hier nog te zien.

Links de opengebroken waterput en rechts de watergang

Fun­de­rings­res­ten met links de open­ge­bro­ken water­put en rechts de water­gang

Water­gang

Bij de opgra­vin­gen zijn de fun­da­men­ten van de syna­go­ge bloot­ge­legd. Belang­rijk is ook de vondst daar­on­der van een gemet­sel­de water­gang, die door de joden als afval­put moet zijn gebruikt. Deze geeft veel infor­ma­tie over hun levens­wij­ze. Zo is dui­de­lijk gewor­den dat zij veel vis moe­ten heb­ben gege­ten en aan de hand van de res­tan­ten van 18e-eeuws ser­vies­goed kan wor­den gecon­clu­deerd dat de gebrui­kers tot de mid­den­klas­se behoor­den. Het huis dat van Jacob de Groot was gekocht, werd in 1854 ver­bouwd tot school, met erbo­ven huis­ves­ting : voor de onder­wij­zer en erach­ter een ritu­eel bad­huis (mik­weh). Daar­over was nau­we­lijks iets bekend. Het bad is nu terug­ge­von­den. Het blijkt dezelf­de vorm en afme­tin­gen te heb­ben als de mik­weh bij de syna­go­ge in Leer­dam. Er lagen rode pla­vui­zen op de vloer en de wan­den waren niet bete­geld.

15e Eeuw

Onder de fun­da­men­ten van de syna­go­ge en het bij­ge­bouw zijn ook res­tan­ten van voor­gaan­de bebou­wing gevon­den, die terug­gaat tot in de 15e eeuw. Dat hier bebou­wing was geweest voor­dat de syna­go­ge werd opge­trok­ken was al deels bekend uit de archie­ven.

Jacob de Groot had zijn tuin aan­ge­legd op een ter­rein waar­op een schuur stond toen hij het in 1818 kocht. Deze schuur, die in dat jaar werd afge­bro­ken, had voor­heen dienst gedaan als koets­huis. In oude­re akten is steeds spra­ke van een koets­huis, of schuur en een stal­ling met erf. Aan het eind van de 18e eeuw moet er ook een loods met var­kens­schot­ten heb­ben gestaan.
Het per­ceel waar­op het bij­ge­bouw stond was even­eens aan het ein­de van de l6e eeuw reeds bebouwd. Hier ston­den vol­gens archief­stuk­ken aan­van­ke­lijk enke­le klei­ne hui­zen, die door de eige­na­ren ver­huurd wer­den. In de loop va de 18e eeuw moe­ten deze ver­van­gen zijn door twee pak­hui­zen, waar­van er een rond 1780 is ver­bouwd tot of ver­van­gen door een woon­huis. Dit huis werd in 1811 door Jacob de Groot gekocht en door zijn nabe­staan­den in 1836 aan de jood­se gemeen­te ver­kocht.

Van voor 1584 zijn geen rele­van­te archief­stuk­ken bewaard geble­ven. De opgra­vin­gen heb­ben nu aan­ge­toond dat het ter­rein al in de 15e eeuw bebouwd was. Zo is er weer een tip­je opge­licht van de slui­er over de vroeg­ste bewo­nings­ge­schie­de­nis van Gorin­chem.

Info Gorin­chem
14  maart 2000
Fran­cis van den Berg

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.