Verwachtingskaart


Het arche­o­lo­gie­be­leid in Gorin­chem is in samen­wer­king met zeven ande­re gemeen­ten in de regio Alblas­ser­waard-Vijf­hee­ren­lan­den tot stand geko­men en komt voort uit de nieu­we taken en bevoegd­he­den die gemeen­ten met de invoe­ring van de Wet op de Arche­o­lo­gi­sche Monu­men­ten­zorg (WAMZ) in 2007 heb­ben gekre­gen. Het arche­o­lo­gie­be­leid geeft aan op wel­ke wij­ze de acht gemeen­ten – waar­on­der Gorin­chem – met arche­o­lo­gie wil­len omgaan en vormt onder ande­re een bouw­steen voor nog op te stel­len bestem­mings­plan­nen.

Verwachtingskaart

Archeologische verwachtingskaart gemeente Gorinchem, klik op afbeelding voor volledige weergave.

Arche­o­lo­gi­sche Ver­wach­tings­kaart Gorin­chem, klik voor vol­le­di­ge weer­ga­ve in PDF for­maat

Verwachtingskaart

Een onder­deel van het gemeen­te­lij­ke arche­o­lo­gisch beleid is het maken en actu­eel hou­den van een ver­wach­tings­kaart. Deze kaart toont gede­tail­leerd de beken­de arche­o­lo­gi­sche vind­plaat­sen en de loca­ties waar een ver­hoog­de kans is om arche­o­lo­gi­sche res­ten aan te tref­fen bij grond­ver­plaat­sin­gen. Bij de voor­be­rei­ding van ruim­te­lij­ke plan­nen is het een lei­draad om te bepa­len of voor­af­gaand onder­zoek nood­za­ke­lijk is. De ver­wach­tings­kaart sluit aan op de Cul­tuur­his­to­ri­sche Hoofd­struc­tuur (CHS) van de pro­vin­cie Zuid-Hol­land.

Voor inhou­de­lij­ke vra­gen kunt u con­tact opne­men met de afde­ling Ruim­te­lij­ke en Eco­no­mi­sche Ont­wik­ke­ling van de gemeen­te Gorin­chem.

Kadastrale minuut binnenstad Gorinchem 1835.

Kadas­tra­le minuut bin­nen­stad Gorin­chem 1835.

Beleidsnota

Raadsvoorstel en -besluit archeologiebeleid gemeente Gorinchem
2010-508, vastgesteld 28 oktober 2010.
FlipbookPDF (2,84 MB)
Beleidsnota Archeologie van de samenwerkende gemeenten van de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam, Liesveld, Nieuw-Lekkerland, Zederik; november 2009. Weide-Haas, I.N. van der, & C.D.R. Cohen-Stuart (2009)
Beleidsnota archeologie van de samenwerkende gemeenten van de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam, Liesveld, Nieuw-Lekkerland, Zederik. November 2009, Provinciaal Steunpunt Monumentenzorg en Archeologie, Erfgoedhuis Zuid-Holland, Delft, vastgesteld in pfo RO 24 november 2009.
FlipbookPDF (966 kB)
Boshoven, E.A., A. Buesink, H.M.M. Geerts, J.S. Krist, L.A. Tebbens & J.M.J. Willems (2009)
Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart, BAAC rapport V-08.0185, 's-Hertogenbosch.
Flipbook | PDF (6,40 MB)

AMZ-cyclus

Detail Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW)

Detail Indi­ca­tie­ve Kaart Arche­o­lo­gi­sche Waar­den (IKAW)

De AMZ-cyclus is een vas­te pro­ce­du­re bin­nen de arche­o­lo­gi­sche monu­men­ten­zorg (AMZ) in Neder­land. De cyclus is ver­an­kerd in de Kwa­li­teits­norm Neder­land­se Arche­o­lo­gie (KNA) als een ver­plicht werk­pro­ces voor arche­o­lo­gen.

In dit stap­pen­plan wordt aan­ge­ge­ven welk tra­ject bij plan­vor­ming bewan­deld moet wor­den als het gaat om het inpas­sen van arche­o­lo­gi­sche waar­den en ver­wach­tin­gen. Het is van groot belang om in een zo vroeg moge­lijk sta­di­um van de plan­vor­ming  hier­mee reke­ning te hou­den en wel voor­dat men aan­vangt met de glo­ba­le invul­ling van een plan­ge­bied.

Het stap­pen­plan gaat uit van een bre­de inven­ta­ri­sa­tie van wat er bekend is over de arche­o­lo­gi­sche waar­den. Op basis daar­van wordt zeer gericht inge­zoomd op voor het plan(gebied) rele­van­te arche­o­lo­gi­sche infor­ma­tie. Na iede­re stap wordt bere­de­neerd geko­zen voor meer diep­gaand onder­zoek op spe­ci­fie­ke plek­ken, zodat uit­ein­de­lijk vol­doen­de bekend is over aan­we­zi­ge vind­plaat­sen om een gemo­ti­veer­de afwe­ging in het ruim­te­lij­ke-orde­nings­pro­ces te kun­nen maken.

I : Bureauonderzoek

Het doel van bureau­on­der­zoek is het ver­wer­ven van infor­ma­tie – aan de hand van bestaan­de bron­nen – over beken­de of te ver­wach­ten arche­o­lo­gi­sche waar­den bin­nen of rele­vant voor het plan­ge­bied. Daar­naast moet het bureau­on­der­zoek inzicht bie­den in even­tu­eel beno­digd inven­ta­ri­se­rend onder­zoek (stap II, zie onder). Een bureau­on­der­zoek bestaat uit een archief- en lite­ra­tuur­on­der­zoek van arche­o­lo­gi­sche en bodem­kun­di­ge gege­vens die bij RCE, pro­vin­cie, gemeen­te en/of ande­re instan­ties (bij­voor­beeld uni­ver­si­tei­ten of musea) bekend zijn over het betref­fen­de gebied.

Detail Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland

Detail Cul­tuur­his­to­ri­sche Atlas Zuid-Hol­land, klik op afbeel­ding naar de web­si­te

Het Bureau­on­der­zoek dient de vol­gen­de aspec­ten te behan­de­len :

  • Aan­ge­ven wat de aan­lei­ding is voor het bureau­on­der­zoek en om welk gebied het gaat. Dit in ver­band met het bepa­len van het onder­zoeks­ka­der ;
  • Beschrij­ven van het hui­di­ge gebruik van de loca­tie op basis van beschik­ba­re rele­van­te gege­vens ;
  • Beschrij­ven van het his­to­ri­sche grond­ge­bruik of de his­to­ri­sche ont­wik­ke­ling van het gebied op basis van geo­fy­si­sche, fysi­sche en his­to­risch geo­gra­fi­sche gege­vens :
    – een kor­te impres­sie over de onst­aans­ge­schie­de­nis van het land­schap ;
    – een impres­sie van de bewo­nings­ge­schie­de­nis.
  • Beschrij­ven van beken­de arche­o­lo­gi­sche waar­den :
    – arche­o­lo­gisch waar­de­vol­le ter­rei­nen zoals deze zijn opge­no­men in het Rijks­mo­nu­men­ten­re­gis­ter van de RCE. Dezelf­de ter­rei­nen zijn tevens opge­no­men op de Arche­o­lo­gi­sche Monu­men­ten­kaar­ten (AMK) van de pro­vin­cies. Arche­o­lo­gisch waar­de­vol­le ter­rei­nen genie­ten wet­te­lij­ke bescher­ming of die­nen een pla­no­lo­gi­sche bescher­ming te krij­gen bin­nen het bestem­mings­plan :
    – arche­o­lo­gi­sche vind­plaat­sen zoals deze in Archis van de RCE aan­we­zig zijn. Clus­te­ring van vind­plaat­sen kan wij­zen op de aan­we­zig­heid van bewo­nings­spo­ren uit het ver­le­den.
  • Beschrij­ven van de arche­o­lo­gi­sche ver­wach­tin­gen en opstel­len van een gespe­ci­fi­ceerd en onder­bouwd ver­wach­tings­mo­del van de ver­wach­te arche­o­lo­gi­sche waar­den :
    – aan de hand van de door de RCE ont­wik­kel­de Indi­ca­tie­ve Kaart van Arche­o­lo­gi­sche Waar­den (IKAW). Gebie­den met een hoge of mid­del­ho­ge arche­o­lo­gi­sche ver­wach­tings­waar­de of tref­kans komen in ieder geval voor een nader arche­o­lo­gisch onder­zoek in aan­mer­king ;
    – aan de hand van een meer gede­tail­leer­de pro­vin­ci­a­le c.q. gemeen­te­lij­ke ver­wach­tings­kaart zoals die bij­voor­beeld ook voor Gorin­chem is vast­ge­steld.
  • Rap­por­ta­ge met daar­in advi­se­ring ten behoe­ve van het ver­volg­tra­ject gere­la­teerd aan de ver­schil­len­de sta­dia van het plan­vor­mings­pro­ces.
Detailkaart Archis Gorinchem

Detail­kaart uit Archis 3.0

II : Inventariserend veldonderzoek (IVO)

Het doel van het inven­ta­ri­se­rend veld­on­der­zoek is het zeer gericht aan­vul­len en toet­sen van de uit­kom­sten van het bureau­on­der­zoek. Staps­ge­wijs wordt beke­ken óf er arche­o­lo­gi­sche waar­den aan­we­zig zijn en zo ja, wat dan de aard, karak­ter, omvang, date­ring, gaaf­heid, con­ser­ve­ring en rela­tie­ve kwa­li­teit is. Ten behoe­ve van een IVO dient een Pro­gram­ma van Eisen (PvE) opge­steld te wor­den. In prin­ci­pe wordt het IVO uit­ge­voerd op basis van een Plan van Aan­pak (PvA). Het onder­zoek kan bestaan uit de vol­gen­de metho­den :

  • non-destruc­tie­ve metho­den : geo­fy­si­sche metho­den ;
  • wei­nig destruc­tie­ve metho­den : opper­vlak­te­kar­te­ring, boor­on­der­zoek, son­de­ring (put­jes van maxi­maal een vier­kan­te meter);
  • destruc­tie­ve metho­den : proef­sleu­ven.

Wel­ke metho­den (kun­nen) wor­den inge­zet hangt af van de loca­tie en vraag­stel­ling. De onder­bou­wing voor de in te zet­ten metho­den is in het bureau­on­der­zoek gege­ven. Een inven­ta­ri­se­rend veld­on­der­zoek moet lei­den tot een waar­de­ring en een arche­o­lo­gisch inhou­de­lijk selec­tie­ad­vies aan het bevoegd gezag.

Voorbeeld van een non-destructief onderzoek met behulp van een grondradar

Voor­beeld van een non-destruc­tief onder­zoek met behulp van een grond­ra­dar

Nadere toelichting onderzoeksmethoden : 1 en 2 :
Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.
Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven.
Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

 

Voorbeeld van een proefsleuven onderzoek plangebied Hoog Dalem (2006)

Voor­beeld van een proef­sleu­ven onder­zoek plan­ge­bied Hoog Dalem (2006)

Eventueel : III Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek

Indien het niet moge­lijk is een ‘behou­dens­waar­di­ge of bescher­mens­waar­di­ge’ vind­plaats in situ te bewa­ren, zal het hier aan­we­zi­ge bodem­ar­chief voor het nage­slacht bewaard die­nen te wor­den door mid­del van een vlak­dek­kend onder­zoek (opgra­ving). Alleen dan is deze stap (III) nood­za­ke­lijk.

Bron : Rijks­dienst voor het Cul­tu­reel Erf­goed (RCE)

Informatieve websites

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.