Nieuwstad 7a t/m d (2009)

Onderzoek

Huis Jacob Kemp kopie naar een anonieme tekening circa 1680, Regionaal Archief Gorinchem.

Huis Jacob Kemp kopie naar een ano­nie­me teke­ning cir­ca 1680, Regi­o­naal Archief Gorin­chem.

Bij de arche­o­lo­gi­sche opgra­ving van het per­ceel op huis­num­mer 7 a t/m d aan de Nieuw­stad in Gorin­chem zijn de res­ten bloot­ge­legd van de bebou­wing die hier van­af het eind van de 16de eeuw heeft gestaan.

De bewo­nings­ge­schie­de­nis begint nadat in de jaren ’80 en ’90 van de 16de eeuw de stad werd uit­ge­breid door de aan­leg van een nieu­we stads­ves­ting. De in slech­te staat ver­ke­ren­de mid­del­eeuw­se stads­muur bood geen ade­qua­te bescher­ming meer, en tegen de ach­ter­grond van de poli­tie­ke en mili­tai­re situ­a­tie van de Tach­tig­ja­ri­ge Oor­log, werd het besluit geno­men deze te ver­van­gen voor een ver­de­di­gings­werk dat aan de eisen van de tijd vol­deed.

Luxe herenhuizen

Aan de Nieuw­stad, ten wes­ten van het oude mid­del­eeuw­se cen­trum, kon­den rij­ke bur­gers gro­te per­ce­len opko­pen. De Gor­cum­se schout en ves­ting­bouw­kun­di­ge Jacob Kemp kocht er een per­ceel en liet het naar eigen ont­werp bebou­wen. Dat hij in deze “nieuw­bouw­buurt” in goed gezel­schap ver­keer­de blijkt wel uit het nabij­ge­le­gen, zeer luxu­eu­ze heren­huis – later bekend als Huis Paf­fen­ro­de – dat mr. Adriaen van Weres­teyn temid­den van een uit­ge­strek­te, weel­de­ri­ge tuin liet aan­leg­gen.

Detail kaart Joan Blaeu omgeving Nieuwstad (1649)

Detail kaart Joan Blaeu omge­ving Nieuw­stad (1649)

Johan Kemp komt in 1613 via een erfe­nis in het bezit van het per­ceel en liet er omstreeks 1650 een huis bou­wen, bekend als “Hui­ze Kemp”. Rond 1660 is een gede­tail­leer­de teke­ning gemaakt van dit huis. Deze groot­scheep­se ver­bou­wing heeft in het arche­o­lo­gi­sche bodem­ar­chief enke­le spo­ren nage­la­ten. Onder een kel­der­vloer­tje zijn voor­wer­pen met een date­ring in het twee­de kwart van de 17de eeuw gevon­den. Ook is er een hou­ten ton die rond deze peri­o­de met beer en puin gevuld raak­te en werd een gro­te beer­put in gebruik geno­men. Een rond 1614 geda­teer­de fun­de­rings­plank en een frag­ment van gebrand­schil­derd glas met het jaar­tal 1618 laten de moge­lijk­heid open dat er ook al eer­der wij­zi­gin­gen wer­den aan­ge­bracht in het door Jacob Kemp ont­wor­pen huis.

Gezicht op de tuin van Mar­ti­nus van Bar­ne­velt (ca. 1760 – 1770), col­lec­tie Gor­cums Muse­um

Beerput

De Nieuw­stad zou nog lang na het ont­staan zijn hoge sta­tus behou­den. In de vul­ling van een beer­put die bij het arche­o­lo­gi­sche onder­zoek is aan­ge­trof­fen, waren zeer veel voor­wer­pen aan­we­zig die een beeld geven van de wel­vaart van de bewo­ners. De beer­put is moge­lijk al van­af het twee­de kwart van de 17de eeuw in gebruik, tot aan het laat­ste kwart van de 18de eeuw, waar­na de put over­bouwd wordt. Het meren­deel van de voor­wer­pen dateert uit de peri­o­de 1675 – 1740, waar­bij door de nauw­keu­rig dateer­ba­re tabaks­pij­pen de nadruk wordt gelegd op de peri­o­de 1720 – 1735. Op 10 maart 1735 over­lijdt de vijf­de eige­naar van het per­ceel aan de Nieuw­stad, lui­te­nant-kolo­nel Phi­lip de Saint Amant. Zijn vrouw Jubi­na de Clair is al enke­le jaren eer­der over­le­den en moge­lijk wordt een deel van hun huis­raad na de dood van Phi­lip afge­dankt in de beer­put.

Eetservies

Onder de 417 – meest­al com­ple­te – voor­wer­pen van aar­de­werk bevindt zich veel eet­ser­vies, waar­on­der zowel de goed­ko­pe Neder­rijn­se bor­den, als de iets duur­de­re bor­den van faïen­ce, hoe­wel die laat­ste slechts enke­le malen voor­zien zijn van poly­chro­me beschil­de­ring. Blauw-wit­te of geheel wit­te bor­den over­heer­sen. Ook de voor­wer­pen die door hun vorm en gebruik een zeke­re sta­tus heb­ben, zoals een plooi­scho­tel of zout­vat, zijn geheel onver­sierd.

Zout­schaal
Nederlandse faïence (1650−1700), hoogte 6.8 cm.
Bla­ker
Witbakkend aardewerk met loodglazuur (1650−1725), hoogte 8 cm.
Thee­pot
Engels Jackfield aardewerk (ca. 1750 – 1775), hoogte 8 cm.
Zout­schaal
Nederlandse faïence (1650−1700), hoogte 6.8 cm.
Zout­schaal
Nederlandse faïence (1650−1700…
Bla­ker
Witbakkend aardewerk met loodglazuur (1650−1725), hoogte 8 cm.
Bla­ker
Witbakkend aardewerk met loodgl…
Thee­pot
Engels Jackfield aardewerk (ca. 1750 – 1775), hoogte 8 cm.
Thee­pot
Engels Jackfield aardewerk (ca.…

Theeservies

Daar­naast neemt thee­ser­vies van por­se­lein, faïen­ce of indu­stri­eel wit aar­de­werk een belang­rij­ke plaats in onder de vond­sten. In totaal zijn er 38 kop­jes en 35 scho­tel­tjes gevon­den. Een thee­pot met dek­sel en een room­kan­ne­tje van indu­stri­eel zwart aar­de­werk zijn moge­lijk onder­deel geweest van een rouw­ser­vies. Het bezit­ten van een thee­ser­vies – en in het bij­zon­der een rouw­ser­vies – was een pri­vi­le­ge, maar in de 18de eeuw niet lan­ger voor­be­hou­den aan de aller­rijk­sten. De wei­nig cohe­ren­te ver­za­me­ling kop­jes en scho­tel­tjes uit de beer­put en het ont­bre­ken van bij­zon­de­re voor­wer­pen, roe­pen het beeld op van de bezit­tin­gen van de moda­le bur­ge­rij. Het sta­tus­beeld van de ove­ri­ge aar­de­wer­ken voor­wer­pen sluit aan bij deze obser­ve­rin­gen.

Pispotten

Het lage aan­tal pis­pot­ten dat is gevon­den, is moge­lijk te ver­kla­ren door de aan­we­zig­heid van een inpan­dig secreet, dat mid­dels een goot­je direct was aan­ge­slo­ten op de beer­put.

Kookgerei

Een in opval­lend gerin­ge mate ver­te­gen­woor­dig­de func­tie­groep is die van de voor­wer­pen die wor­den gebruikt bij de voed­sel­be­rei­ding, zoals gra­pen en bak­pan­nen. Dit kan ener­zijds te maken heb­ben met een selec­tie die is gemaakt bij het depo­ne­ren van de huis­raad, maar ander­zijds is het moge­lijk dat deze voor­wer­pen in metaal waren uit­ge­voerd. Metaal ver­dween door­gaans eer­der in de smelt­kroes dan in een afvalkuil of beer­put.

Metaalvondsten

De metaal­vond­sten in de beer­put zijn dan ook voor­wer­pen met een gerin­ge omvang, zoals kno­pen, spel­den en kle­ding­ha­ken en ‑rin­gen. Er zijn ook een aan­tal klei­ne gebruiks­voor­wer­pen aan­ge­trof­fen, waar­on­der een vin­ger­hoed­je, een priem met benen heft en een een­vou­di­ge tin­nen lepel. Zeer bij­zon­der is de vondst van een vrij­wel com­pleet zak­hor­lo­ge. Ach­ter­op het ver­sier­de uur­werk is de naam van de maker gegra­veerd, John Cots­worth in Lon­den, die daar van­af 1669 als hor­lo­ge­ma­ker actief was. Cots­worth over­leed in 1732, hoog­be­jaard, op 95-jari­ge leef­tijd, waar­door moet wor­den ver­on­der­steld dat hij het mecha­niek­je op zijn laatst enke­le decen­nia daar­voor moet heb­ben gemaakt.

Glaswerk

Het tota­le aan­tal van 179 gla­zen voor­wer­pen is zeker niet gering te noe­men. De meest voor­ko­men­de vor­men onder de 107 drink­gla­zen zijn het kelk­glas en de drink­be­ker. Uit kelk­gla­zen werd wijn gedron­ken, wat ver­pakt zat in uivor­mi­ge gla­zen fles­sen. Hier­van zijn er 57 gevon­den. Enke­le kelk­gla­zen met rad­slijp­ver­sie­ring kun­nen tot de duur­de­re soort wor­den gere­kend, de mees­te gla­zen zijn ech­ter niet opval­lend luxe. Toch kan wor­den gesteld dat, op basis van de hoe­veel­heid glas­werk, de bewo­ners zeker niet onbe­mid­deld waren. Het is opval­lend dat deze con­clu­sie dui­de­lij­ker spreekt uit de voor­wer­pen in deze mate­ri­aal­ca­te­go­rie, dan uit het aar­de­werk.

Slachtafval

De dier­lij­ke res­ten in de beer­put laten zien dat er een – voor een ste­de­lij­ke con­text uit de nieu­we tijd – vrij gebrui­ke­lij­ke samen­stel­ling van slacht- en con­sump­tie­af­val aan­we­zig is, waar­bij alleen de gro­te diver­si­teit onder het gevo­gel­te opvalt. Door­dat er geen bota­nisch onder­zoek is uit­ge­voerd, is het beeld van het con­sump­tie­pa­troon van de voor­ma­li­ge bewo­ners aan de Nieuw­stad helaas incom­pleet.

Welgesteld

Het mate­ri­aal uit de beer­put over­ziend, kan wor­den gesteld dat het de indruk wekt afkom­stig te zijn uit een huis­hou­den dat rede­lijk wel­ge­steld was. De gro­te hoe­veel­heid drink­glas en wijn­fles­sen, het zak­hor­lo­ge, de moge­lij­ke aan­we­zig­heid van meta­len kook­waar en een inpan­dig sekreet wij­zen op een ruim­schoots boven­ge­mid­del­de sta­tus. Het aar­de­werk daar­en­te­gen, is wel­is­waar rij­ker dan dat van de lage­re soci­a­le klas­sen, maar uit­ge­spro­ken luxe objec­ten of pron­k­waar zijn niet aan­ge­trof­fen. Wat hier­bij moge­lijk een rol heeft gespeeld is de selec­tie die voor­af is gegaan aan de depo­si­tie in de beer­put. Deels vind die selec­tie onbe­wust plaats door het gebruik van de voor­wer­pen, waar­bij de waar­de­vol­le bezit­tin­gen met gro­te­re zorg wor­den behan­deld en dus min­der snel bre­ken of wor­den ver­van­gen.

Er zal ech­ter ook een selec­tie heb­ben plaats­ge­von­den bij het ver­beu­ren van de inboe­del, na het over­lij­den van de kin­der­lo­ze Phi­lip de Saint Amant. Gezien de hypo­the­se dat het leeu­wen­deel van de voor­wer­pen naar aan­lei­ding van het over­lij­den van Phi­lip de Saint Amant is gede­po­neerd, zal deze selec­tie een gro­te­re invloed heb­ben gehad op de samen­stel­ling van het mate­ri­aal in de beer­put.
De ver­on­der­stel­ling dat een deel van de kost­ba­re stuk­ken uit de inboe­del onder­ver­te­gen­woor­digd zijn, wordt gevoed door de beschrij­ving van de nala­ten­schap :

de gang, ’t groot salet, ’t paer­se kamer­tie, de groote eet­sael, ’t kleyn eet­zaal­tie, de kel­der, de kel­der­ka­mer, het comp­toir­tie, de boven­ka­mer boven de eet­zaal, de kamer daer de over­le­den heer gesla­pen heeft, de pro­vi­sie­ka­mer, de gang , de salet­ka­mer, het cleyn comp­toir­tie, de meys­sens­ka­mer, de gale­rij, de blau­we kamer, het cof­fer­ca­me­r­tie, de kook­keu­ken, de bot­te­le­rij, de kleer­sol­der, de vlie­ring, de agter­keu­ken, de sol­der boven de agter­keu­ken” (Bus­ch & Olden­bur­ger-Ebbers 1990, 13 – 14).

Hoe­wel hier geen mel­ding wordt gemaakt van de inboe­del, ont­staat het beeld van een groot huis waar ook per­so­neel aan­we­zig is geweest. Daar­naast wordt er gespro­ken over een tuin met onder ande­re een oran­je­rie, “bel­le­fi­dè­re”, knechts­ka­mer, geweer­ka­mer en koets­huis. De rijk­dom van Phi­lip de Saint Amant blijkt voor­al ook uit de juwe­len en waar­de­pa­pie­ren, met een waar­de van res­pec­tie­ve­lijk ƒ 7.200,- en ƒ 31.367,-.

Overzicht opgraving Nieuwstad richting zuidoosten

Over­zicht opgra­ving Nieuw­stad rich­ting zuid­oos­ten

In de peri­o­de hier­na wordt de ope­ning in de beer­put moge­lijk gedicht, of op zijn minst min­der inten­sief gebruikt. De hoe­veel­heid mate­ri­aal dat een dui­de­lij­ke laat 18e-eeuw­se date­ring heeft is schaars. Gezien de aan­we­zig­heid van de oude­re voor­wer­pen, zal de put in het twee­de en der­de kwart van de 18e eeuw niet meer gron­dig geleegd zijn. In het laat­ste kwart van de 18e eeuw wordt de beer­put afge­vuld met puin en over­bouwd met een muur­fun­de­ring van ijs­sel­ste­nen. Enke­le ande­re muur­res­ten en een water­put van deze steen­soort date­ren moge­lijk van omstreeks dezelf­de peri­o­de.

Recessie en verval

Nadat de Gou­den Eeuw ten ein­de was geko­men, raak­te ook de Gor­cum­se eco­no­mie in het slop, waar­bij rond 1740 een diep­te­punt werd bereikt. De reces­sie raak­te voor­al de lage­re- en mid­den­klas­sen, de eli­te hield zich door benoe­min­gen bin­nen de eigen kring in stand. De eige­naars van het per­ceel aan de Nieuw­stad behoor­den door­gaans tot deze “bevoor­rech­te” groep. Zo was Mar­ti­nus van Bar­ne­veldt (drost) eige­naar tus­sen 1757 en 1775 en Her­ma­nus Nico­laas Boel­laard (sche­pen) tus­sen 1786 en 1802. Aan het eind van de 18e eeuw kwam in deze situ­a­tie ver­an­de­ring door de toe­ne­men­de popu­la­ri­teit van de demo­cra­ti­sche denk­beel­den van de Patri­ot­tis­ti­sche bewe­ging.

Uit­ein­de­lijk leid­den deze ont­wik­ke­lin­gen ook aan de Nieuw­stad tot ver­val. Naast de eco­no­mi­sche neer­gang en de sinds 1783 Patri­ot­tisch gezin­de bestuurs­krin­gen, leid­de de strijd tus­sen de Fran­sen en de Pruis­sen uit­ein­de­lijk tot de neer­gang van de hoge sta­tus van de Nieuw­stad. In 1813 bele­ger­den de Prui­si­sche troe­pen de door de Fran­sen bezet­te stad. Tij­dens dit beleg raak­te een groot deel van de gebou­wen in Gorin­chem bescha­digd door de zwa­re bom­bar­de­men­ten die na 22 janu­a­ri 1814 wer­den uit­ge­voerd. Het gebouw tegen­over Hui­ze Kemp, waar Napo­le­on op 5 en 6 okto­ber 1811 nog in luxe de nacht kon door­bren­gen, deed dienst als hos­pi­taal. Na afloop van de strijd was het gebouw zo geha­vend dat het moest wor­den afge­bro­ken. In de twee­de helft van de 18e eeuw wordt ook het ooit zo impo­san­te Huis Paf­fen­ro­de afge­bro­ken. Op deze plek zou in 1826 de Wil­lems­ka­zer­ne wor­den gebouwd.

Bierbrouwerij

Overname stoombierbrouwerijen De Kraan en de Drie Snoeken van de firma Eijkmans & Van Renesse door A.F. van Renesse op 23 okotber 1882Enke­le jaren later, in 1831, begin­nen de heren Van Renes­se en Eyck­mans een bier­brou­we­rij op het per­ceel aan de Nieuw­stad. De pan­den wor­den hier­voor ver­bouwd, waar­bij zowel nieu­we fun­de­rin­gen wor­den gelegd, als gebruik gemaakt van oude fun­de­rin­gen. Tus­sen 1832 en 1868 wordt de brou­we­rij uit­ge­breid met een gro­te loods op het ach­ter­ter­rein, die zich uit­strekt tot aan de Schut­ters­gracht. In 1884 wordt er een brouw­in­stal­la­tie aan­ge­legd met onder ande­re een gas-aan­ge­dre­ven water­pomp. Een gro­te water­put tegen de ach­ter­muur van de oude pan­den wordt dan moge­lijk gedicht. Een laat 19e-/be­gin 20e-eeuw­se pud­ding­vorm in de beer­put sluit aan op deze date­ring.

Foto’s

« 1 van 4 »

Publicaties

Blonk-van den Bercken, A.L, A.A.A. Verhoeven, H. van Londen, J.W. Oudhof, G. Overmars & M.E. Lobbes (2020) Ambachtelijke productie in steden. Een inventarisatie en analyse op hoofdlijnen van archeologische aanwijzingen voor ambachtelijke productie in steden in de late middeleeuwen en nieuwe tijd, Nederlandse Archeologische Rapporten 066, Amersfoort. Blonk-van den Bercken, A.L, A.A.A. Verhoeven, H. van Londen, J.W. Oudhof, G. Overmars & M.E. Lobbes (2020)
Ambachtelijke productie in steden. Een inventarisatie en analyse op hoofdlijnen van archeologische aanwijzingen voor ambachtelijke productie in steden in de late middeleeuwen en nieuwe tijd, Nederlandse Archeologische Rapporten 066, Amersfoort, p. 104.
WorldCat |Flipbook | PDF (30 MB)
Busch, A.J. & C.S. Oldenburger-Ebbers (1990)Lusthoven in Gorinchem, Historische Reeks Oud-Gorcum 3, Gorinchem Busch, A.J. & C.S. Oldenburger-Ebbers (1990)
Lusthoven in Gorinchem, Historische Reeks Oud-Gorcum 3, Gorinchem, p. 8-.
Flipbook | PDF (9 MB)
Hoogendijk, T. (2009) Gorinchem | Nieuwstad, in: Archeologische Kroniek van Zuid-Holland 2009 41, p. 11-16. Hoogendijk, T. (2009)
Gorinchem | Nieuwstad, in: Archeologische Kroniek van Zuid-Holland 2009 41, p. 11-16.
Flipbook | PDF (5,61 MB)
Hoogendijk, T. (2011) Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (IVO-P) en een archeologische opgraving (AO), Gorinchem Nieuwstad 7 a t/m d, Hollandia reeks 333, Zaandijk. Hoogendijk, T. (2011)
Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (IVO-P) en een archeologische opgraving (AO), Gorinchem Nieuwstad 7 a t/m d, Hollandia reeks 333, Zaandijk.
Flipbook | PDF (31,69 MB)
Hoogendijk, T. (2011) Afgedankt huisraad van een luitenant-kolonel, in: Westerheem 60, p. 314-317. Hoogendijk, T. (2011)
Afgedankt huisraad van een luitenant-kolonel, in: Westerheem 60, p. 314-317.
Flipbook | PDF (1,14 MB)
Hoogendijk, T. (2018)Rijk gevulde beerputten op het Kazerneplein en aan de Nieuwstad, in: F. Cerutti, R. Mulder, B. Stamkot & A. de Vries (red.), Tien eeuwen Gorinchem. Geschiedenis van een Hollandse stad, Utrecht, p. 340-341. Hoogendijk, T. (2018)
Rijk gevulde beerputten op het Kazerneplein en aan de Nieuwstad, in: F. Cerutti, R. Mulder, B. Stamkot & A. de Vries (red.), Tien eeuwen Gorinchem. Geschiedenis van een Hollandse stad, Utrecht, p. 240-241.
WorldCat
Oostveen, J. van (2010) Tabakspijpen van de opgraving Nieuwstad te Gorinchem, Tiel. Oostveen, J. van (2010)
Tabakspijpen van de opgraving Nieuwstad te Gorinchem, Tiel.
Flipbook | PDF (2,69 MB)
Zonder naam (2009) Nieuws uit de Nieuwstad, in: DIEP. Cultuur Historisch Magazine Dordrecht Regio 11, p. 29. Zonder naam (2009)
Nieuws uit de Nieuwstad, in: DIEP. Cultuur Historisch Magazine Dordrecht Regio 11, p. 29.
PDF (1,5 MB)

Media

Raadsel waarom sommige dingen zijn weggegooid

Raadsel waarom sommige dingen zijn weggegooid

GORINCHEM – Een spaar­var­ken met een kapot­ge­sla­gen snuit, de eer­ste Gor­cum­se vlooi­en­van­ger en een zak­hor­lo­ge van zeer vroe­ge make­lij. Het zijn enke­le opval­len­de vond­sten uit de beer­put die begin dit jaar aan de Nieuw­stad werd ont­dekt. De vrij­wil­li­gers…

Metadata

Kaart wordt gela­den, even geduld a.u.b.…

 

Archisnummer(s):Zaakidentificaties:
proefsleuven: 2222691100 (32072)
opgraving: 2227398100 (32745)
Topografische Kaart:38G
Coordinaten:126.320/426.755
Toponiem:Nieuwstad 7a tot en met d
Plaats:Gorinchem
Gemeente:Gorinchem
Provincie:Zuid-Holland
Type onderzoek:IVO-P en DO
Uitvoerder:Hollandia cultuurhistorisch onderzoek en archeologie, Zaandijk
Projectleider:S. Dautzenberg
Opdrachtgever:Aannemersbedrijf J. van Daalen
Bevoegd gezag:Gemeente Gorinchem
Aanvang onderzoek:26-11-2008 (IVO-P), 6-1-2009 (DO)
Vondsten & documentatie:Archeologisch depot gemeente Gorinchem
DANS:https://doi.org/10.17026/dans-zrz-brmt

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.