Wandtegel

De popu­la­ri­teit van deze tegels kwam voort uit een unieke com­bi­na­tie van schoon­heid en func­ti­o­na­li­teit. De gladde, gegla­zuurde opper­vlakte was niet alleen een lust voor het oog, maar bleek ook bij­zon­der prak­tisch : vuil en vet kon­den een­vou­dig wor­den weg­ge­veegd, en de tegels bescherm­den de muren tegen vocht en hitte. In een tijd waarin hygi­ëne steeds belang­rij­ker werd, waren deze eigen­schap­pen een groot voordeel.

Maar tegels waren meer dan alleen prak­tisch. Ze ver­tel­den ver­ha­len. Elke tegel kon een klein kunst­werkje zijn, met afbeel­din­gen van bloe­men, die­ren, kin­der­spe­len of Bij­belse tafe­re­len. Zo brach­ten ze kleur en karak­ter in huis, en gaven ze de bewo­ners de kans om hun smaak en wel­vaart te tonen aan bezoe­kers. Hoe rij­ker het huis­hou­den, hoe uit­bun­di­ger en gede­tail­leer­der het tegelwerk.

De opkomst van de tegel­in­du­strie in ste­den als Delft, Har­lin­gen en Mak­kum zorgde ervoor dat er een enorme vari­a­tie aan stij­len en motie­ven ont­stond, van het beroemde Delfts blauw tot kleur­rijke majo­lica. Tegels wer­den zelfs geëx­por­teerd naar het bui­ten­land, wat de Neder­landse tegel­kunst inter­na­ti­o­nale faam bezorgde.

Kortom : 17de-eeuwse wand­te­gels waren zo popu­lair omdat ze het huis niet alleen mooier en gezel­li­ger maak­ten, maar ook scho­ner, vei­li­ger en per­soon­lij­ker. Ze vorm­den een tast­baar bewijs van Hol­landse cre­a­ti­vi­teit en levens­lust, en zijn tot op de dag van van­daag een geliefd sym­bool van de Gou­den Eeuw.