Blij­en­hoek legt Gor­cum bloot, spo­ren van hui­zen gevon­den uit de 14e eeuw

GORINCHEM – Gorin­chem is niet ont­staan als klei­ne neder­zet­ting aan de oevers van de Lin­ge aan de Mer­we­de die ver­vol­gens steeds gro­ter is gegroeid, maar is gesticht en in rela­tief kor­te tijd uit­ge­bouwd tot een flin­ke han­dels­stad. Die con­clu­sie trek­ken arche­o­lo­gen voor­zich­tig na twee weken van opgra­vin­gen aan de Blij­en­hoek in de bin­nen­stad.

Archeologisch onderzoek Blijenhoek 1996 Gorinchem

Op de opgra­vingslo­ca­tie, de groot­ste tot nu toe in Gorin­chem, zijn deze week de spo­ren (fun­da­men­ten van hui­zen, afval) gevon­den uit de 14e eeuw (1300−1400). Niet eer­der wer­den in de stad over­blijf­se­len van zul­ke oude hui­zen bloot­ge­legd.

Deze wonin­gen, al gemaakt van bak­steen, zijn gebouwd op maag­de­lij­ke grond, waar nog niet eer­der iemand woon­de”, zegt arche­o­loog Pie­ter Floo­re. “Dat duidt er op dat Gorin­chem niet orga­nisch steeds gro­ter is gegroeid, zoals een stad als Utrecht of Amster­dam, maar is gesticht. De heren van Arkel heb­ben hier in kor­te tijd een flin­ke stad uit­ge­legd. Noem het maar een soort “Alme­re aan de Mer­we­de”.

Floo­re houdt nog wel een slag om de arm, omdat de opgra­ving maar één deel van de stad toont, maar omdat de Blij­en­hoek zo diep in het oude stads­hart ligt durft hij die con­clu­sie toch aan. “Dat wil niet zeg­gen dat er daar­voor al niet her en der wat huis­jes ston­den. Maar dat zijn er niet lang­zaam steeds meer gewor­den.”

Uit de opgra­vin­gen blijkt dat de eer­ste bewo­ners van wat nu de Blij­en­hoek is niet dicht op elkaar woon­den. “Het was wijts opge­zet. De men­sen had­den wat grond rond hun huis, met een kotje en wat vee. We heb­ben dan ook her en der rond­om de hui­zen mest­kui­len gevon­den. Pas in de 15e en 16e eeuw zijn die open plek­ken in de stad vol­ge­bouwd.”

De hui­zen die in de 16e eeuw wer­den gebouwd waren gro­ter dan die uit eer­de­re eeu­wen. In de 18e en 19e eeuw wer­den ze juist weer klei­ner. “Het land raak­te eco­no­misch in ver­val en de ste­den ver­arm­den en ver­pau­per­den. Gro­te hui­zen wer­den toen opge­deeld in klei­ne­re stads­huis­jes. Die huis­jes zijn veel­al pas deze eeuw als krot­ten gesloopt”, aldus Floo­re.

Beer­put­ten

De arche­o­lo­gen von­den ook hon­der­den gebruiks­voor­wer­pen, veel­al in beer­put­ten waar­in de bewo­ners niet alleen hun behoef­te, maar ook kapot­te en ver­sle­ten spul­len depo­neer­den. De eer­ste con­clu­sies die ze uit de vond­sten trek­ken is dat de eer­ste bewo­ners vaak wel­ge­steld waren en dat Gorin­chem een func­tie had als han­dels­stad.

We vin­den veel Duits aar­de­werk, wat duidt op han­dels­ban­den met Duits­land, maar ook res­ten van car­di­um­schel­pen en zout­wa­ter­mos­se­len, die van de kust kwa­men. Ook waren som­mi­ge daken bedekt met lei­steen, wat van ver moest wor­den aan­ge­voerd. Lei­steen was een luxe pro­duct. Dat bete­kent dat de men­sen niet arm waren”, aldus Floo­re. Zijn col­le­ga-arche­o­loog Mar­tin Veen : “we heb­ben in een beer­put uit de 16e eeuw onder ande­re een kokos­noot en Vene­ti­aans kris­tal gevon­den. Alleen voor­na­me men­sen met geld kon­den dat in die tijd kopen.”

De opgra­vin­gen aan de Blij­en­hoek duren nog tot en met dins­dag.

Jezus wordt voorgeleid aan de hogepriester, Mattheüs 26:27, fragment roundel 1550-1600.

Jezus wordt voor­ge­leid aan de hoge­pries­ter, Mat­the­üs 26:27, frag­ment roun­del 1550 – 1600.

Arche­o­lo­gen lyrisch over stok­oud ruit­je

De arche­o­lo­gen die de afge­lo­pen twee weken wer­ken aan de Blij­en­hoek in de Gor­cum­se bin­nen­stad opgra­vin­gen heb­ben ver­richt, zijn lyrisch over een eeu­wen­oud gebrand­schil­derd ruit­je dat zij vori­ge week uit de grond heb­ben gehaald. De scher­ven vor­men een Bij­bels tafe­reel­tje, waar­in Chris­tus wordt voor­ge­leid aan Pon­ti­us Pila­tus. Het ruit­je werd gevon­den in een beer­put met mate­ri­aal uit de laat-16e eeuw, maar stamt zelf moge­lijk uit de 15e eeuw. “De kle­ding en de punt­schoe­nen zijn mid­del­eeuws”, zegt P. Floo­re van het Amster­dam­se Insti­tuut voor Pre- en Pro­to­his­to­ri­sche Arche­o­lo­gie. Hij spreekt van een unie­ke vondst, niet alleen voor Gorin­chem, maar ook voor Neder­land.

Floo­re ver­moedt dat het mees­ter­werk­je, dat een ‘zeer hoge kwa­li­teit’ heeft, deel heeft uit­ge­maakt van een gro­te­re gebrand­schil­der­de ruit in een kerk of een kloos­ter. “Dat het tus­sen laat-16e eeuws mate­ri­aal is gevon­den, duidt er op dat het is gesneu­veld tij­dens de Alte­ra­tie, de over­gang van katho­li­cis­me naar pro­tes­tan­tis­me. Het is moge­lijk dat iemand het uit een gesloop­te kerk of kloos­ter heeft gered, maar later pro­tes­tants is gewor­den en het als­nog in de beer­put heeft gegooid.”

Een expert van het Rijks­mu­se­um in Amster­dam zal bin­nen­kort pro­be­ren vast te stel­len wie de maker is van het ruit­je en wan­neer het is ver­vaar­digd. Floo­re denkt dat het daar­na aan het Gor­cums Muse­um zal wor­den aan­ge­bo­den voor de his­to­ri­sche col­lec­tie.

De Dord­te­naar
4 mei 1996
door Maar­ten Kui­per

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.