Op zoek naar de Blauwe Toren

GORINCHEM De Archeologische Werkgroep Gemeente Gorinchem gaat op zoek naar het 15de eeuwse kas­teel­com­plex ‘De Blauwe Toren’, wan­neer eind 1999 wordt begon­nen met de ver­ster­king van de his­to­ri­sche stadswallen. 

De Blauwe Toren bevond zich tus­sen 1461, toen de bouw van het kas­teel begon, tot de afbraak in 1578 onge­veer ter hoogte van de Duveltjesgracht en het Tolhuis. Tot in 1831 ble­ven op deze plek nog res­ten zichtbaar.

Op zoek naar de Blauwe Toren, detailstudie voor een stadsplattegrond, anoniem (1524−1578)

Detailstudie voor een stads­plat­te­grond, ano­niem (1524−1578

Volgens Martin Veen van de Archeologische Werkgroep is het aan­ne­me­lijk dat bij de uit­voe­ring van de werk­zaam­he­den aan de wal­len delen van de Blauwe Toren bloot komen. Veen die het opval­lend vindt dat er geen enkel his­to­risch bron­on­der­zoek is ver­richt naar de geschie­de­nis van het kas­teel, gelooft dat zich nog steeds fun­de­rings­res­ten in de bodem bevin­den. Hij hoopt dat het bij de wal­ver­ster­king moge­lijk wordt “iets meer te weten te komen over een van de groot­ste tech­ni­sche pres­ta­ties van de mid­del­eeuwse bouw­mees­ters in ons land”.

Veen heeft onlangs lite­ra­tuur­on­der­zoek ver­richt naar De Blauwe Toren. Op basis daar­van neemt hij aan dat het kas­teel een oudere voor­gan­ger heeft gehad. Het eer­ste werd gebouwd door de Hollandse graaf Willem VI, nadat deze Gorinchem in 1412 had ver­o­verd op de Arkels. Hij liet toen de Arkelse burcht in het Wijdschild afbre­ken en begon aan de bouw van een nieuw kas­teel aan de Merwede.

Tot dus­ver is er van­uit gegaan dat dit kas­teel van Willem VI en later van Jacoba van Beieren ten zui­den van de hui­dige Revetsteeg lag en onder­deel uit­maakte van de Middeleeuwse stads­ver­ster­kin­gen. Maar Veen betwij­felt of Willem VI bin­nen de muren van een hem vij­an­dig gezinde stad heeft gebouwd. Hij vindt een zui­de­lij­ker lig­ging op vei­lige afstand van de stad meer voor de hand liggen.

Karel de Stoute

Bijna vijf­tig jaar later, in 1461, begon Karel de Stoute met de uit­brei­ding van het gebouw, dat bedoeld was als bol­werk tegen zijn vader Philips de Goede, waar­mee hij in onmin leefde. Omdat vader en zoon zich in 1465 ver­zoen­den werd het kas­teel slechts gedeel­te­lijk gebouwd. Een mar­kant onder­deel dat wel gereed kwam vormde een grote, uit blauw hard­steen opge­trok­ken toren op de zuid­oost­hoek, die de Blauwe Toren werd genoemd.

De geschied­schrij­ver Abraham Kemp gaf in 1656 in zijn kro­niek en uit­ge­breide beschrij­ving van het Bourgondische kas­teel. Hij beschreef onder meer hoe Karel de Stoute begon met de fun­da­men­ten te leg­gen van “twee groote gewel­dige Torens aan ’t Kasteel tot Gorinchem, met een lange Zaal omtrent de Merwe (by mij­nen tijd nog genoemd den blau­wen Toorn) welks gelijk van grootte, dikte en ron­dig­heyd van Toornen. in geheel Duytsland, en Vrankrijk niet en was”.

Het gebouw was een hoog­te­punt van mid­del­eeuwse for­ti­fi­ca­tie­kunst en fun­de­rings­tech­niek. Het bestond uit een zeer groot bas­tion met bij­zon­der dikke muren, aan de bui­ten­zijde bekleed met vocht­we­rend blauwe hard­steen. Aangezien het aan de rivier lag moet het fun­de­ren vol­gens Martin Veen een kunst­stuk zijn geweest waar­voor Karel de Stoute bui­ten­landse advi­seurs nodig moet heb­ben gehad. Het was een vreemde eend in de Nederlandse bijt. Een der­ge­lijk type ver­ster­king kwam enkel in Noord-​Frankrijk voor.

Zwakke schakel

Toen de Middeleeuwse ves­ting­mu­ren rond de bin­nen­stad aan het eind van de zes­tiende eeuw moesten wor­den afge­bro­ken, omdat ze niet meer vol­de­den, moest ook de Blauwe Toren wij­ken. Het was een zwakke scha­kel in de ver­de­di­ging van de stad en paste niet meer in de plan­nen van ves­ting­ont­wer­per Adriaan Anthonisz, die aan het eind van de zes­tiende eeuw de nog steeds bestaande wal­len ‘bouwde’.

De aan­leg van de nieuwe ves­ting startte in 1578 met de ont­man­te­ling van het kas­teel. Geschiedschrijver Kemp schreef daar­over : “Dit hoog­be­roemt Kasteel, dese voor­tref­fe­lijke Toorens, Poorten, Muyren, Cingelen en ander heer­lijke gebou­wen zijn begin­nen af te bre­ken ’t jaar 1578 en ten les­ten tot den grond toe ver­nielt ’t jaar 1600 heb­bende in ’t vol­ko­men gestaan hon­dert en zeven­tien jaar, van 1461 tot 1576 en voort stuk­wijs tot 1600. Sulks dat ik daar nog ver­schey­de­nen Gebouwen wel een mans lenghde hoogh, boven den Aarde, al ghe­sien heb.”

De latere geschied­schrij­ver Van Goch meldde dat pas in 1831 de laat­ste brok­ken uit het zicht ver­dwe­nen. Deze over­blijf­se­len spra­ken onge­twij­feld tot de ver­beel­ding van de inwo­ners en vorm­den wel­licht de basis voor de plaat­se­lijke ver­sie van het ‘Vrouwtje van Stavoren’. Iedere Gorcumer kent het ver­haal over de slechte slot­vrouwe die in tijd van hon­gers­nood de gewoonte had haar bin­nen­plein te schrob­ben met melk tot­dat God er genoeg van kreeg en haar voor straf met kas­teel en al in de Duivelsgracht liet verdwijnen.

23 juni 1998
De Stad Gorinchem

Lees ook

Reacties zijn gesloten.