Blij­en­hoek (1996)

Onder­zoek

Archeologisch onderzoek Blijenhoek Gorinchem 1996

Onder­zoek Blij­en­hoek 1996

Een stad ver­an­dert con­stant van gedaan­te. Er zijn peri­o­des waar­in deze ver­an­de­rin­gen lang­zaam gaan, maar soms vol­trek­ken ver­an­de­rin­gen zich in een rap tem­po. Ook de stad Gorin­chem heeft deze peri­o­des gekend en maakt op dit moment eigen­lijk de groot­ste ver­an­de­ring uit zijn bestaan door. Sinds het begin van deze eeuw zijn vele pan­den, die al eeu­wen het gezicht van de stad bepaal­den, ver­van­gen door nieuw­bouw of sim­pel­weg ver­dwe­nen.

De voor­ma­li­ge par­keer­plaats Blij­en­hoek, ach­ter de Gast­huis­straat, was eens een hui­zen­blok met een spe­ci­fiek karak­ter. Mis­schien is het beter om zelfs te spre­ken van een klei­ne wijk. Het blok werd omge­ven door de Koe­ken­bak­kersteeg aan de zuid­zij­de, de Boter­steeg aan de west­zij­de en de Bloem­pot­steeg liep langs de noord­kant. Dit ter­rein sloot aan de oost­kant aan op de ver­dwe­nen hui­zen op het hui­di­ge per­ceel van de Hema. Voor zover op dit moment is na te gaan, was het ter­rein met een afme­ting van 50 bij 50 meter in het begin van deze eeuw ver­deeld in niet min­der dan 25 kadas­tra­le kavels. Omslo­ten door de hui­zen lag een hof­je, dat in de volks­mond het Kraai­en­hof­je heet­te.

Detail kadastrale minuut Gorinchem 1832

Detail kadas­tra­le minuut 1832

Na de Twee­de Wereld­oor­log begon­nen ste­den in Neder­land aan groot­scha­li­ge programma’s voor de ver­be­te­ring van de bin­nen­stad. Dat bete­ken­de, dat men bouw­val­len en krot­ten sloop­te om de bin­nen­ste­den beter bereik­baar te maken en om plaats te maken voor wonin­gen en bedrijfs­pan­den die vol­de­den aan de tegen­woor­di­ge eisen. De in slech­te staat ver­ke­ren­de pan­den op de Blij­en­hoek gin­gen in de zes­ti­ger jaren tegen de vlak­te. Helaas wer­den de pan­den voor de sloop niet gedo­cu­men­teerd, want waar­schijn­lijk waren dit nog gedeel­te­lijk 15e- en 16e-eeuw­se hui­zen. Pas in 1996 bestond de moge­lijk­heid om arche­o­lo­gisch bodem­on­der­zoek uit te voe­ren.

Onder­zoek
In de peri­o­de van 22 april tot 7 mei 1996 is een groot deel van de Blij­en­hoek onder­zocht. Voor de uit­voe­ring van dit onder­zoek is de hulp inge­roe­pen van AWN-leden, scho­lie­ren van enke­le mid­del­ba­re scho­len uit Gorin­chem en omge­ving en ove­ri­ge vrij­wil­li­gers.

Op de eer­ste dag van de opgra­ving kwa­men direct onder het pla­vei­sel van de gewe­zen par­keer­plaats de eer­ste fun­de­rings­res­ten te voor­schijn. De hui­zen waren in 1966 gesloopt tot op het straat­ni­veau, zon­der de fun­de­rin­gen te ver­wij­de­ren, wat natuur­lijk zeer voor­de­lig was voor ons onder­zoek. Het bleek al spoe­dig, dat de ver­dwe­nen klei­ne hui­zen ooit veel gro­ter waren geweest.

Voorbeeld van een waterput die later als beerput werd gebruikt

Voor­beeld van een water­put die later als beer­put werd gebruikt

De jong­ste fun­da­men­ten behoor­den tot gro­te hui­zen, die waar­schijn­lijk uit de 16e eeuw dateer­den. In de laat­ste twee­hon­derd jaren zijn die gro­te hui­zen onder­ver­deeld in klei­ne­re pan­den als gevolg van de ver­ar­ming van de bevol­king. Voor­al aan het begin van de 19e eeuw werd Hol­land getrof­fen door een seri­eus eco­no­misch ver­val, wat zich uit­te door een ster­ke ver­ar­ming van de onder­laag van de bevol­king en een ver­pau­pe­ring van de ste­den. Ook Gorin­chem zal niet ont­ko­men zijn aan deze cri­sis. Mis­schien wor­den de ver­an­de­rin­gen het best geïl­lu­streerd door de vond­sten uit de beer­put­ten die ach­ter de hui­zen gele­gen waren.

Glas
Uit de beer­kel­der V16, die direct ach­ter het gro­te huis op de hoek van de Boter­steeg en de Koe­ken­bak­kersteeg lag, kwam een gro­te hoe­veel­heid glas en aar­de­werk uit de 16e en begin 17e eeuw. Nu wordt in veel beer­put­ten der­ge­lijk mate­ri­aal gevon­den, maar de rijk­dom aan glas uit deze beer­put is uit­zon­der­lijk. Frag­men­ten van een acht­kan­tig pas­glas, ber­ke­mei­ers en sier­fles­sen maak­ten deel uit van de inhoud. Opzien­ba­rend is de vondst van een gebrand­schil­der­de voor­stel­ling op glas van Chris­tus, die voor­ge­leid wordt aan de Hoge­pries­ter. De kwa­li­teit van deze voor­stel­ling is zo hoog, dat in eer­ste instan­tie werd gedacht aan een frag­ment van een belang­rijk kerk­raam. Wou­ter Rit­se­ma van Eck, glas­spe­ci­a­list van het Rijks­mu­se­um, deel­de mee, dat het hoogst­waar­schijn­lijk uit een rijk bur­ger­huis afkom­stig was. Het is ver­lei­de­lijk de vondst te ver­bin­den met de Alte­ra­tie of de Beel­den­storm, want de ove­ri­ge vond­sten uit deze beer­kel­der geven een date­ring rond deze gebeur­te­nis­sen aan.

Jezus wordt voorgeleid aan de hogepriester, Mattheüs 26:27, fragment roundel 1550-1600.

Jezus wordt voor­ge­leid aan de hoge­pries­ter (Mat­the­üs 26:27) frag­ment roun­del 1550–1600.

Mis­schien heb­ben de bewo­ners het raam­pje weg­ge­wor­pen toen zij zich bekeer­den van het katho­li­cis­me tot het pro­tes­tan­tis­me. In ieder geval wij­zen de vond­sten op een voor­naam huis­hou­den, dat in een huis woon­de dat zeker niet onder­deed voor de hui­zen in de Gast­huis­straat of langs de haven. Daar­op wijst ook de vondst van een kokos­noot, die in die tijd zeer uit­zon­der­lijk en exo­tisch moet zijn geweest.

Beer­put­ten
De beer­put­ten op de Blij­en­hoek waren voor­al gesi­tu­eerd aan de ach­ter­zij­de van de hui­zen op de plaats van het Kraai­en­hof­je. De mees­te beer­put­ten her­berg­den een schat aan vond­sten, waar­bij de 17e eeuw het best ver­te­gen­woor­digd was. Een beer­put, beho­ren­de bij een huis aan de Boter­steeg tegen­over het hui­di­ge pand van de fir­ma Van Beu­ze­kom, lever­de enke­le prach­ti­ge stuk­ken van een “vet­ro a fili e retor­ti”-beker op. Dit is een ver­sie­rings­tech­niek in glas, die bestaat uit inge­smol­ten spi­raal­dra­den van wit glas, afge­wis­seld met ban­den van wit glas. Een voor­werp dat in het begin van de 17e eeuw zeker niet in elk huis­hou­den voor­kwam. Maar ook de beer­put­ten met een vul­ling uit de 18e, de 19e en zelfs de 20e eeuw kwa­men voor. De vond­sten uit deze put­ten zijn voor die tijd wat een­vou­di­ger en dui­den op die manier al de eco­no­mi­sche terug­val van de wijk aan. Over deze put­ten valt ver­der op te mer­ken, dat de mees­te aan­ge­legd waren als water­put en in een later sta­di­um gebruikt wer­den als beer­put, voor­dat ze in onbruik raak­ten en dicht­ge­gooid wer­den.

Vroeg­ste bewo­ning
De gevon­den fun­de­rings­res­ten in de boven­ste lagen date­ren uit de 16e eeuw, maar moge­lijk zit­ten er ook oude­re muren tus­sen. De date­ring van de muren vormt nog een pro­bleem, daar er regel­ma­tig gebruik gemaakt werd van oude bak­steen voor ver­bou­win­gen of zelfs voor de aan­leg van nieu­we fun­da­men­ten of muren. Het spreekt voor zich, dat men met het for­maat van de bak­ste­nen als date­rings­mid­del voor­zich­tig moet omsprin­gen.

Resten van omgevallen vlechtwerk

Res­ten van omge­val­len vlecht­werk schot­ten

De vroeg­ste res­ten die gevon­den wer­den, date­ren uit de 14e en 15e eeuw. Het betreft de fun­de­rin­gen van de zij­mu­ren van gedeel­te­lijk bak­ste­nen hui­zen. Deze res­ten wer­den op onge­veer 1,5 meter onder het hui­di­ge straat­ni­veau aan­ge­trof­fen. De Blij­en­hoek was in deze peri­o­de nog niet zo dicht­ge­bouwd als in de 16e en 17e eeuw. Tus­sen de hui­zen waren open plek­ken, die gebruikt wer­den als erf. Tegen de hui­zen ston­den schuur­tjes en stal­len, die gemaakt waren van schot­ten van vlecht­werk, zgn. hor­den, met een sim­pel afdak van hout. In deze stal­len stond wat vee, een enkel var­ken voor de slacht en hier en daar een paard als rij- of last­dier. Op het erf wer­den kui­len gegra­ven waar de mest, afkom­stig van deze die­ren, in werd gewor­pen. De hui­zen had­den een hou­ten voor­ge­vel. Het dak was bedekt met lei­steen of dak­te­gels. Van bei­de zijn res­ten gevon­den in de vul­lin­gen van de mest­kui­len en de opho­ging­sla­gen, die rond­om de hui­zen lagen. Behal­ve met huis­af­val, plag­gen en mest is het ter­rein van de Blij­en­hoek, voor­al in de vroeg­ste peri­o­de, regel­ma­tig opge­hoogd met pak­ket­ten rivier­klei, die waar­schijn­lijk wel uit de buurt, maar van bui­ten de stads­mu­ren afkom­stig was.

De opho­ging­sla­gen tus­sen de hui­zen bevat­ten huis­af­val. De mees­te leer­res­ten die tij­dens de opgra­ving gevon­den zijn, komen uit deze oud­ste lagen. Soms von­den we een hele schoen, maar ook res­ten van een bui­del en zelfs een groot frag­ment van een kle­ding­stuk. Bot­ten en schel­pen geven aan­wij­zing voor het laat-mid­del­eeuws dieet. Er zaten zout­wa­ter­mos­se­len en car­di­um­schel­pen (kok­kels) in de opho­ging. Deze soor­ten komen van de kust en zijn aan­ge­voerd over de Mer­we­de. Ook lei­steen en aar­de­wer­kim­por­ten, zoals het Duit­se steen­goed, zul­len per schip naar de stad zijn getrans­por­teerd. De lig­ging van de stad aan de ver­bin­ding van de Lin­ge met de Mer­we­de geeft eigen­lijk al de stra­te­gi­sche han­dels­po­si­tie aan. De gevon­den impor­ten onder­stre­pen alleen maar het belang van Gorin­chem als han­dels­stad.

Aar­de­werk
Het aar­de­werk in de laat-mid­del­eeuw­se lagen bestaat voor­na­me­lijk uit steen­goed, afkom­stig uit Sieg­burg, en grijs aar­de­werk, dat waar­schijn­lijk in Bra­bant of Utrecht gepro­du­ceerd zal zijn.

Rood gegla­zuurd aar­de­werk kwam veel min­der voor. Uit de oud­ste lagen kwa­men geen oude­re scher­ven dan de boven­ge­noem­de, zodat dit deel van de stad aan­ge­legd moet zijn aan het ein­de van de 13e of in het begin van de 14e eeuw. Moge­lij­ker­wijs dateert het groot­ste deel van de uit­leg van Gorin­chem uit deze peri­o­de. Dat zou in over­een­stem­ming zijn met het his­to­risch ver­haal van de stich­ting van de stad in dezelf­de tijd door de heren van Arkel. Ove­ri­gens zijn uit ande­re delen van de stad ook geen oude­re aar­de­werk­vond­sten bekend. Het valt natuur­lijk niet uit te slui­ten, dat langs de oever van de Lin­ge een klei­ne neder­zet­ting heeft gele­gen, maar die zal waar­schijn­lijk niet veel heb­ben voor­ge­steld.

Plan­ten & die­ren

Uitgraven beerkelders

Uit­gra­ven beer­kel­ders

Tij­dens het onder­zoek aan de Blij­en­hoek is uit afvalkui­len, beer­kel­ders en ton­put­ten mate­ri­aal ver­za­meld voor bio­lo­gisch-arche­o­lo­gisch onder­zoek. Bio­lo­gi­sche arche­o­lo­gie is een weten­schap die zich bezig­houdt met de stu­die van bio­lo­gi­sche res­ten (zaden, stuif­meel, darm­pa­ra­sie­ten, hout, schel­pen, leer, bot­ten. insec­ten­res­ten, haar e.d.) die bij opgra­vin­gen wor­den gevon­den. Het doel van het bio­lo­gisch-arche­o­lo­gisch onder­zoek op de Blij­en­hoek was meer te weten te komen over de voe­dings­ge­woon­ten van de voor­ma­li­ge bewo­ners. Het onder­zoek werd uit­ge­voerd door Henk van Haas­ter en Chi­a­ra Caval­lo van BIAX-Con­sult te Amster­dam.

Mate­ri­aal en metho­den
Uit diver­se grond­spo­ren op de opgra­ving is mate­ri­aal ver­za­meld voor bota­nisch en zoö­lo­gisch onder­zoek. Een over­zicht van de onder­zoch­te mon­sters wordt gege­ven in tabel 1. Mon­sters voor bota­nisch onder­zoek zijn geno­men uit drie beer­kel­ders. Het gaat om de vondst­num­mers V13, V16 en V32. De mon­sters zijn met water gezeefd over een stel­sel zeven met maas­wijd­ten van 0.25, 0.5, 1, 2 en 5 mm. De op deze manier ver­kre­gen zeef­frac­ties zijn onder een bino­cu­lai­re micro­scoop mei een maxi­ma­le ver­gro­ting van 50x geanalyseerd.Op de opgra­ving is uit een gro­te ver­schei­den­heid aan grond­spo­ren bot­ma­te­ri­aal ver­za­meld (zie tabel 1). De mees­te bot­ten zijn met de hand ver­za­meld. Daar­naast zijn dier­lij­ke res­ten die in de bota­ni­sche mon­sters wer­den gevon­den, gea­na­ly­seerd. Van­we­ge de beperk­te hoe­veel­heid tijd die voor het onder­zoek beschik­baar was is alleen het bot­ma­te­ri­aal uit beer­kel­der V16 in detail gea­na­ly­seerd. Het bot­ma­te­ri­aal uit de ove­ri­ge grond­spo­ren is glo­baal geïn­ven­ta­ri­seerd.

Resul­ta­ten bota­nisch onder­zoek (tabel 2)
Gra­nen en der­ge­lij­ke
Wat de gra­nen betreft zijn boek­weit (Fag­o­py­rum esu­len­tum), haver (Ave­na sp.), rog­ge (Seca­le cere­a­le), rijst (Ory­za sati­va) en pluim­gierst (Pani­cum milia­ce­um) gevon­den. Boek­weit wordt al van­af de Karo­lin­gi­sche tijd (8e-10e eeuw) in ons land ver­bouwd en ook in de 16e en 17e eeuw nog veel gege­ten. Van haver kan niet net zeker­heid gezegd wor­den of het om gecul­ti­veer­de haver (Ave­na sati­va) of om wil­de haver (Ave­na fatua) gaat. Op grond van de naak­te kor­rels kan dit name­lijk niet vast­ge­steld wor­den. Rijst is van­af de 16e eeuw een ver­trouw­de ver­schij­ning in beer­put­ten. De rijst is vrij­wel zeker geïm­por­teerd uit het Mid­del­land­se Zee­ge­bied. Een aan­wij­zing daar­voor wordt ook gele­verd door de aan­we­zig­heid van ste­ke­li­ge bies (Sci­r­pus mucro­na­tus). Ste­ke­li­ge bies komt van natu­re niet in Neder­land voor, maar groeit in war­me­re delen van de wereld waar het vaak een hard­nek­kig onkruid op rijst­vel­den is. Uit de arche­o­bo­ta­ni­sche data­ba­se RADAR (Van Haas­ter en Brink­kem­per 1996) blijkt dat alle Neder­land­se vond­sten van ste­ke­li­ge bies zijn geas­so­ci­eerd met rijst. Het dichtst­bij­zijn­de moge­lij­ke her­komst­ge­bied is het Mid­del­land­se Zee gebied. Gierst was al in de pre­his­to­rie een belang­rijk cul­tuur­ge­was in ons land. Uit arche­o­bo­ta­nisch onder­zoek blijkt dat gierst in grond­mon­sters uit de peri­o­de 1500–1700 opval­lend goed is ver­te­gen­woor­digd (bron: arche­o­bo­ta­ni­sche data­ba­se RADAR). Vol­gens de beroem­de Zuid-Neder­land­se bota­ni­cus Dodoens (1554) was gierst in de 16e eeuw in Neder­land ech­ter nau­we­lijks bekend. Het gewas kan vol­gens hem slecht tegen nat­te omstan­dig­he­den. Er bestaan wel aan­wij­zin­gen dat van het meel brood gebak­ken werd. Ver­moe­de­lijk is de gierst geïm­por­teerd.

Pluimgierst (Panicum miliaceum)

Pluim­gierst (Pani­cum milia­ce­um)

Fruit, noten en zuid­vruch­ten
Deze cate­go­rie is goed ver­te­gen­woor­digd. Een belang­rij­ke oor­zaak hier­voor is dat de mees­te fruit­soor­ten en noten goed her­ken­ba­re ste­vi­ge pit­ten heb­ben die een goe­de kans heb­ben om bewaard te blij­ven, iets wat van de mees­te groen­ten en krui­den niet gezegd kan wor­den. De mees­te fruit­soor­ten zijn ver­trouw­de ver­schij­nin­gen in laat­mid­del­eeuw­se en 16e of 17e eeuw­se con­text. Een bij­zon­de­re vondst is een afge­zaag­de boven­kant van een kokos­noot (Cocos nuci­fe­ra). Kokos­pal­men komen oor­spron­ke­lijk uit Zuid­oost-Azië en/of de eilan­den in de Gro­te Oce­aan, maar groei­en tegen­woor­dig langs bij­na alle tro­pi­sche kus­ten. De kokos­noot kan geïm­por­teerd zijn maar de moge­lijk­heid dat de noot op de Neder­land­se kust is aan­ge­spoeld, kan niet hele­maal wor­den uit­ge­slo­ten. Ook de vij­gen (Ficus cari­ca) zijn geïm­por­teerd uit zui­de­lij­ker stre­ken.

Vijg (Ficus carica)

Vijg (Ficus cari­ca)

Van de drui­ven­pit­ten kan niet wor­den vast­ge­steld of ze van in ons land geteel­de drui­ven of van geïm­por­teer­de kren­ten of rozij­nen afkom­stig zijn. Pit­lo­ze kren­ten of rozij­nen beston­den in de 17e eeuw wel maar waren nog geen alge­me­ne ver­schij­ning. In het krui­den­boek van Dodoens, met bij­voeg­sels van Caro­lus Clu­si­us uit 1644, wordt mel­ding gemaakt van “droog­he Wijn­be­zien oft Rosij­nen son­der steenen”. Deze ver­mel­ding heeft betrek­king op rozij­nen die door een Ara­bi­sche admi­raal aan de Neder­land­se admi­raal Ste­ven van der Hag­hen geschon­ken wer­den (Van Haas­ter 1997a). Van inland­se drui­ven werd in de Mid­del­eeu­wen behal­ve wijn, ook ver­jus (een in de mid­del­eeuw­se keu­ken veel gebruik­te soort azijn) gemaakt. De kans dat de drui­ven­pit­ten van inland­se drui­ven afkom­stig zijn is ech­ter niet zo heel groot. De peri­o­de 1530–1700 staat name­lijk bekend als de “klei­ne ijs­tijd” en wordt land­bouw­his­to­risch onder ande­re geken­merkt door een ster­ke ach­ter­uit­gang van de drui­ven­teelt in ons land (Van Haas­ter 1997b).

Een bij­zon­de­re vondst is een zaad­je van de zuur­bes (Ber­be­ris vul­ga­ris). Zaden van deze struik zijn slechts één keer eer­der in Neder­land­se arche­o­lo­gi­sche con­text gevon­den. Het is niet zeker of zuur­bes een oor­spron­ke­lijk inheem­se plant in Neder­land is. Uit arche­o­lo­gisch en his­to­ri­sche gege­vens blijkt in ieder geval dat de struik, waar­van vele toe­pas­sin­gen beschre­ven zijn, van­af de Mid­del­eeu­wen in ons land voor­komt. Dodoens noemt zuur­bes in zijn krui­den­boek uit 1554 “Sau­se­boom”. Hij schrijft dat deze struik langs bos­ran­den groeit en in de hoven van “cruyt­lief­heb­bers” wordt gevon­den. Step­haan Blan­k­aart, een bota­ni­cus uit de 17e eeuw, schrijft in zijn “Her­ba­ri­us” uit 1698 dat zuur­bes alleen in de hoven van lief­heb­bers groeit. De blaad­jes en de rode bes­sen heb­ben een aan­ge­na­me zure smaak. De blaad­je wor­den als groen­te gebruikt en uit de bes­sen wordt een sap gemaakt om siroop of een zure saus te maken, van­daar de naam Sau­se­boom. Hele bes­sen wer­den soms aan tros­sen gekon­fijt.

Zuurbes (Berberis vulgaris)

Zuur­bes (Ber­be­ris vul­ga­ris)

Groen­ten en keu­ken­krui­den
Deze cate­go­rie voe­dings­mid­de­len is aan­zien­lijk min­der goed ver­te­gen­woor­digd. Dit komt omdat de mees­te van deze gewas­sen geoogst wor­den in een sta­di­um dat de plan­ten nog geen zaden gevormd heb­ben. De kans dat zaden mee geoogst wor­den en uit­ein­de­lijk in de beer­put kun­nen belan­den is dus zeer klein. Kom­kom­mers en augur­ken vor­men hier­bij een uit­zon­de­ring omdat het “vrucht­groen­ten” zijn, en dus zaden bevat­ten. Kom­kom­mers en augur­ken beho­ren bota­nisch gezien tot dezelf­de soort en zijn daar­door op grond van de zaden niet van elkaar te onder­schei­den. Vroe­ge­re ver­mel­din­gen van kom­kom­mers heb­ben bij­na alle­maal betrek­king op vruch­ten die dui­de­lijk meer lij­ken op onze tegen­woor­di­ge augur­ken dan op kom­kom­mers (Van Haas­ter 1997b). Een bij­zon­de­re vondst is sper­zie­boon (Pha­seo­lus vul­ga­ris). Zaden van sper­zie­boon zijn nog niet eer­der in Neder­land­se arche­o­lo­gi­sche con­text gevon­den. Ook moet gezegd wor­den dat het zaad niet opti­maal bewaard is geble­ven waar­door de deter­mi­na­tie niet voor 100% zeker is. Sper­zie­boon behoort tot de gewas­sen die pas na de tocht van Colum­bus in 1492 naar Zuid Ame­ri­ka in Euro­pa bekend zijn gewor­den.

Spe­ce­rij­en
Bin­nen deze cate­go­rie gebruiks­plan­ten is slechts één soort gevon­den name­lijk para­dijs­kor­rel (Afra­mo­mum mele­gue­ta). Para­dijs­kor­rels zijn de zaden van een plan­ten­soort uit de gem­ber­fa­mi­lie en daar­door een fami­lie­lid van kardamon. Ze wer­den als medi­cijn of spe­ce­rij gebruikt. Oor­spron­ke­lijk komt het gewas uit het kust­ge­bied van wes­te­lijk tro­pisch Afri­ka. Por­tu­ge­se han­de­laars zorg­den er in de Late Mid­del­eeu­wen voor dat para­dijs­kor­rels op de Euro­pe­se markt kwa­men. De spe­ce­rij­en­mark­ten van Brug­ge en Ant­wer­pen waren belang­rij­ke ver­deel­cen­tra (Van Haas­ter 1997b).

paradijskorrel (Aframomum melegueta)

Para­dijs­kor­rel (Afra­mo­mum mele­gue­ta)

Diver­se ande­re gebruiks­plan­ten
Hen­nep (Can­na­bis sati­va) behoort tot de oud­ste cul­tuur­ge­was­sen ter wereld en is in het ver­le­den voor­al van­we­ge de vezels en de olie ver­bouwd. In 16e en 17e-eeuw­se krui­den­boe­ken wordt hen­nep vrij­wel altijd genoemd van­we­ge zijn genees­krach­ti­ge wer­king. In beer­put­ten wor­den hen­nep­za­den regel­ma­tig gevon­den. Deze vond­sten dui­den vrij­wel zeker op medi­ci­naal gebruik. De uit de zaden gepers­te olie werd tij­dens de vas­ten ook voor de maal­tijd­be­rei­ding gebruikt, maar hen­nep­olie was in het ver­le­den ook kant en klaar op mark­ten ver­krijg­baar. Het is daar­om niet waar­schijn­lijk daar de zaden uit beer­put­ten gebruikt zijn om olie uit te per­sen. Naast medi­ci­naal gebruik wordt ook het gebruik als vogel­voer ver­meld. In de reke­nin­gen van hei kloos­ter Leeu­wen­horst bij Noord­wijk is in 1475/76 spra­ke van de aan­koop van hen­nep­zaad voor het vogel­tje van de abdis (Van Haas­ter 1997b).

Ook de vondst van hop (Humu­lus lupu­lus) kan op het gebruik van deze plant als genees­mid­del dui­den. Het kan ech­ter niet hele­maal uit­ge­slo­ten wor­den dat de voor­ma­li­ge gebrui­kers van de beer­kel­der wel eens zelf bier heb­ben gebrou­wen. Ook over het gebruik van raap­zaad (Bras­si­ca rapa) en vlas (Linum usi­ta­tis­si­mum) valt niet veel met zeker­heid te zeg­gen. Van­we­ge het hoge gehal­te aan olie is raap­zaad tij­dens vas­ten­pe­ri­o­den, wan­neer dier­lij­ke vet­ten ver­bo­den waren, wel voor de maal­tijd­be­rei­ding gebruikt. De inten­sie­ve cul­tuur van dit gewas zal ech­ter onge­twij­feld tol ver­wil­de­ring en opslag tus­sen ande­re cul­tuur­ge­was­sen heb­ben geleid. De kans dat het raap­zaad mei graan is mee geoogst is dan ook behoor­lijk groot. Dit geldt even­eens voor hel vlas, hoe­wel zaden van vlas (lijn­zaad) ook wel toe­ge­voegd wer­den aan aller­lei bak­ke­rij­pro­duk­ten. Gedroog­de bloei­wij­zen van de wevers­kaar­de (Dipsa­cus sati­vus) wer­den vroe­ger gebruikt om wol te kaar­den. Of de vondst het zaad van deze plant in beer­kel­der V16 op het kaar­den van wol door de voor­ma­li­ge bewo­ners duidt, kan ech­ter niet met zeker­heid wor­den gezegd.

weverskaarde (Dipsacus sativus)

Wevers­kaar­de (Dipsa­cus sati­vus)

Onkrui­den
De mees­te onkrui­den die in de tabel 2 zijn ver­meld, zijn vrij­wel zeker afkom­stig uit akkers en tui­nen. Door het ont­bre­ken van goe­de zaad­scho­nings­me­tho­den kwa­men vroe­ger veel onkruid­za­den, afkom­stig van de graan­ak­kers en tui­nen, in de beer­put terecht. Veel onkrui­den die tus­sen het graan groei­den wer­den mee gege­ten, ter­wijl ande­re onkrui­den via het keu­ken­af­val na het schoon­ma­ken van aller­lei tuin­bouw­pro­duc­ten in beer­put­ten terecht kwa­men. Gede­tail­leer­de ana­ly­se van deze onkrui­den kan vaak inte­res­san­te infor­ma­tie ople­ve­ren over de her­komst van akker­bouw­pro­duc­ten, de gebruik­te agra­ri­sche tech­nie­ken of de omstan­dig­he­den op de akkers en in de rui­nen. Zo is de vondst van vin­ken­zaad (Neslia pani­cu­la­ta) een aan­wij­zing dat graan is geïm­por­teerd uit Mid­den- of Oost-Euro­pa. Waar­schijn­lijk is dit gebeurt via graan­han­del in het Han­ze­ver­bond. Er bestaan his­to­ri­sche aan­wij­zin­gen dat voor­al ste­den in West-Neder­land via de Han­ze graan uit het Oost­zee­ge­bied impor­teer­den. Ook in Gorin­chem werd blijk­baar graan uit het Oost­zee­ge­bied gege­ten.

Resul­ta­ten zoö­lo­gisch onder­zoek
De resul­ta­ten van het zoö­lo­gisch onder­zoek aan beer­kel­der V16 staan ver­meld in tabel 3.

Zoog­dier­bot­ten uit V16
Afgaan­de op de aan­tal­len en de afme­tin­gen van de bot­ten lijkt rund­vlees een belang­rij­ke rol in de voe­ding van de voor­ma­li­ge bewo­ners gespeeld te heb­ben. Bij­na alle bot­ten van rund (Bos tau­rus) ver­to­nen slacht­spo­ren. Wer­vels zijn het best ver­te­gen­woor­digd. Alleen nek­wer­vels en borst­wer­vels waren aan­we­zig. De nek­wer­vels zijn onbe­scha­digd ter­wijl de borst­wer­vels alle langs de mid­den­as gesple­ten zijn. Dit is het gevolg van het over­langs door­mid­den hak­ken van het kar­kas. Onder de run­der­bot­ten bevin­den zich bot­ten die een goe­de vlees­kwa­li­teit leve­ren (femur, tibia, nume­rus, uina, radi­us, pel­vis, sca­pu­la en costae). Ook is een kaak­frag­ment van rund gevon­den. Rib­ben van rund zijn slecht ver­te­gen­woor­digd. Som­mi­ge rib­ben zijn com­pleet, zon­der slacht­spo­ren. Op grond van het slij­ta­ge­pa­troon op de tan­den en kie­zen en de mate van ver­groei­ing van de ove­ri­ge bonen kon wor­den vast­ge­steld dat de mees­te run­de­ren op jon­ge en sub­adul­te leef­tijd (jon­ger dan twee jaar) geslacht zijn. Een dij­been­frag­ment was van een vol­was­sen rund afkom­stig. Ook schaap en/of geit (Ovis aries/Capra hircus) speel­de een belang­rij­ke rol in de voe­ding. Op grond van de bot­ten is het niet altijd moge­lijk om schaap van geit te onder­schei­den. Som­mi­ge bot­frag­men­ten kon­den met zeker­heid aan schaap toe­ge­we­zen wor­den. Betrouw­ba­re deter­mi­na­ties van geit waren niet moge­lijk. De mees­te scha­pen­bot­ten waren com­pleet met wei­nig slacht­spo­ren. Op som­mi­ge onder­po­ten waren snij­spo­ren a zien die ver­oor­zaakt zijn door het afhui­den. Bij­na alle ske­le­tele­men­ten van schaap/geit waren in de beer­kel­der aan­we­zig (zie tabel 4).

Var­kens­vlees stond blijk­baar niet vaak op het menu want er zijn maar weing boten van var­ken (Sus domes­ti­cus) gevon­den. De boven­kant van een dij­been (femur) met snij­spo­ren, en een com­ple­te meta­tarsus (voetske­let) zijn aan­we­zig. Bei­de bot­ten zijn afkom­stig van jon­ge indi­vi­du­en. Van konijn (Oryc­to­la­gus cuni­cu­lus) zijn bot­ten van ten­min­ste twee indi­vi­du­en gevon­den. Een gedeel­te van een voor­poot (radi­us en uina) is afkom­stig van een vol­was­sen konijn en een frag­ment van een ach­ter­poot (femur) is van een jong indi­vi­du afkom­stig. Van kat (Felis catus) is een meta­tarsus van een vol­was­sen indi­vi­du aan­we­zig.

Vis­res­ten uit V16
Onder de vis­res­ten is zowel zee­vis als zoet­wa­ter­vis ver­te­gen­woor­digd. Onder de zee­vis­sen is kabel­jauw (Gadus mor­hua) het best ver­te­gen­woor­digd. Afgaan­de op de afme­tin­gen van de ske­le­tele­men­ten zijn flin­ke exem­pla­ren gege­ten. Ande­re zee­vis­sen die op het menu ston­den waren schel­vis (Mela­no­gram­mus aegle­fi­nus), haring (Clu­pea haren­gus), en ste­kel­rog (Raja cla­va­ta) en een of meer­de­re soor­ten plat­vis (schol bot of schar). De ste­kel­rog doet mis­schien wat merk­waar­dig aan, maar deze vis, die in 16e eeuw vlo­te werd genoemd komt in kook­boe­ken uit die tijd regel­ma­tig voor (Jans­sen-Sie­ben en van der Molen-Wil­le­brands 1994). De zoet­wa­ter­vis­sen die in de voe­ding een rol speel­den zijn paling (Anguil­la anguil­la), zeelt (Tin­ca tin­ca), baars (Per­ca flu­vi­a­ti­lis).

Stekelrog (Raja clavata)

Ste­kel­rog (Raja cla­va­ta)

Schelp­die­ren uit V16
In de beer­kel­der waren vele tien­tal­len mos­sel­schel­pen aan­we­zig (Myti­lus edu­lis). De schel­pen moe­ten uit het kust­ge­bied zijn aan­ge­voerd en waren waar­schijn­lijk op de markt in Gorin­chem te koop. Ook een schelp­frag­ment van kok­kel (Car­di­um edu­le) was aan­we­zig. Het is moge­lijk dat deze schelp met de mos­se­len mee is geoogst.

VogeI­resten uit V 16
Onder het gevo­gel­te was eend het best ver­te­gen­woor­digd. Op grond van de bot­ten kon niet vast­ge­steld wor­den of het om wil­de eend (Anas pla­ty­r­hyn­chos) of tam­me eend (Anas domes­ti­cus) gaat. Dit geldt ook voor de bot­ten van gans (Anas sp.). Kip (Gal­lus gal­lus} is ook rede­lijk goed ver­te­gen­woor­digd. De vondst van bril­dui­ker (Bucep­ha­la clan­gu­la) is een aan­wij­zing dat ook jacht­wild gege­ten werd.

Bot­ma­te­ri­aal uit beer­kel­der V13
De samen­stel­ling van het bot­ma­te­ri­aal uit deze beer­kel­der is ver­ge­lijk­baar met het bot­ma­te­ri­aal uit V16. Alle run­der­bot­ten zijn van jon­ge indi­vi­du­en en ver­to­nen slacht­spo­ren. Een snuit van een rund is over­dwars afge­hakt. Snui­ten in de 17e eeuw ook wel “muy­len” genoemd, wer­den met peper, foe­lie, kruid­na­ge­len en noot­mus­kaat en schijf­jes mie­rik­wor­tel in wijn gelegd om als win­ter­voor­raad te die­nen’. Ook de bot­ten van schaap of geit (Ovis/Capra) zijn afkom­stig van jon­ge indi­vi­du­en. Er zijn rela­tief veel metapo­dia (voetske­let) van schaap (Ovis aries). Ook zijn er veel ske­let­de­len van vogels, waar­on­der ske­let­de­len van zomer- of win­ter­ta­ling (Anas querquedula/crecca). In het bota­ni­sche mon­ster uit deze beer­kel­der zijn res­ten van paling (Anguil­la anguil­la), baars (Per­ca flu­vi­a­ti­lis), kabel­jauw (Gadus mor­hua) en zwar­te rat (Ratt­us ratt­us) gevon­den.

Bot­ma­te­ri­aal uit beer­kel­der V32
De samen­stel­ling is vrij­wel gelijk aan die van de beer­kel­der V16. In V32 zijn nog een onder­kaak (man­di­bu­la) en een opper­arm­been (nume­rus) van een jong var­ken gevon­den, als­me­de een poot­frag­ment (tarso­me­ta­tarsus) van knob­bel­zwaan (Cyg­nus olor). In het bota­ni­sche mon­ster uit deze beer­kel­der waren res­ten van paling en baars aan­we­zig.

Bot­ma­te­ri­aal uit beer­kel­der V31
De samen­stel­ling van dit bot­ma­te­ri­aal is ver­ge­lijk­baar met de vond­sten uit de vori­ge con­tex­ten. Er is veel rund aan­we­zig, waar­on­der een com­pleet scheen­been (tibia). Ook gevo­gel­te en vis­res­ten zijn aan­we­zig.

Bot­ma­te­ri­aal uit beer­put V4
In deze beer­put is rela­tief wei­nig bot­ma­te­ri­aal gevon­den. Een hals­wer­vel (atlas) en een sche­del­frag­ment van rund wer­den gevon­den. Twee frag­men­ten van gro­te rib­ben met snij­spo­ren zijn moge­lijk ook van rund (of paard) afkom­stig.

Bot­ma­te­ri­aal uit ton­put V18
In deze beer­put wer­den en sche­del van een kalf, een gedeel­te van een onder­poot (pha­lanx l) en een onder­kaak van een jong schaap of geit waren gevon­den. De sche­del van het kalf was over­langs door mid­den gehakt om bij de her­se­nen te kun­nen komen. Ook de snuit was afge­hakt. Opval­lend is dat rela­tief veel bonen van hon­den (Canis fami­li­a­ris) aan­we­zig waren. Het gaat om een sche­del (cra­ni­um), drie onder­ka­ken (man­di­bu­lae), een hals­wer­vel (atlas) een schou­der­blad (sca­pu­la) een opper­arm­been (nume­rus) een scheen­been (tibia) en een bot uit het voetske­let (met­a­car­pus). De bot­ten zijn afkom­stig van mini­maal drie indi­vi­du­en. Eén sche­del was afkom­stig van een jong hond­je met een kor­te snuit. Ove­ri­ge vond­sten uit deze ton­put zijn een onder­kaak van een kat (Felis catus), een vork­been (fur­cu­la) van een eend, een rib van een klein zoog­dier dat niet nader kon wor­den gede­ter­mi­neerd en een hal­ve eischaal.

Bot­ma­te­ri­aal uit de ton­put­ten V6, V7 en V5O
Het bot­ma­te­ri­aal uit deze ton­put­ten is anders van samen­stel­ling dat dat van de hier­voor beschre­ven con­tex­ten. Bot­ten van rund zijn het best ver­te­gen­woor­digd. Veel min­der bot­ten waren aan­we­zig van var­ken en schaap/geit. De run­der­bot­ten zijn afkom­stig van klei­ne­re die­ren dan die uit de ande­re con­tex­ten. De meest voor­ko­men­de ske­le­tele­men­ten zijn rib­ben. De mees­te rib­ben zijn op dezelf­de leng­te afge­hakt en lij­ken afkom­stig te zijn van het­zelf­de indi­vi­du. Dit wijst op de con­sump­tie van com­ple­te rib­stuk­ken van rund. Naast rib­ben zijn sche­del­frag­men­ten en poot­frag­men­ten aan­we­zig. Op een heup­frag­ment van een rund zijn ver­groei­in­gen te zien (exos­to­ses op het ace­ta­bulum), moge­lijk ver­oor­zaakt door ouder­dom.

Bot­ma­te­ri­aal uit de ove­ri­ge grond­spo­ren
Op de vind­plaats zijn in ver­schil­len­de ande­re spo­ren nog­al wat paar­den­bot­ten (Equus cabal­lus) gevon­den. In V3 is een gedeel­te van een paar­denske­let gevon­den. Het gaat om een lin­ker en een rech­ter onder­kaak, een frag­ment van een boven­kaak. 15 com­ple­te rib­ben, een borst­wer­vel, dij­been, scheen­been, kuit­been en een schou­der­blad. In V92 is en com­pleet schou­der­blad van een jong paard (epi­py­se onver­groeid). In het onder V92 gele­gen spoor V102 is even­eens een bot van een jong paard gevon­den. Het gaat om een com­pleet dij­been (epi­hy­sen onver­groeid). De bot­ten uit V92 en V102 lij­ken afkom­stig te zijn van het­zelf­de indi­vi­du. In V106 (onder een muur) is een bij­na com­ple­te voor­poot (radi­us, uina en nume­rus) van een vol­was­sen mid­del­groot paard gevon­den. In V109 zijn ske­let­de­len van een jong paard gevon­den. Het gaat om de vol­gen­de onder­de­len: voor­kant van de sche­del, bei­de onder­ka­ken, los­se snij­tan­den en kie­zen, een lin­ker en een rech­ter opper­arm­been en delen van de onder­poot (met­a­car­pus, meta­tarsus). Aan het gebit is te zien dat het paard niet ouder was dan ca 2,5 jaar (Jd3 niet door­ge­bro­ken). V 172 betreft een com­ple­te sche­del van een vol­was­sen paard, een lin­ker en een rech­ter opper­arm­been en een rech­ter dij­been. Op grond van de slij­ta­ge van de kie­zen kan de leef­tijd van het betref­fen­de dier geschat wor­den op ca acht jaar. Het dier had een schoft­hoog­te van onge­veer 1,50 m.

Waar­schijn­lijk gaat het bij de paar­den­res­ten niet om con­sump­tie­af­val. De bot­ten zijn in alle geval­len onbe­scha­digd en ver­to­nen ook geen slacht­spo­ren. Boven­dien gaat het bij de mees­te vond­sten om vrij com­ple­te onder­de­len van ske­let­ten. Het ver­moe­den bestaat daar­om dat op de loca­tie Blij­en­hoek paar­den wer­den gehou­den en dat in het ver­le­den af en toe (delen van) paar­den ter plaat­se wer­den begra­ven.

Con­clu­sies
Het bio­lo­gisch-arche­o­lo­gisch onder­zoek op de Blij­en­hoek heeft waar­de­vol­le gege­vens opge­le­verd over de voe­ding van de voor­ma­li­ge bewo­ners. Het is geble­ken dat de voe­ding behoor­lijk geva­ri­eerd was, met een rijk aan­bod van ver­schil­len­de soor­ten fruit, meer­de­re soor­ten gra­nen, groen­ten en peul­vruch­ten. Ook de dier­lij­ke com­po­nent in de voe­ding is geva­ri­eerd. Rund en schaap/geit waren de belang­rijk­ste vlees­le­ve­ran­ciers. Var­kens­vlees speel­de een klei­ne rol het­geen in de mees­te ste­den in het (bos­ar­me) West-Nede­ri­and het geval was. Pro­duk­ten van jacht (bril­dui­ker, taling, zwaan), vis­se­rij (kabel­jauw, schel­vis, haring, paling, zeelt, baars, ste­kel­rog, mos­se­len, kok­kels) en het hou­den van konij­nen en pluim­vee (kip, eend, gans, eie­ren) zorg­den aan­vul­lin­gen op het menu. Veel voe­dings­mid­de­len zul­len in de stad of in de nabije omge­ving ver­kre­gen zijn. Kokos­no­ten, rijst, para­dijs­kor­rels en moge­lijk kren­ten of rozij­nen zijn geïm­por­teerd uit zui­de­lij­ker stre­ken maar zijn onge­twij­feld ook op loka­le of regi­o­na­le mark­ten betrok­ken. Pluim­gierst en moge­lijk ook ander graan is waar­schijn­lijk geïm­por­teerd uit Mid­den- of Oost-Euro­pa. Op grond van de aan­ge­trof­fen voe­dings­mid­de­len kan over de even­tu­e­le wel­stand van de voor­ma­li­ge bewo­ners niet veel met zeker­heid wor­den gezegd. Rijst, kokos­noot en para­dijs­kor­rels zul­len onge­twij­feld rela­tief dure voe­dings­mid­de­len zijn geweest, maar zelfs men­sen met een naar ver­hou­ding lage wel­stand zul­len wel eens iets exo­tisch heb­ben gege­ten. Voor betrouw­ba­re uit­spra­ken over de wel­stand en de alge­me­ne voe­dings­eco­no­mie van de stad Gorin­chem is het op dit moment nog te vroeg. Hier­voor zal eerst een gro­ter deel van het bodem­ar­chief van de stad onder­zocht moe­ten wor­den.

Foto’s

« 1 van 3 »

Media

13-11-1996
Arche­o­loog houdt lezing over resul­taat opgra­vin­gen
Arche­o­loog drs. P.M. Floo­re brengt maan­dag 18 novem­ber ver­slag uit van de opgra­vin­gen aan de Blij­en­hoek die onder zijn lei­ding wer­den uit­ge­voerd in mei van dit jaar.
Lees meer...

12-11-1996 Kom­pas Aktief
Lezing over opgra­vin­gen in Gorin­chem
De arche­o­loog drs. P.M. Floo­re brengt maan­dag 18 novem­ber ver­slag uit van de onder zijn lei­ding uit­ge­voer­de opgra­ving aan de Blij­en­hoek in mei van dit jaar.
Lees meer...

29-05-1996 Kom­pas Aktief
Vond­sten ver­ras­sen arche­o­lo­gen, Blij­en­hoek gaf schat aan infor­ma­tie prijs.
Op de vloer van het oude Stads­kan­toor ligt het resul­taat van twee weken arche­o­lo­gisch onder­zoek uit­ge­stald. Een schat aan infor­ma­tie is aan de Blij­en­hoek en de Var­ken­markt boven water gehaald.
Lees meer...

04-05-1996 De Dord­te­naar
Blij­en­hoek legt Gor­cum bloot, spo­ren van hui­zen gevon­den uit de 14e eeuw.
Gorin­chem is niet ont­staan als klei­ne neder­zet­ting aan de overs van de Lin­ge en de Mer­we­de die ver­vol­gens steeds gro­ter is gegroeid, maar is gesticht en is in rela­tief kor­te tijd uit­ge­bouwd tot een flin­ke han­dels­stad. Die con­clu­sie trek­ken arche­o­lo­gen voor­zich­tig na twee weken van opgra­vin­gen aan de Blij­en­hoek in de bin­nen­stad.
Lees meer...

01-05-1996 Gor­cum­se Cou­rant
Mid­del­ba­re scho­lie­ren krij­gen les in de open lucht, Blij­en­hoek geeft gehei­men prijs.
Gorin­chem heeft een oude bin­nen­stad met een rijk ver­le­den dat tot diep in de mid­del­eeu­wen terug­gaat. Wie nu door het cen­trum loopt, bespeurt eigen­lijk wei­nig meer van de mid­del­eeuw­se stad, behal­ve dan als er, zoals nu, arche­o­lo­gen aan het werk gaan.
Lees meer...

Publi­ca­ties

A. Broe­ken
Gor­cum­se bodem­schat­ten; arche­o­lo­gi­sche speur­tocht naar de geschie­de­nis van de Arkel­stad; Gor­cum­se Monu­men­ten­reeks; Gorin­chem; 2006; p. 7–15.
Flip­book | PDF (3 MB)

P.M. Floo­re
De opgra­ving van de Blij­en­hoek te Gorin­chem; in Gron­dig Beke­ken: Tijd­schrift van de Afde­ling Lek- en Mer­westreek van de AWN; 11e jaar­gang no. 2; 1996; p. 41–46.
Flip­book | PDF (245 kB)

P.M. Floo­re
De opgra­ving van de Blij­en­hoek te Gorin­chem; Oud-Gor­cum Varia 1996–3; p. 198–203.
Flip­book | PDF (13 MB)

H. van Haas­ter & C. Caval­lo
Plant­aar­di­ge en dier­lij­ke res­ten uit de opgra­ving Blij­en­hoek te Gorin­chem; Amster­dam; 1997; BIAXi­aal 45
Flip­book | PDF (1,56 MB)

T. Koor­evaar
Jaar­ver­slag werk­groep Gorin­chem (1996); in Gron­dig Beke­ken: Tijd­schrift van de Afde­ling Lek- en Mer­we­destreek van de AWN; 12e jaar­gang no. 1; 1997; p. 18–20.

T. Koor­evaar
Gorin­chem: Blij­en­hoek; Arche­o­lo­gi­sche Kro­niek Zuid-Hol­land 1996 in His­to­risch Tijd­schrift Hol­land; 29e jaar­gang p. 425; 1997.
Flip­book | PDF (17 MB)

J. van Oost­veen
Tabaks­pij­pen van de opgra­ving Blij­en­hoek te Gorin­chem; Tiel; 2010.
Flip­book | PDF (5,92 MB)

J. van Oost­veen
Loden voor­wer­pen van de opgra­ving Blij­en­hoek; Tiel: 210.
Flip­book | PDF (324 kB)

Met­a­da­ta

 

Archisnummer(s):geen
Topo­gra­fi­sche Kaart:38D
Coo­r­di­na­ten:126.55/427.10 (cen­trum)
Topo­niem:Blij­en­hoek
Plaats:Gorin­chem
Gemeen­te:Gorin­chem
Pro­vin­cie:Zuid-Hol­land
Type onder­zoek:DAO
Uit­voer­der:P.M. Floo­re, Rot­ter­dam
Pro­ject­lei­der:P.M. Floo­re, Rot­ter­dam
Opdracht­ge­ver:Gemeen­te Gorin­chem
Bevoegd gezag:Rijks­dienst voor het Oud­heid­kun­dig Bodem­on­der­zoek, Amers­foort
Aan­vang onder­zoek:22 april-7 mei 1996
Vond­sten & docu­men­ta­tie:Arche­o­lo­gisch depot gemeen­te Gorin­chem
DANS:-

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.